Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1475

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13/02180
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3043
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beroep op ne bis in idem, art. 68 Sr. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:1985:AB9796 en verwerpt het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02180

Zitting: 3 juni 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 april 2013 verdachte wegens 1 “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 2 primair “poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 3 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 4 “ wederspannigheid”, en 5 “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden (feit 1, 2, 3, 4), hechtenis voor de duur van 1 maand en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar (feit 5). Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en de verdachte met betrekking tot deze toegewezen vorderingen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten aanzien van het vijfde tenlastegelegde feit ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard nu de verdachte voor dit feit reeds veroordeeld was.

4.2. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de Kantonrechter te Utrecht op 8 augustus 2012 de verdachte bij verstek veroordeeld heeft voor dezelfde op 2 september 2011 begane overtreding. Dit mondelinge vonnis, waarvan de aantekening als bijlage aan de schriftuur is gehecht, zou inmiddels onherroepelijk zijn geworden. Naast de aantekening mondeling vonnis is aan de schriftuur gehecht een kopie van de dagvaarding in de desbetreffende zaak en een kopie van -ik citeer de raadsman - “het desbetreffende dossier in die zaak”. In de schriftuur wordt aangevoerd dat het feit dat het proces-verbaal opgemaakt door [verbalisant 1] deel uitmaakt van dat dossier, terwijl dit proces-verbaal in onderhavige zaak als eerste bewijsmiddel is gebezigd, bevestigt dat het in onderhavige zaak om dezelfde strafrechtelijke gedraging gaat.

4.3. De tenlastelegging houdt ten aanzien van feit 5 het volgende in:

“5: hij, op of omstreeks 02 september 2011, te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zwanenvechtlaan en/of de kruising Zwanenvechtlaan met de Burgemeester Van Tuyllkade en/of de De Lessepsstraat en/of de kruising De Lessepsstraat met de Amsterdamsestraatweg, en daarbij
- met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, althans met een, gezien de situatie en/of omstandigheden ter plaatse, te hoge snelheid heeft gereden en/of (vervolgens)
- (met hoge snelheid) over de stoep heeft gereden en/of
- niet, althans onvoldoende, op de eigen weghelft heeft gereden, in elk geval niet zoveel mogelijk de rechterzijde van de weg heeft gevolgd en/of
- door rood licht is gereden, door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans konworden gehinderd.”

4.4. Daarvan heeft het Hof het volgende bewezenverklaard:

“5: hij, op 02 september 2011, te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zwanenvechtlaan en de kruising Zwanenvechtlaan met de Burgemeester Van Tuyllkade en de De Lessepsstraat en de kruising De Lessepsstraat met de Amsterdamsestraatweg, en daarbij
- met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, heeft gereden en vervolgens
- met hoge snelheid over de stoep heeft gereden en
- niet, op de eigen weghelft heeft gereden, en
- door rood licht is gereden,
door welke gedragingen gevaar op die weg werd veroorzaakten het verkeer op die weg werd gehinderd”

4.5. Door mijn medewerker is het strafdossier waar de raadsman op doelt en het vonnis van de Kantonrechter te Utrecht van 8 augustus 2012 bij de Rechtbank Midden-Nederland opgevraagd. Aan de authenticiteit van deze door de Rechtbank ingezonden stukken kan in redelijkheid niet worden getwijfeld, zodat de Hoge Raad daarop in cassatie acht kan slaan.1 Uit dit dossier blijkt dat de dagvaarding waarop het bedoelde vonnis betrekking heeft, onder meer het volgende inhoudt:

“Tenlastelegging
hij, op of omstreeks 2 september 2011 te Utrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zwanenvechtlaan, alwaar zich één of meerdere personen op straat bevond en hij met een snelheid, van ongeveer 100 km/uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 km/uur heeft gereden en vervolgens (rakelings) langs het aldaar aanwezige publiek heeft gereden, tengevolge waarvan een vrouw met een kinderwagen liep aan de kant moest om een aanrijding met die auto te voorkomen
en/of vervolgens over de stoep is gereden met verhoogde snelheid
tengevolge waarvan één of meerdere voetgangers aan de kant moesten om een aanrijding met die auto te voorkomen
en/of vervolgens op de Lessepstraat ter hoogte van een middengeleider het bord D2 negeerde en op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden, terwijl daar en toen tegemoetkomend verkeer was, als gevolg waarvan één of meerdere personenauto’s krachtig moesten remmen om een aanrijding te voorkomen, door welke gedraging (en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden verhinderd; en of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd”

Deze dagvaarding is op 21 mei 2012 uitgereikt aan de griffier.

4.6. Voorts blijkt dat de toegezonden aantekening mondeling vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 met parketnummer 96-204970-11, een veroordeling inhoudt van [verdachte] voor een overtreding van het bepaalde in art. 5 Wegenverkeerswet 1994 gepleegd op 2 september 2011 tot een geldboete van € 550,- en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaar. Dit vonnis, zo blijkt eveneens uit de informatie van de Rechtbank Midden-Nederland, is op 6 februari 2014 onherroepelijk geworden.2

4.7. De door de Rechtbank Midden-Nederland toegezonden kopie van het strafdossier houdt onder meer een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] in, welke proces-verbaal eveneens is opgenomen in het procesdossier van onderhavige zaak. Een deel van dit proces-verbaal is in onderhavige zaak door het Hof als bewijsmiddel gebezigd. Dit bewijsmiddel houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

“het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, gesloten en ondertekend op 2 september 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- de verklaring van verbalisant, (p. 24-29):
Op 2 september 2011, reed ik, verbalisant [verbalisant 1], samen met verbalisant [verbalisant 2], in een opvallend dienstvoertuig. Ik, verbalisant [verbalisant 1] was bestuurder van het politievoertuig. Alle genoemde straatnamen bevinden zich in de gemeente Utrecht. Op dezelfde dag, datum en tijd bevonden wij ons op de Zwanenvechtlaan. Wij zagen dat er voor ons een personenauto, merk Audi, type A4, zwart van kleur en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] reed. Wij zagen dat de personenauto een barst in zijn voorruit had. Ik zag dat er in het voertuig twee personen zaten, zijnde een bestuurder en een passagier op de bijrijdersstoel. Ter naleving van de gestelde regelgeving van de Wegenverkeerswet 1994, gaf ik de bestuurder, middels de daktransparant een stopteken. Ik zag dat de Audi, rechtsaf de Rokadestraat in reed. Ik zag dat de Audi een stoep op reed en zijn snelheid minderde, kennelijk ten einde te voldoen aan mijn stopteken. Hierop bracht ik mijn dienstvoertuig gedeeltelijk tot stilstand achter de Audi. Ik zag dat de Audi vervolgens met hoge snelheid weg reed, in de richting van de Prinses Irenelaan. Ik zag dat de Audi vervolgens linksaf ging, de Zwanenvechtlaan op. Ik zag op mijn snelheidsmeter van het dienstvoertuig, dat de snelheid hierbij op liep tot boven de 100 kilometer per uur. Dit terwijl er een maximale snelheid van 50 kilometer per uur van kracht is. Gelijk hierop hebben wij contact gezocht met het personeel van de regionale meldkamer van de politie te Utrecht en vertelden onze bevindingen. Ik hoorde dat er vervolgens meerdere politie eenheden zich in onze richting begaven. Gelijk hierna heb ik de optische en geluidssignalen van het dienstvoertuig in werking gesteld. Ik zag dat er op dat moment veel omstanders op straat waren. Zo zag ik dat er een moeder liep met een kinderwagen, die hard moest weg lopen voor de Audi ten einde een aanrijding te voorkomen. Ook zag ik verschillende fietsers die moesten uitwijken voor de Audi. Ik zag dat de Audi zijn weg vervolgde in de richting van de De Lessepstraat. Ik zag dat de Audi, ter hoogte van de kruising Zwanenvechtlaan met de Burgemeester van Tuyllkade over de stoep reed, met hoge snelheid. Ik zag dat verschillende voetgangers hierbij werden gehinderd en ten einde een aanrijding te voorkomen aan de kant moesten springen Ik zag dat de Audi vervolgens de De Lessepsstraat in reed. Ik zag dat dit met hoge snelheid gebeurde. Ik zag dat de Audi, ter hoogte van een middengeleider, het bord D2 negeerde en op de weghelft ging rijden bestemd voor het tegemoet komende verkeer. Ik zag dat verschillende personenauto's krachtig moesten remmen ten einde een frontale aanrijding te voorkomen. Ik zag dat de Audi vervolgens ter hoogte van de kruising met de De Lessepstraat en de Amsterdamsestraatweg het rode verkeerslicht negeerde en rechtsaf de Amsterdamsestraatweg in reed. Ik zag dat dit eveneens met hoge snelheid gebeurde. Ik zag dat de Audi op de Amsterdamsestraatweg linksaf de Martin Ovenweg op reed. Ik zag vervolgens dat hij linksaf de Bramerijweg op reed. Ik zag dat de Audi linksaf de Demkaweg op reed en met de bocht mee naar rechts reed. Ik zag dat de Audi vervolgens de Martin Ovenweg weer op reed in de richting van de Amsterdamsestraatweg. Aldaar ben ik de Audi uit het zicht verloren. (…)”

4.8. Gezien het bovenstaande heeft het er alle schijn van dat de vervolging die uitmondde in het inmiddels onherroepelijke vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 inderdaad betrekking had op hetzelfde feit als in de onderhavige zaak onder 5 is tenlastegelegd en bewezenverklaard. De vraag is waartoe dit dient te leiden.

4.9. Art. 68 Sr bepaalt dat niemand andermaal vervolgd kan worden voor een feit waarover reeds te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter is beslist. Daarnaast geldt de jurisprudentiële regel dat een zogenaamde inhaaldagvaarding niet is toegestaan. De Hoge Raad is van oordeel dat ingevolge het systeem van de in het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreffende de procesgang in beginsel geldt de - in dat systeem besloten liggende - regel dat, vóórdat op de grondslag van een inleidende dagvaarding onherroepelijk is beslist, de officier van justitie zich behoort te onthouden van het doen uitgaan van een tweede dagvaarding ter zake van hetzelfde feit. Ingevolge het eerste lid van art. 258 Sv neemt het rechtsgeding immers een aanvang zodra de officier van justitie de inleidende dagvaarding doet uitgaan en het zou niet stroken met dit systeem indien de verdachte ter zake van hetzelfde feit andermaal zou worden vervolgd zolang op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist. Deze regel lijdt uitzondering indien de dagvaarding nietig is verklaard op de grond dat deze niet rechtsgeldig is betekend (zie o.m. HR 7 mei 1985, ECLI:NL:HR:AB9796, NJ 1985, 842).

4.10. Door de verdediging is in feitelijke aanleg geen beroep gedaan op de dubbele vervolging. Dat kan de verdachte niet tegengeworpen worden aangezien de inleidende dagvaarding in de andere zaak niet in persoon is betekend en de verdachte eerst na de bestreden uitspraak met het eerdere – nog niet onherroepelijk – vonnis van de Kantonrechter bekend is geworden. Ik merk daarbij op dat in het ter zitting van het Hof voorgehouden Uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte d.d. 13 maart 2013 het bedoelde vonnis niet is vermeld.

4.11. De dagvaarding in onderhavige zaak is uitgegaan op 13 mei 2011 (en in persoon betekend op 14 oktober 2011). De dagvaarding in de zaak die uitliep op het inmiddels onherroepelijk vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 is later, op 25 april 2012, uitgegaan en vervolgens op 21 mei 2012 aan de griffier uitgereikt. Dat betekent dat die laatste dagvaarding een zogenaamde inhaaldagvaarding betrof. Als de Kantonrechter daarmee bekend was geweest, had hij de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten verklaren in de vervolging. Dat had hij moeten doen zonder de uitkomst van de onderhavige strafzaak af te wachten. Het enkele feit dat sprake is van een ontoelaatbare inhaaldagvaarding levert grond op voor niet-ontvankelijkheid.

4.12. Op het moment waarop het Hof in de onderhavige zaak arrest wees (11 april 2013) was nog geen sprake van een onherroepelijke veroordeling voor hetzelfde feit. Het naar aanleiding van de inhaaldagvaarding gewezen vonnis is immers pas nadien in kracht van gewijsde gegaan. Daarom kan niet – ook niet achteraf – gezegd worden dat het Hof art. 68 Sr heeft geschonden.

4.13. Bij deze stand van zaken zou verdedigd kunnen worden dat de oplossing voor de dubbele veroordeling niet gezocht moet worden in de onderhavige zaak, maar in de zaak die door middel van een inhaaldagvaarding is aangebracht. In die zaak was de Kantonrechter er naar mag worden aangenomen niet mee bekend dat sprake was van een inhaaldagvaarding, zodat dit gegeven een novum oplevert en daarmee een grond voor herziening.

4.14. De vraag is echter of HR 14 februari 1995, ECLI: NL:HR:1995:ZC9966, NJ 1995, 406 niet in andere richting wijst. Deze zaak vertoont grote overeenkomsten met de onderhavige zaak.3 Er was sprake van een inhaaldagvaarding die – naar eerst in cassatie bleek – tot een onherroepelijke veroordeling had geleid voor dezelfde feiten als waarvoor de verdachte in de bestreden uitspraak was veroordeeld. Een verschil was dat het vonnis dat naar aanleiding van de inhaaldagvaarding was gewezen, al onherroepelijk was op het moment waarop de Rechtbank oordeelde. 4 Desalniettemin geldt ook hier dat de verdediging moeilijk kan worden tegengeworpen dat zij op die onherroepelijke veroordeling geen beroep had gedaan. De verdachte had er namelijk al op de eerste zitting van de Rechtbank op gewezen dat hij een tweede dagvaarding had ontvangen om voor dezelfde feiten voor de Kantonrechter te verschijnen. Die zitting zou over ongeveer drie weken plaatsvinden. De officier van justitie zegde toe dat hij de inhaaldagvaarding zou intrekken, met het oog waarop de behandeling van de zaak werd aangehouden. Op de twee maanden later gevolgde nadere zitting deelde de officier van justitie mee dat de dagvaarding inderdaad was ingetrokken, waarna de verdachte werd veroordeeld. Achteraf bleek dat de officier van justitie zijn toezegging niet was nagekomen en dat de verdachte door de Kantonrechter bij verstek was veroordeeld. Die veroordeling was in kracht van gewijsde gegaan omdat de verdachte – die met de zitting bekend was geweest, maar erop vertrouwd had dat die geen doorgang zou vinden – niet binnen veertien dagen in hoger beroep was gegaan.

4.15. De Hoge Raad oordeelde dat, nu het vonnis van de Kantonrechter onherroepelijk was geworden, de officier van justitie in de onderhavige zaak “alsnog” niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in zijn vervolging. Dit bracht, zo overwoog hij, “het aan art. 68 Sr ten grondslag liggende beginsel” mee. Hij voegde daaraan toe dat, “in aanmerking genomen de hiervoor weergegeven gang van zaken”, aan zijn oordeel niet af kon doen “dat de vervolging in de kantongerechtsprocedure eerst later is ingesteld”. De vraag is hoe een en ander moet worden begrepen. Dat de Hoge Raad zich niet beriep op art. 68 Sr zelf, maar op het achterliggende beginsel, vindt zijn verklaring kennelijk in een letterlijke lezing van het genoemde artikel. A-G Van Dorst had er in zijn conclusie op gewezen dat in de rechtbankprocedure geen sprake was van “andermaal” vervolgen voor feiten waarover reeds onherroepelijk uitspraak is gedaan. Moeilijker te begrijpen valt waarom de Hoge Raad het nodig vond om te overwegen dat, gelet op “de gang van zaken”, aan zijn oordeel niet afdeed dat de onherroepelijke veroordeling het gevolg was geweest van een inhaaldagvaarding. Art. 68 Sr maakt geen onderscheid tussen onherroepelijke beslissingen die terecht en onherroepelijke beslissingen die ten onrechte zijn gegeven. Dat de Kantonrechter achteraf gezien ten onrechte had veroordeeld (vanwege de inhaaldagvaarding had de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moeten worden), lijkt dus sowieso niet uit te maken. Maar misschien is dit anders als het om het aan art. 68 Sr ten grondslag liggende beginsel gaat. Mogelijk is de Hoge Raad van oordeel dat op dat beginsel alleen een beroep kan worden gedaan als de verdachte het niet aan zichzelf te wijten heeft dat hij twee keer voor hetzelfde feit is veroordeeld.

4.16. Wat er van dit laatste ook zij, van een relevant verschil met de onderhavige zaak lijkt op dit punt geen sprake te zijn. Ook in de onderhavige zaak zal hebben te gelden dat gezien de gang van zaken niet van belang is dat de vervolging die heeft geleid tot de onherroepelijke veroordeling gebaseerd was op een inhaaldagvaarding. Wat dan aan verschil overblijft, is dat het vonnis van de Kantonrechter in de onderhavige zaak nog niet onherroepelijk was toen de bestreden uitspraak werd gewezen. De vraag is of dat verschil doorslaggevend is. Opgemerkt kan worden dat de Hoge Raad in het zojuist besproken arrest voorbij gaat aan de vraag wat de Rechtbank achteraf gezien had moeten doen. Hij concentreert zich op wat er in cassatie moet gebeuren: de officier van justitie dient “alsnog” niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarbij past dat hij volstaat met de constatering dat het vonnis van de Kantonrechter onherroepelijk is geworden, dus zonder de vermelding dat dit vonnis al onherroepelijk was toen de Rechtbank oordeelde. Als het erom gaat wat in cassatie alsnog moet gebeuren, doet, zo lijkt de gedachte te zijn geweest, niet ter zake of het vonnis vóór dan wel na de bestreden uitspraak onherroepelijk is geworden. 5

4.17. De Hoge Raad liet zich in het besproken arrest niet weerhouden door het feit dat de onherroepelijk veroordeling in de kantongerechtsprocedure berustte op een gerechtelijke dwaling die grond lijkt op te leveren voor herziening. Dat sprake was van een inhaaldagvaarding vormt immers een gegeven waarmee de Kantonrechter niet bekend was en dat grond oplevert voor het ernstige vermoeden dat de Kantonrechter, ware hij daarmee wel bekend geweest, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had verklaard. Nu lijkt een dubbele niet-ontvankelijkverklaring (in zowel de tegen het rechtbankvonnis gerichte cassatieprocedure als in een latere tegen het kantongerechtsvonnis gerichte herzieningsprocedure), waardoor beide veroordelingen van tafel zijn, wat veel van het goede, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat vervolgens, verjaring daargelaten, opnieuw kan worden vervolgd. Hoe de Hoge Raad dat heeft gezien, is niet duidelijk. Mogelijk zag hij ruimte om een eventuele herzieningsaanvrage niet-ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan een rechtens te respecteren belang. 6 Maar hoe dat ook zij, wat destijds kennelijk geen bezwaar vormde, zal dat ook nu niet doen.

4.18. Naar onder punt 4.8 reeds werd opgemerkt heeft het er alle schijn van dat de vervolging die uitmondde in het inmiddels onherroepelijke vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012 inderdaad betrekking had op hetzelfde feit als in de onderhavige zaak onder 5 is tenlastegelegd en bewezenverklaard. Wat de juridische aard van de feiten betreft, is er geen enkel verschil. Tenlastegelegd is steeds overtreding van art. 5 WVW 1994. De vraag is daarom enkel of de tenlasteleggingen dezelfde gedraging beschrijven dan wel, als dat niet het geval is, of de verschillen van dien aard zijn dat niet van hetzelfde feit kan worden gesproken.7 De gedragingen die in de tenlasteleggingen worden omschreven, verschillen alleen in zoverre dat het door rood licht rijden niet in de tenlastelegging waarop het vonnis van de Kantonrechter betrekking heeft, is meegenomen. In de tenlastelegging in de onderhavige zaak is deze gedraging wel verwerkt. Nu het complex aan gedragingen in beide tenlasteleggingen wordt gepresenteerd als één enkele overtreding van art. 5 WVW 1994, kan denk ik toch gezegd worden dat die tenlasteleggingen dezelfde gedraging beschrijven. In elk geval maakt het gesignaleerde verschil niet dat niet van hetzelfde feit kan worden gesproken.

4.19. Het komt mij voor dat de Hoge Raad zelf kan vaststellen dat in dit geval sprake is van hetzelfde feit. Op basis daarvan kan hij, na vernietiging opnieuw rechtdoende, alsnog de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uitspreken ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit.

4.20. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit, in zoverre tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vervolging en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie in het bijzonder het nog nader te bespreken arrest van de Hoge Raad van 14 februari 1995, ECLI: NL:HR:1995:ZC9966, NJ 1995, 406, waarin zich een vergelijkbare situatie voordeed.

2 Uit de verkregen informatie blijkt dat op 24 april 2013 hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank is ingesteld en dat dit hoger beroep bij akte van 6 februari 2014 is ingetrokken.

3 In HR 26 november 1996, ECLI:NL:HR:ZD0583, NJ 1997, 209 lag het anders. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad over de zaak die met de inhaaldagvaarding was ingeleid. Hangende dit cassatieberoep werd de veroordeling die op basis van de eerste dagvaarding was uitgesproken onherroepelijk.

4 De bestreden uitspraak was in deze zaak door de Rechtbank gewezen. Voor zover het vonnis ter zake van overtredingen was gewezen, stond daar volgens het destijds geldende recht geen hoger beroep, maar cassatie open.

5 Een vergelijking kan worden gemaakt met zaken waarin de verdachte hangende de cassatieprocedure overlijdt (zie bijvoorbeeld HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4420.) of waarin het feit na de bestreden uitspraak verjaart (zie bijvoorbeeld HR 2 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010, BX5112).

6 Vergelijk HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ8552, waarin de inhaaldagvaarding niet hoefde te leiden tot niet-ontvankelijkheid omdat de verdachte daardoor niet was geschaad in het door de regel beschermde belang. Zie ook HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2007:BG6671.

7 In HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102 formuleert de Hoge Raad onder het kopje “De gedraging van de verdachte” de volgende aandachtspunten: “Indien de tenlasteleggingen (…) niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht”.