Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1479

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13/01327
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3583, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Vrijheid van meningsuiting (i.h.k.v. een publiek debat), art. 10 EVRM. Groepsbelediging en aanzetten tot discriminatie, art. 137c Sr en art. 137d Sr. Het, o.m. in art. 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan strafrechtelijke veroordeling t.z.v. groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie i.d.z.v. art. 137c Sr onderscheidenlijk 137d Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een o.g.v. art. 10.2 EVRM toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating i.v.m. de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie i.d.z.v. voormelde wettelijke bepalingen, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uitlating is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uitlating door een politicus i.h.k.v. het publiek debat - het politieke debat daaronder begrepen - onder ogen te worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het politieke/maatschappelijke debat draagt te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Daarbij gaat het niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid. V.zv. het Hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de tlgd. uitlatingen van verdachte, nu deze zijn gedaan door hem als politicus i.h.k.v. het publiek debat, louter strafbaar zouden kunnen zijn indien die uitlatingen de strekking zouden hebben om te bedreigen en/of te intimideren dan wel redelijkerwijs geacht kunnen worden aan te zetten tot haat en geweld, heeft het Hof een en ander i.c. miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2015/26 met annotatie van mr. R. van den Munckhof
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01327

Zitting: 3 juni 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 maart 2013 de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

2. Tegen deze uitspraak is door de advocaat-generaal bij het Hof cassatieberoep ingesteld.

3. De advocaat-generaal bij het Hof, mr. M.E. Meijer heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens verdachte heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te ‘s Gravenhage, het beroep tegengesproken.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt erover dat het Hof zijn vrijspraak heeft gebaseerd op zijn oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen die de verdachte in zijn hoedanigheid van politicus heeft gedaan in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang, vallen onder de bescherming van 10 EVRM, terwijl dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

4.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 februari 2010 tot en met 26 februari 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) zich in het openbaar, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten homoseksuelen) wegens hun homoseksuele gerichtheid, immers heeft verdachte (als lijsttrekker van de [partij]) op 24 februari 2010 in 'De Rode Hoed' tijdens en/of na een lijsttrekkersdebat in een interview tegenover een verslaggever van de lokale televisiezender AT5 n/of op 25 februari 2010 en/of 26 februari 2010 op AT5 televisie en/of de AT5 website ([website]), (telkens) opzettelijk beledigend een of meer van de volgende woorden uitgesproken en/of laten uitspreken: -'Ja, kijk de ellende is dat eh dat we te maken hebben met agressieve homofielen he. En die agressieve homofielen zitten in het bestuur van de partij. En dat werkt naar beneden...' en/of ‘Het is echt een hele dominante homofiele groep' en/of 'Het is heel normaal he om te zeggen van ik heb een hekel aan homofielen' en/of 'We hebben te maken met hele agressieve homofiele groepen hier. Zoals die homofielen bij de politie. Weet je, kijk dat, dat moet gewoon weg' en/of 'Kijk het zijn die mensen met die seksuele afwijkingen die moeten gewoon eigenlijk bestreden worden door de hetero's, vind ik' en/of "Laatst zag ik op tv dat een dominee hostie weigerde aan een homofiel. En dat die homofiel aangifte deed. Nou ik denk dat de dominee aangifte had kunnen doen wegens belediging van het christelijk geloof. Dat de homofiel ja eigenlijk naar hem toekomt, en ja best wel dominant is' en/of 'Dus mensen met afwijkende sekse die, die pakken we aan.' en/of 'Die mensen er uit sodemieteren' en/of 'Nou in ieder geval de homofiel. Ja, het spijt me maar die moet even weg want we zijn hetero. En die mensen met andere seksuele geaardheid zoals met andere afwijkingen' en/of 'Ik denk dat Amsterdam staat te snakken naar een hele mooie heteroseksuele Adam en Eva eh periode' en/of 'Nou de homofiel wordt gewoon te dominant en we zijn hetero.' en/of 'Weet je, dat die man met een andere man of een vrouw met een andere vrouw, ja dat is afwijkend gedrag, dat moet effetjes weg. We willen even een heterostad' en/of 'hij heeft netwerken opgebouwd voor vieze mannetjes en vieze vrouwtjes, bij de politie bijvoorbeeld.' en/of 'Dus het wordt weer een heteroland. U hoeft niet meer bang te zijn dat de homofiel weer te dominant wordt', althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;

2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 februari 2010 tot en met 26 februari 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) in het openbaar, mondeling, heeft aangezet tot discriminatie als bedoeld in artikel 90 quater Wetboek van Strafboek, van mensen, te weten homoseksuelen, (telkens) wegens hun homoseksuele gerichtheid, immers heeft verdachte (als lijsttrekker van de [partij]) op 24 februari 2010 in 'De Rode Hoed' tijdens en/of na een lijsttrekkersdebat in een interview tegenover een verslaggever van de lokale televisiezender AT5 en/of op 25 februari 2010 en/of 26 februari 2010 op AT5 televisie en/of de AT5 website ([website]), (telkens) een of meer van de volgende woorden uitgesproken en/of laten uitspreken: -'Ja, kijk de ellende is dat we te maken hebben met agressieve homofielen he. En die agressieve homofielen zitten in het bestuur van de partij. En dat werkt naar beneden...' en/of 'Het is echt een hele dominante homofiele groep' en/of 'Het is heel normaal om te zeggen van ik heb een hekel aan homofielen' en/of 'We hebben te maken met hele agressieve homofiele groepen hier. Zoals die homofielen bij de politie. Weet je, kijk dat, dat moet gewoon weg' en/of 'Pro-homofiele netwerken die moeten gewoon weg' en/of 'Kijk het zijn die mensen met die seksuele afwijkingen die moeten gewoon eigenlijk bestreden worden door de hetero's, vind ik' en/of 'Nou ik denk dat er te veel homofielen zitten in de bestuur' en/of 'Dus we gaan echt voor de hetero en ja, de homofiel moet eventjes weg vind ik, weet je. Ergens anders maar een homofiele stad' en/of 'Weet je die, die homofielen en die andere netwerken die in de loop der jaren heeft opgebouwd, daar, ja daar bestrijden we al jaren tegen.' en/of 'Dus mensen met afwijkende sekse die, die pakken we aan. Dat is heel serieus' en/of 'Die mensen er uit sodemieteren' en/of 'Nou in ieder geval de homofiel. Ja, het spijt me maar die moet even weg want we zijn hetero. En die mensen met andere seksuele geaardheid zoals met andere afwijkingen' en/of 'Nou die gaan we er echt uit halen' en/of 'Ik denk dat Amsterdam staat te snakken naar een hele mooie heteroseksuele Adam en Eva periode' en/of 'Nou de homofiel wordt gewoon te dominant en we zijn hetero. Weet je en echt eh ik ja... Ik bedoel ik hoef die homofiel niet te accepteren joh' en/of 'Weet je, dat die man met een andere man of een vrouw met een andere vrouw, ja dat is afwijkend gedrag, dat moet effetjes weg. We willen even een heterostad' en/of 'hij heeft netwerken opgebouwd voor vieze mannetjes en vieze vrouwtjes, bij de politie bijvoorbeeld.' en/of 'We willen van die pedo's af joh. Echt dat is een hele, hele zware punt. Bij de politie zitten er heel veel en ook die homofielen bij de poli... Daar willen we vanaf. En daar gaan we ook van af. Dus als we republikeins stemmen dan gaan die mensen in ieder geval weg. En alles wat er was en wat afwijkend is dat gaat weg' en/of 'Dus het wordt weer een heteroland. U hoeft niet meer bang te zijn dat de homofiel weer te dominant wordt', althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.”

4.3. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging. Het arrest van het Hof houdt onder meer het volgende in:

“Beoordeling hof


Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De context waarbinnen de uitlatingen zijn gedaan

Het kenmerkende van deze zaak is erin gelegen geweest dat sprake is geweest van een politieke bijeenkomst. Op 24 februari 2010 is in de 'Rode Hoed' te Amsterdam in het kader van de toen aanstaande gemeenteraadsverkiezingen een lijsttrekkersdebat georganiseerd. De getuige [betrokkene 1] was hierbij de gespreksleider. Hij heeft verklaard dat bij dit debat de lijsttrekkers van politieke partijen die in de gemeenteraad vertegenwoordigd waren, op het podium zaten. De lijsttrekkers van de partijen die niet in de gemeenteraad waren vertegenwoordigd, zaten op de eerste rij voor het podium, zij mochten om de beurt een vraag stellen aan een persoon op het podium. De verdachte was aanwezig als lijsttrekker van de [partij]. De zaal was vol met belangstellenden.

Uit de verklaring van de getuige [betrokkene 1] blijkt voorts dat voorafgaand aan het moment waarop de verdachte een vraag had gesteld, tussen de kandidaten op het podium een felle discussie was gevoerd over de vrijheid van meningsuiting, over wat je wel en niet mag zeggen. De mensen op het podium bleken voorstander te zijn voor een ruime interpretatie van het begrip vrijheid van meningsuiting Toen de verdachte vervolgens aan [betrokkene 2] van het CDA vroeg "vindt u homofilie normaal", kwam er gejoel uit de zaal. De getuige [betrokkene 1] heeft de zaal duidelijk gemaakt dat ook hen onwelgevallige meningen moeten kunnen worden geuit en heeft de verdachte naar voren geroepen, zodat hij zijn verhaal kon vertellen. De verdachte heeft toen (desgevraagd) gezegd dat hij homofilie een afwijking van het normale vindt en dat hij homofilie niet christelijk vindt.

Na afloop van het debat is de verdachte, in de zaal van de Rode Hoed waar eerder het debat heeft plaatsgevonden en waar nog steeds publiek aanwezig is, vervolgens geïnterviewd door AT5. De getuige [betrokkene 3], werkzaam bij AT5, heeft verklaard dat hij tijdens het debat heeft gefilmd en dat hij na afloop van het debat aan de verdachte heeft gevraagd of hij hem een paar vragen mocht stellen. Hij heeft de verdachte daarbij verteld dat hij van AT5 was. Hij had een microfoon met daarop groot "AT5" en achter hem stond een cameraman - duidelijk zichtbaar - te filmen. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat: de verdachte zich in het openbaar heeft uitgelaten, waaraan niet afdoet dat het publiek niet direct op gehoorafstand stond. Het hof volgt het betoog van de raadsman dan ook niet dat geen sprake zou zijn van (opzet op) openbaarheid.

De getuige [betrokkene 3] heeft uit het interview de uit te zenden delen geselecteerd en er één geheel van gemaakt. De getuige [betrokkene 3] heeft eerst een ruwe selectie gemaakt, die door veel mensen op de redactie (van AT5, zo begrijpt het hof) is bekeken. Uiteindelijk is in overleg met de eindredacteur beslist wat er zou worden uitgezonden. In onderhavige zaak zijn zowel zinsneden ten laste gelegd die alleen in het ruwe (niet uitgezonden) materiaal voorkomen, alsook zinsneden die in de uitzending zijn verwerkt en zijn uitgezonden.

Het juridisch kader

Naar vaste jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot artikel 20 EVRM genieten ook uitingen die “offend, shock, or disturb" de bescherming van artikel 10 EVRM (EHRM 7 december 1976, NJ 1978, 236, r.o. 49, Handyside en EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 42):

The Court recalls that the freedom of expression, enshrined in para. 1 of Art. 10, constitutes one of the essential foundations of democratic society and one of the basic conditions for its progress. Subject to para. 2 of Art. 10. it is applicable not only to "information" or "ideas" that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference but also to those that offend, shock or disturb. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no "democratic society.

In de Spaanse zaak Castells heeft het EHRM benadrukt dat politici, in het bijzonder, een sterke bescherming van hun uitingsvrijheid genieten (EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 42):

While freedom of expression is important for everybody, it is especially so for an elected representatieve of the people. He represents his electorate, draws attention to their preoccupations and defends their interests. Accordingly, interferences with the freedom of expression of an opposition Member of Parliament, like the applicant, call for the closest scrutiny on the part of the Court.

Dit is door het EHRM later nog eens bevestigd in, onder meer, de Lindon-zaak (EHRM 22 oktober 2007, NJ 2008/443, r.o. 46):

There is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on freedom of expression in the area of political speech or debate - where freedom of expression is of the utmost importance (see Brasilier v. France, no. 71343/01, §41,11 April 2006) - or in matters of public interest (see, among other authorities, Sürek v. Turkey (no 1) [GC], no 26682/95, § 6l, ECHR 1999-IV, and Brasilier, cited above)

Furthermore, the limits of acceptable criticism are wider as regards a politician as such than as regards a private individual. Unlike the latter, the former inevitably and knowingly lays himself open to close scrutiny of his every word and deed by both journalists and the public at large and he must consequently display a greater degree of tolerance (see, for example, Lingens cited above, § 42; Vides Aizsardzbas Klubs v. Latvia, no. 57829/00, § 40, 27 May 2004- and Brasilier cited above).

Daarbij omvat de uitingsvrijheid niet alleen de inhoud, maar ook de vorm: men mag zich bedienen van overdrijving en provocatie. Het EHRM overweegt voorts dat deze bescherming zich ook uitstrekt tot uitingen die buiten het parlement zijn gedaan (EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 43):

In the case under review Mr Castells did not express his opinion from the senate floor as he might have done without fear of sanctions, but chose to do so in a periodical. That does not mean, however, that he lost his right to criticise the Government.

In this respect, the pre-eminent role of the press in a State governed by the rule of law must not be forgotten. Although it must not overstep various bounds set, inter alia, for the prevention of disorder and the protection of the reputation of others, it is nevertheless incumbent on it to impart information and ideas on political questions and on other matters of public interest. Freedom of the press affords the public one of the best means of discovering and forming an opinion of the ideas and attitudes of their political leaders. In particular, it gives politicians the opportunity to reflect and comment on the preoccupations of public opinion; it thus enables everyone lo participate in the free political debate which is at the very core of the concept of a democratic society.

In verband met de vaststelling of een uiting in het openbaar debat geoorloofd is maakt het EHRM een onderscheid tussen feitelijke oordelen, die in beginsel moeten berusten op een toereikende feitelijke grondslag, en waardeoordelen (EHRM 22 oktober 2007, NJ 2008/443 Lindon e.a).

Deze laatste categorie uitingen zijn in beginsel vrij en vereisen geen feitelijke onderbouwing (EHRM 8 juli 1986, NJ 1987/ 901, Lingens), ook niet indien zij "shock, offend or disturb" (EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236, Handyside), tenzij het waardeoordeel een feitelijke grondslag veronderstelt of indien het waardeoordeel excessief is (EHRM 15 november 2007, nr. 12556/03, Pfeiffer). In de laatste twee gevallen mag de eis van een feitelijk toereikende grondslag worden gesteld.

Voor politici, die deelnemen aan een publiek debat over een zaak van algemeen belang (EHRM 24 februari 1997, NJ 1998/360, HUMO en EHRM 24 juni 2004, NJ 2005/22, Von Hannover) geldt ten aanzien van waardeoordelen dat aan hen een zeer ruime uitingsvrijheid toekomt, met uitsluiting van uitingen die aanzetten tot haat of geweld (EHRM 20 april 2010, NJ 2010/429, Le Pen; EHRM 15 maart 2011, NJ 2012/491, Mondragon; Rechtbank Den Haag 7 april 2008, NJF 2008/227, Wilders).

Conclusie


Naar het oordeel van het hof vallen de ten laste gelegde uitlatingen, die de verdachte in zijn hoedanigheid van politicus heeft gedaan in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang onder de bescherming van artikel 10 EVRM. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Eén van de onderwerpen van het debat in de Rode Hoed betrof een zaak van algemeen belang, te weten de door de verdachte bekritiseerde positie die volgens hem in onze samenleving wordt ingenomen door homosexuelen, in het bijzonder in (onderdelen van ) het openbaar bestuur. Het na afloop gehouden interview met de verdachte en de uitzending van een selectief deel daarvan op AT5 was een voortzetting van de eerder door de verdachte in het debat gedane uitlatingen. De ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte vallen naar het oordeel van het hof onder de categorie waardeoordelen, die "offend shock or disturb", maar die naar het oordeel van het hof niet zijn aan te merken als excessief in de betekenis die het EHRM aan deze kwalificatie geeft. Immers, niet kan worden gezegd dat de door de verdachte geuite bewoordingen de strekking hebben gehad om te bedreigen en/of te intimideren. De onderhavige waardeoordelen kunnen redelijkerwijs ook niet geacht worden aan te zetten tot haat of geweld, waarbij wordt overwogen dat dit laatste door het Openbaar Ministerie ook niet is gesteld.

Bij deze stand van zaken is geen nadere bespreking nodig van de vraag of de ten laste gelegde uitlatingen strafbaar zijn te achten op grond van de bepalingen 137c of 137d van het Wetboek van Strafrecht conform het in de jurisprudentie ontwikkelde beslissingsschema ( HR 14 januari 2003 NJ 2003, 261 en bevestigd in HR 29 november 2011, NJ 2012/37). Immers, zelfs indien de uitlatingen volledig onder de delictsomschrijving van deze strafbepalingen zouden vallen - hetgeen het Openbaar Ministerie gemotiveerd heeft betoogd en de raadsman van de verdachte gemotiveerd heeft bestreden - dan nog kan zodanige omstandigheid er niet aan afdoen dat het de verdachte onder de gegeven omstandigheden krachtens artikel 10 EVRM vrij stond die uitlatingen te doen.”

4.4. Het middel voert aan dat het Hof, door aldus te oordelen, het door de Hoge Raad ontwikkelde beslissingsschema heeft miskend. Die klacht is gegrond. Het bedoelde beslissingsschema is ontwikkeld met het oog op art. 137c Sr, maar er is geen reden om dat schema niet van toepassing te achten als het om art. 137d Sr gaat. Volgens dat beslissingsschema kunnen uitlatingen die op zichzelf beledigend (of discriminerend) zijn, dat beledigende (of discriminerende) karakter verliezen als zij zijn gedaan in het kader van het publieke debat over zaken van algemeen belang.1 Dit vanuit de gedachte dat de “context” medebepalend is voor de betekenis die aan een uitlating moet worden toegekend. Deze constructie maakt dat een uitspraak die onder de bescherming van art. 10 EVRM valt, niet als beledigend (of discriminerend) kan worden aangemerkt en dus niet aan de delictsomschrijving beantwoordt. De opvatting van het Hof dat niet van belang is of aan de delictsomschrijving is voldaan indien moet worden aangenomen dat de desbetreffende uitlating door art. 10 EVRM wordt beschermd, is dus onjuist.

4.5. Tot cassatie zou dat niet hoeven te leiden indien de uitleg die het Hof heeft gegeven aan art. 10 EVRM voor juist moet worden gehouden. Dan immers moet – volgens het beslissingsschema van de Hoge Raad – aangenomen worden dat niet aan de delictsomschrijving is voldaan en dat de gegeven vrijspraak in zoverre dus niet onjuist is. Het middel vecht dan ook terecht ook de aan art. 10 EVRM gegeven uitleg aan.

4.6. De opvatting van het Hof komt erop neer dat het een politicus in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang op grond van art. 10 EVRM vrijstaat om te beledigen en aan te zetten tot discriminatie als bedoeld in de artt. 137c en 137d Sr. Mij lijkt dat een ernstige misvatting, waarvoor geen steun te vinden is in de jurisprudentie van het EHRM.

4.7. Het Hof meent als ik het goed begrijp dat van de “zeer ruime uitingsvrijheid” die aan politici in het publieke debat toekomt, uitsluitend uitingen die aanzetten tot haat en geweld zijn uitgezonderd. Bijgevolg zouden uitlatingen die ‘slechts’ beledigend zijn of aanzetten tot discriminatie wél onder de ruime uitingsvrijheid vallen. Het Hof noemt daarbij twee uitspraken van het EHRM waaruit dat zou moeten blijken. De eerste is EHRM 20 april 2010, nr. 18788/09 (Jean Marie Le Pen tegen Frankrijk). Le Pen was door de Franse strafrechter veroordeeld wegens het uitlokken van discriminatie, haat en geweld tegen moslims en klaagde daarover in Straatsburg. Die klacht werd wegens kennelijke ongegrondheid niet-ontvankelijk verklaard. Dit na een beoordeling door het EHRM van de desbetreffende uitlatingen die uitliep op de volgende overweging:

“La Cour estime que, de cette manière, le requérant opposait, d'une part, les Français et, d'autre part, une communauté, dont l'appartenance religieuse est expressément mentionnée et dont la forte croissance constituerait une menace, déjà présente, pour la dignité et la sécurité des Français. La Cour estime également que les propos du requérant étaient susceptibles de susciter un sentiment de rejet et d'hostilité envers la communauté visée, compte tenu du sens et la portée qu'il donnait tant à son message qu'à la notion de « gens » qu'il a employée.”

Ik neem aan dat het Hof deze overweging op het oog heeft gehad. Het gaat hier echter om een casus-gebonden oordeel en bepaald niet om een limitatieve opsomming van uitlatingen die buiten het bereik van art. 10 EVRM vallen. Over de vraag hoe andere gevallen beoordeeld moeten worden, zegt deze beslissing dan ook niets. Daarbij merk ik nog op dat onder “susciter un sentiment de rejet” heel wel het aanzetten tot discriminatie begrepen kan worden. De tweede uitspraak die het Hof noemt, is EHRM 15 maart 2011, nr. 2034/07 (Mondragon tegen Spanje). Mondragon, een Bask, was wegens belediging veroordeeld omdat hij de Spaanse Koning in verband had gebracht met de martelingen die zouden plaatsvinden. Het EHRM oordeelde art. 10 EVRM geschonden, waarbij het onder meer overwoog:

“The Court observes that, while some of the remarks made in the applicant's speech portrayed the institution embodied by the King in a very negative light, with a hostile connotation, they did not advocate the use of violence, nor did they amount to hate speech, which in the Court's view is the essential element to be taken into account (see, conversely, Sürek v. Turkey (no. 1) [GC], no. 26682/95, § 62, ECHR 1999‑IV). It also notes that neither the domestic courts nor the Government sought to justify the applicant's conviction by reference to incitement to violence or hate speech.

The Court further takes account of the fact that the remarks were made orally during a press conference, so that the applicant had no possibility of reformulating, refining or retracting them before they were made public (see Fuentes Bobo v. Spain, no. 39293/98, § 46, 29 February 2000, and Birol v. Turkey, no. 44104/98, § 30, 1 March 2005).”

Deze overweging lijkt wel enige steun te bieden aan ’s Hofs opvatting. Erg sterk is die steun echter niet. In de eerste plaats omdat het EHRM slechts aanduidt wat in het voorliggende geval – waarin het ging om belediging van de Koning – het essentiële element is, zodat men voorzichtig moet zijn met het trekken van algemene conclusies. In de tweede plaats mogen de onderscheidingen die in de art. 137c en 137d Sr worden gemaakt tussen beledigen, aanzetten tot discriminatie en aanzetten tot haat niet zo maar geprojecteerd worden op de overweging van het EHRM. Het is nog maar de vraag of het EHRM onder “hate speech” niet ook beledigen en aanzetten tot discriminatie begrijpt.

4.8. Bij het voorgaande komt dat de bloemlezing van overwegingen van het EHRM die het Hof presenteert, aan een zekere eenzijdigheid lijdt. Dat komt wellicht doordat – met uitzondering van de zaak Le Pen – geen van de arresten die het Hof noemt betrekking heeft op beledigende, discriminerende of haat zaaiende uitspraken ten aanzien van kwetsbare minderheden. Dat geeft een vertekend beeld. Wat niet uit het oog mag worden verloren, is dat, zoals ook uit de door het Hof geciteerde overwegingen blijkt, de grote uitingsvrijheid die aan politici wordt toegekend, door het EHRM wordt gemotiveerd met het nauwe verband dat het EHRM legt tussen de vrijheid van meningsuiting en een democratische samenleving. In een dergelijke samenleving moet onder meer ruimte zijn voor (scherpe) kritiek op de autoriteiten. Dat brengt mee dat die autoriteiten dergelijke kritiek dienen te verdragen en zeker niet in de kiem mogen smoren met strafrechtelijke procedures wegens belediging. Het behoeft zo gezien niet te verbazen dat, als een parlementslid die tot de oppositie behoort, wordt vervolgd voor zijn kritische uitlatingen, het EHRM zich geroepen voelt tot “the closest scrutiny” denkbaar. Het voortbestaan van de democratie is daarbij immers direct in het geding.

4.9. Anders ligt het als het gaat om denigrerende uitlatingen met betrekking tot minderheidsgroepen.2 Daarvoor dient in een democratie juist heel weinig ruimte te zijn. Dergelijke uitlatingen dreigen namelijk de democratie en de daaraan inherente mensenrechten – waarvan het funderend principe de menselijke waardigheid is die aan ieder individu wordt toegedacht – te ondermijnen. Dit wordt door het EHRM in de – in de toelichting op het middel uitvoerig geciteerde – zaak Féret tegen België (EHRM 16 juli 2009, nr. 15615/07), waarin het ging om pamfletten van het Front National, als volgt onder woorden gebracht:

“64. La tolérance et le respect de l'égale dignité de tous les êtres humains constituent le fondement d'une société démocratique et pluraliste. Il en résulte qu'en principe on peut juger nécessaire, dans les sociétés démocratiques, de sanctionner, voire de prévenir, toutes les formes d'expression qui propagent, encouragent, promeuvent ou justifient la haine fondée sur l'intolérance (y compris l'intolérance religieuse), si l'on veille à ce que les « formalités », « conditions », « restrictions » ou « sanctions » imposées soient proportionnées au but légitime poursuivi (en ce qui concerne le discours de haine et l'apologie de la violence, voir, mutatis mutandis, Sürek c. Turquie (no 1) [GC], no 26682/95, § 62, CEDH 1999‑IV, et, notamment, Gündüz c. Turquie, no 35071/97, § 40, CEDH 2003‑XI).”

De paragrafen 72 en 73 uit hetzelfde arrest sluiten daarop direct aan:

“72. La Cour rappelle qu'il importe au plus haut point de lutter contre la discrimination raciale sous toutes ses formes et manifestations (Jersild c. Danemark, 23 septembre 1994, § 30, série A no 298) et renvoie au texte des différentes résolutions du Comité des Ministres du Conseil de l'Europe relatives à l'action de l'ECRI, ainsi qu'aux travaux et aux rapports de celle-ci, qui démontrent la nécessité de mener à l'échelle européenne en général, et à celle de la Belgique en particulier, une action ferme et soutenue pour lutter contre les phénomènes de racisme, de xénophobie, d'antisémitisme et d'intolérance.

73.

La Cour estime que l'incitation à la haine ne requiert pas nécessairement l'appel à tel ou tel acte de violence ou à un autre acte délictueux. Les atteintes aux personnes commises en injuriant, en ridiculisant ou en diffamant certaines parties de la population et des groupes spécifiques de celle-ci ou l'incitation à la discrimination, comme cela a été le cas en l'espèce, suffisent pour que les autorités privilégient la lutte contre le discours raciste face à une liberté d'expression irresponsable et portant atteinte à la dignité, voire à la sécurité de ces parties ou de ces groupes de la population. Les discours politiques qui incitent à la haine fondée sur les préjugés religieux, ethniques ou culturels représentent un danger pour la paix sociale et la stabilité politique dans les Etats démocratiques.”

4.10.

De laatst geciteerde paragraaf (73) wordt in de eveneens door de steller van het middel aangehaalde zaak Vejdeland e.a. tegen Zweden (EHRM 9 februari 2012, nr. 1813/07) – die betrekking heeft op folders met discriminerende uitlatingen over homoseksuelen die door vier jongemannen op een school waren verspreid – herhaald en aangevuld:

“55. Moreover, the Court reiterates that inciting to hatred does not necessarily entail a call for an act of violence, or other criminal acts. Attacks on persons committed by insulting, holding up to ridicule or slandering specific groups of the population can be sufficient for the authorities to favour combating racist speech in the face of freedom of expression exercised in an irresponsible manner (see Féret v. Belgium, no. 15615/07, § 73, 16 July 2009). In this regard, the Court stresses that discrimination based on sexual orientation is as serious as discrimination based on “race, origin or colour” (see, inter alia, Smith and Grady v. the United Kingdom, nos. 33985/96 and 33986/96, § 97, ECHR 1999 VI).”

Wat in het oog springt dat het EHRM de grenzen van wat in de zaak Mondragon met de term “hate speech” wordt aangeduid ruim trekt, in elk geval als het om minderheden gaat. Aanvallen die bestaan uit beledigen, ridiculiseren of lasteren kunnen voldoende reden opleveren voor bestrijding door de autoriteiten. Van belang is voorts dat het EHRM aan seksuele discriminatie even zwaar tilt als aan rassendiscriminatie. Dat laatste is van belang omdat in geval van rassendiscriminatie gesproken zou kunnen worden van een conflict van verdragsverplichtingen. Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie verplicht immers rassendiscriminatie uit te bannen onder meer door de strafbaarstelling van het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat en van het aanzetten tot rassendiscriminatie. In de zaak Jersild tegen Denemarken (EHRM 23 september 1994, nr. 15890/89) overwoog het EHRM dat zijn interpretatie van art. 10 EVRM “is compatible with Denmark’s obligations under the UN Convention” (§ 30). Die uitleg van art. 10 EVRM, die alle ruimte laat voor de uitbanning van rassendiscriminatie, is dus ook van toepassing op de bestrijding van seksuele discriminatie.

4.11.

Dat het EHRM op dit punt een uitzonderingspositie zou toekennen aan politici in die zin dat zij onder het mom van het leveren van een bijdrage aan het publieke debat ongestraft minderheden mogen beledigen wegens hun ras of seksuele geaardheid dan wel tot discriminatie van deze minderheden mogen aanzetten, is gelet op het voorgaande niet goed voorstelbaar. Politici zouden veeleer voorop moeten gaan in de bestrijding van deze vormen van discriminatie. Inderdaad kent het EHRM hier aan een politicus juist een bijzondere verantwoordelijkheid toe, niet alleen als hij aan de macht is, maar ook als hij aan de macht wil komen. Dat blijkt uit de volgende overwegingen uit de zaak Féret tegen België, waarop in het middel terecht een beroep wordt gedaan:

“75. La qualité de parlementaire du requérant ne saurait être considérée comme une circonstance atténuant sa responsabilité. A cet égard, la Cour rappelle qu'il est d'une importance cruciale que les hommes politiques, dans leurs discours publics, évitent de diffuser des propos susceptibles de nourrir l'intolérance (Erbakan c. Turquie, no 59405/00, 6 juillet 2006, § 64). Elle estime que les politiciens devraient être particulièrement attentifs à la défense de la démocratie et de ses principes, car leur objectif ultime est la prise même du pouvoir. En l'espèce, sur proposition circonstanciée du procureur général près la cour d'appel de Bruxelles, la Chambre des représentants a estimé que les propos incriminés justifiaient la levée de l'immunité parlementaire du requérant. La Cour estime que l'incitation à l'exclusion des étrangers constitue une atteinte fondamentale aux droits des personnes et devrait par conséquent justifier des précautions particulières de tous, y compris des hommes politiques.

76.

La Cour attache une importance particulière au support utilisé et au contexte dans lequel les propos incriminés ont été diffusés en l'espèce, et par conséquent à leur impact potentiel sur l'ordre public et la cohésion du groupe social. Or il s'agissait de tracts d'un parti politique distribués dans le contexte d'une campagne électorale, forme d'expression visant à atteindre l'électorat au sens large, donc l'ensemble de la population. Si, dans un contexte électoral, les partis politiques doivent bénéficier d'une large liberté d'expression afin de tenter de convaincre leurs électeurs, en cas de discours raciste ou xénophobe, un tel contexte contribue à attiser la haine et l'intolérance car, par la force des choses, les positions des candidats à l'élection tendent à devenir plus figées et les slogans ou formules stéréotypées en viennent à prendre le dessus sur les arguments raisonnables. L'impact d'un discours raciste et xénophobe devient alors plus grand et plus dommageable.

77.

La Cour reconnaît que le discours politique exige un degré élevé de protection, ce qui est reconnu dans le droit interne de plusieurs Etats, dont la Belgique, par le jeu de l'immunité parlementaire et de l'interdiction des poursuites pour des opinions exprimées dans l'enceinte du Parlement. La Cour ne conteste pas que les partis politiques ont le droit de défendre leurs opinions en public, même si certaines d'entre elles heurtent, choquent ou inquiètent une partie de la population. Ils peuvent donc prôner des solutions aux problèmes liés à l'immigration. Toutefois, ils doivent éviter de le faire en préconisant la discrimination raciale et en recourant à des propos ou des attitudes vexatoires ou humiliantes, car un tel comportement risque de susciter parmi le public des réactions incompatibles avec un climat social serein et de saper la confiance dans les institutions démocratiques.”

Dat Féret lid was van het parlement onthief hem niet van zijn aansprakelijkheid. En dat de pamfletten in het kader van de verkiezingsstrijd werden uitgedeeld, maakte het alleen maar erger.3

4.12.

Het middel is terecht voorgesteld.

5.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Terzijde merk ik op dat ik mij afvraag of het beslissingsschema, zoals veelal wordt aangenomen, uit een drietrapsraket bestaat. De derde trap, die zou meebrengen dat onderzocht moet worden of de uitlating een onnodig grievend karakter heeft, past slecht in de jurisprudentie van het EHRM, volgens welke overdrijving en provocatie niet hoeft te worden geschuwd. De vraag of zulke stijlfiguren “nodig” zijn, wordt niet gesteld. Ik acht het dan ook aannemelijk dat de vraag of de uitlating onnodig grievend is, in de jurisprudentie van de Hoge Raad hooguit een factor is bij de vraag of de uitlating onder de bescherming van art. 10 EVRM valt. Ik wijs op HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4778, waarin de Hoge Raad overwoog dat in het oordeel van het Hof dat sprake was van beledigende uitlatingen besloten lag dat de gewraakte passages onnodig grievend waren en dat de verdachte aldus de grenzen van de door art. 10 EVRM bewaakte vrijheid van meningsuiting heeft overschreden. De tweede en derde trap worden hier eenvoudig in elkaar geschoven. Zie ook HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, waarin beide ‘trappen’ eveneens in elkaar worden geschoven, waardoor de klacht dat onbegrijpelijk was het oordeel van het Hof dat de uitlatingen niet nodeloos grievend waren, in de lucht kwam te hangen.

2 Anders lag het ook in EHRM 26 juni 2012, nr. 12484/05 (Ciesielzyk tegen Polen). Een lokale politicus had een journalist afgeschilderd als een “information manipulator”, hem beticht van collaboratie met andere politieke partijen en hem een gebrek aan objectiviteit verweten. De veroordeling wegens belediging was volgens het EHRM niet in strijd met art. 10 EVRM. Mogelijk speelde een rol dat deze uitspraken niet lijken te zijn aangemerkt als gedaan in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang.

3 Het EHRM lijkt geen onderscheid te maken tussen landelijke en lokale politici. In de zaak Lewandowstra-Malec tegen Polen (EHRM 18 september 2012, nr. 39660/07) werd een lokale politicus vervolgd wegens de kritiek die zij had geleverd op de burgemeester. Het EHRM oordeelde dat “the closest scrutiny” geboden was. Er is geen reden om te veronderstellen dat lokale politici meer vrijheid zouden hebben om te beledigen en te discrimineren dan een landelijke politicus.