Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1472

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13/01771
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2916
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging Wilders, art. 285 Sr. Voor een bewezenverklaring van bedreiging is onder meer vereist dat het opzet van verdachte erop is gericht dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte met het plaatsen van haar bericht met betrekking tot het Tweede Kamerlid Wilders op de internetsite www.twitter.com “op zijn minst de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat Wilders dit bericht zou lezen”. Gelet op hetgeen door en namens verdachte ttz. in h.b. is aangevoerd – hetgeen erop neerkomt dat de verdachte Wilders niet wilde bedreigen en dat zij niet wist of beoogde dat Wilders het twitterbericht zou lezen – is het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachtes opzet erop was gericht dat Wilders op de hoogte zou geraken van de als bedreigend aangemerkte inhoud van de tweet, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De enkele plaatsing van het bericht op twitter biedt nog niet een toereikende motivering voor het oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij Wilders in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01771

Zitting: 3 juni 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 maart 2013 verdachte wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een geldboete van € 250,-.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat de bedreigende tekst van dien aard is en onder zulke omstandigheden is geuit dat bij de heer Wilders de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen (in de schriftuur aangeduid als A). Voorst klaagt het middel dat het Hof ten onrechte de zakelijke weergave van op de zitting van de Politierechter afgelegde verklaring van de verdachte als bewijsmiddel is gebruikt zonder daarbij het overigens door de verdachte ter zitting verklaarde mee te nemen (B). Ook klaagt het middel dat het Hof niet heeft aangegeven waarom juist de onderhavige tweet een ernstige bedreiging kon vormen voor Wilders (C). Tenslotte klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat bij de verdachte sprake was van opzet (D).

4.2. Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 09 februari 2011 tot en met 21 februari 2011 te Utrecht, G. Wilders (lid Tweede Kamer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een bericht op twitter geplaatst met daarin de tekst: "Als het zo doorgaat, ga ik die Wilders zelf vermoorden, het zou me een eer zijn hiervoor in de bak te gaan zitten echt waar!.”

4.3. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden het volgende in:

“1. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 26 november 2012 van de politierechter in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

In de periode van 9 februari 2011 tot en met 21 februari 2011 heb ik te Utrecht Geert Wilders, lid Tweede Kamer bedreigd door een bericht op twitter te plaatsen met daarin de tekst: Als het zo doorgaat, ga ik die Wilders zelf vermoorden, het zou me een eer zijn hiervoor in de bak te gaan zitten echt waar!

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 6-7 van het proces-verbaal genummerd PL9010 2011080990) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van G. Wilders:

Op 9 februari 2011 ben ik middels een tweet via de website www.twitter.com bedreigd. De tweet werd op 9 februari 2011 om 10.42 PM verstuurd. De inhoud van de tweet is: "Als het zo doorgaat, ga ik die Wilders zelf vermoorden, het zou me een eer zijn hiervoor in de bak te gaan zitten echt waar!" Ik voel me door de inhoud van bovenstaande tweet ernstig bedreigd. Verder maakt deze tweet deel uit van een grote reeks bedreigingen die ik ten aanzien van mijn persoon ontvang. Dit maakt de dreiging die van deze tweet uit gaat nog ernstiger voor mij.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uitdraai van www.twitter.com van [...], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (als bijlage op pagina 16 van het proces-verbaal genummerd PL9010 2011080990):

Als het zo doorgaat, ga ik die Wilders zelf vermoorden, het zou me een eer zijn hiervoor in de bak te gaan zitten echt waar.”

4.4. In zijn arrest heeft het Hof voorts nog het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het opzet bij verdachte ontbreekt. Verdachte is er namelijk niet vanuit gegaan dat:

- Wilders het twitterbericht zou lezen en

- dat bij Wilders de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zijn leven kon verliezen.

Het hof overweegt daarover het volgende. Verdachte heeft erkend een bericht met de tenlastegelegde inhoud dat betrekking had op Geert Wilders, op de internetsite www.twitter.com geplaatst te hebben. Daarmee heeft zij op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat Wilders dit bericht zou lezen. Het bericht heeft Wilders bovendien daadwerkelijk bereikt en wel op 17 februari 2011. Wilders deed hiervan een aantal dagen later, op 21 februari 2011, aangifte op welke dag verdachte het bericht overigens heeft verwijderd van de internetsite www.twitter.com en haar account heeft beëindigd. Met de politierechter is het hof van oordeel dat de bedreigende tekst van dien aard is en onder zulke omstandigheden is geuit dat bij Wilders de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Daarbij acht het hof tevens van belang de context en het huidige politieke klimaat, waaronder het algemeen bekende feit dat Wilders constant wordt beveiligd. Het hof verwerpt derhalve de verweren.”

4.5. Ik begin met de onder B geformuleerde klacht. Het eerste bewijsmiddel houdt als zakelijk weergegeven verklaring van de verdachte in dat zij, voor zover hier van belang, Geert Wilders heeft “bedreigd”. Anders dan wordt gesteld, heeft het Hof, gezien zijn nadere bewijsoverweging, deze verklaring niet verstaan – en gebruikt – als een volledige bekentenis van de tenlastegelegde bedreiging. Het Hof overweegt immers dat verdachte heeft erkend een bericht van de tenlastegelegde inhoud op twitter te hebben geplaatst. Verder gaat het gebruik dat het Hof van de bedoelde verklaring heeft gemaakt dus niet. De klacht faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.6. De klachten A en C lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat de inhoud van de onderhavige tweet zodanig is dat bij Wilders de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen, “de context en het politieke klimaat” betrokken, waaronder “het algemeen bekende feit dat Wilders constant wordt beveiligd”. Op het eerste gezicht is deze overweging weinig begrijpelijk. Doordat Wilders constant wordt beveiligd, heeft hij, zou men zeggen, weinig reden om bang te zijn. Het Hof bedoelde evenwel kennelijk tot uitdrukking te brengen dat het noodzakelijk is om Wilders constant te beveiligen onder meer vanwege de vele bedreigingen aan zijn adres. In dat licht moet ook het gebruik van de verklaring van Wilders begrepen worden voor zover die inhoudt dat hij zich door de tweet ernstig bedreigd voelde en dat de (door hem als bedreiging ervaren) tweet deel uitmaakte “van een grote reeks bedreigingen” en dat dit de dreiging die van de tweet uitging voor hem nog ernstiger maakte. Uit het gebruik van deze verklaring voor het bewijs kan niet afgeleid worden dat het Hof blind is gevaren op het subjectieve oordeel van Wilders dat in casu sprake was van een bedreiging die deel uitmaakte van een reeks. Het Hof heeft er immers blijk van gegeven te hebben onderzocht of de vrees waardoor Wilders naar eigen zeggen is bevangen, in redelijkheid door de tweet kon worden gewekt. De redengevende betekenis die het Hof aan de bedoelde verklaring van Wilders heeft gehecht, moet dan ook kennelijk gezocht worden in het feit dat Wilders een groot aantal bedreigingen ontvangt en dat dit feit medebepalend is voor het effect dat de onderhavige tweet op hem heeft. Kennelijk was het Hof van oordeel dat de vele bedreigingen elkaar kunnen versterken in die zin dat zij tezamen een klimaat kunnen scheppen waarin bepaalde mensen zich geroepen kunnen gaan voelen om de daad bij het woord te voegen. Omgekeerd geldt dan dat het vreesaanjagend effect van elke afzonderlijke bedreiging mede door deze context wordt bepaald.

4.7. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat iedere kritisch getoonzette uitlating die betrekking heeft op Wilders als een bedreiging aan diens adres moet worden opgevat. De door de verdachte gebezigde bewoordingen zijn echter zeer expliciet en leveren – letterlijk genomen – een regelrechte doodsbedreiging op. Nu is de vraag of deze bewoordingen letterlijk moeten worden genomen, of beter, of deze woorden in redelijkheid letterlijk genomen kunnen worden. Het antwoord op die vraag vraagt om een oordeel dat verweven is met waarderingen van feitelijke aard en dat daardoor in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Ik had mij, gelet op het feit dat de gewraakte uitlating niet tot Wilders was gericht1 en – zoals in feitelijke aanleg is aangevoerd – een reactie vormde op uitlatingen die Wilders als politicus had gedaan, een ander oordeel van het Hof kunnen voorstellen, in die zin dat de uitlating moet worden beschouwd als een bijdrage aan het publieke debat, waarbij de verdachte ervoor koos om op overdrachtelijke wijze – in bewoordingen die “offend, shock or disturb” – uitdrukking te geven aan de afkeuring die Wilders uitlatingen volgens haar verdienden.2 Gelet evenwel op het feit dat ook voor het publieke debat geldt dat de vrijheid van meningsuiting aan grenzen is gebonden en in aanmerking genomen dat de uitlating in haar letterlijke betekenis een expliciete bedreiging inhoudt en voorts hetgeen het Hof kennelijk heeft bedoeld met zijn referte aan het politieke klimaat en de constante beveiliging van Wilders, kan denk ik niet, of niet zonder meer, gezegd worden dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is.

4.8. Wel rijst de vraag of het Hof, mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd. Ik meen dat het antwoord op die vraag in het midden kan blijven gelet op de slotsom waartoe de bespreking van klacht D leidt. Ik merk slechts op dat de referte van het Hof aan het politieke klimaat de nodige inlegkunde vergt om begrepen te worden en dat het Hof niet uiteenzet op welke wijze de door het Hof genoemde “context” in zijn oordeelsvorming heeft meegewogen. 3 Dat de uitlating in een bepaalde context is gedaan is gezien de zinsnede “Als het zo doorgaat” onmiskenbaar, maar wat die context is, blijft in het duister.

4.9. De als vierde geformuleerde klacht D heeft als gezegd betrekking op het opzet van de verdachte. Het is voor een bewezenverklaring ten aanzien van bedreiging vereist dat de verdachte opzet had op het bedreigende karakter van de uitlating. Daarnaast is vereist dat het opzet van de verdachte erop was gericht dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de bedreiging.4

4.10. De raadsvrouwe van verdachte heeft gepleit overeenkomstig haar aan het Hof overlegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota en daarin onder meer aangevoerd dat de verdachte heeft getwitterd naar aanleiding van het standpunt van Wilders dat mensen die overlast veroorzaken, waaronder ouders die hun kinderen niet goed op konden voeden, in tuigdorpen in containers gestopt moeten worden. De verdachte had zich zeer aan dit bericht gestoord en plaatste daarom de gewraakte tweet. Die was figuurlijk bedoeld. Opzet op het aanjagen van vrees bij Wilders heeft de verdachte niet gehad. In dit verband wees de raadsvrouwe erop dat het bericht niet persoonlijk aan Wilders was gericht. Voorts voerde de raadsvrouwe aan dat de verdachte nooit de intentie had gehad en zelfs niet eens had verwacht dat Wilders het bericht zou lezen. Zij wees er daarbij op dat het gebeuren zich in februari 2011 had voorgedaan toen twitteren nog in opkomst was en veel minder bekend was over de impact van twitterberichten. Het bericht was gericht aan en bedoeld voor de volgers van verdachte. De verdachte was dan ook verbaasd door de heftige reacties van niet-volgers. Daarbij wees de raadsvrouwe erop dat de verdachte haar tweet heeft verwijderd en haar account heeft opgezegd zodat het bericht niet verder geretweet kon worden.

4.11. De verdachte verklaarde ter terechtzitting het volgende:

“Ik heb het Twitter bericht verwijderd en ik heb mijn hele account verwijderd. Dat was voordat iemand aangifte deed. Ik heb een brief gestuurd aan Wilders waarin ik mijn excuses heb aangeboden. Ik wilde hem niet zelf bedreigen, dan had ik dat wel persoonlijk gedaan. Ik heb dat bericht op Twitter gezet als reactie op een standpunt van Wilders. Ik vond dat over de grens. Ik heb mijn bericht verwijderd voordat Wilders aangifte deed. Als ik van tevoren had geweten welke gevolgen het had gehad, dan had ik dat bericht niet geplaatst. Het was niet de bedoeling om zoveel aandacht te trekken. Destijds waren veel minder mensen actief op Twitter. Ik weet niet precies hoeveel volgers ik had, misschien rond de 100.”

4.12. Het Hof heeft het gevoerde verweer verworpen met als enige argument dat verdachte het bewuste bericht op twitter heeft geplaatst. Een weerlegging van het aangevoerde levert dat niet op. Dit terwijl het bericht heel wel zo gelezen kan worden dat daarin door middel van een choquerende stijlfiguur lucht wordt gegeven aan verdachtes verontwaardiging over de uitlatingen van Wilders (hiervoor, punt 4.7) en het feit dat verdachte het bericht heeft verwijderd toen zij met de reacties daarop werd geconfronteerd, lijkt te ondersteunen dat zij niet beseft heeft – laat staan bewust aanvaard – dat Wilders het bericht onder ogen zou krijgen en daarvan bang zou worden. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.

4.13. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Daarin verschilt de onderhavige zaak van die in HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:BW6181.

2 Aantekening daarbij verdient dat het EHRM bij herhaling heeft gesteld dat de grenzen voor acceptabele kritiek ruimer zijn als het om een politicus gaat en dat derhalve geldt dat “a politician must in this regard display a greater degree of tolerance than a private individual, especially when he himself makes public statements that are susceptible to criticism”. Zie bijv, EHRM 17 april 2014, nr. 20981/10 (Mladina D.D. Ljubljana tegen Slovenië), § 40.

3 Dat de Hoge Raad op dit punt aan een expliciete motivering hecht, kan misschien afgeleid worden uit HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686, welk arrest eveneens betrekking had op de bedreiging van een politicus en waarin de Hoge Raad casseerde en overwoog: “Het Hof heeft immers niets naders vastgesteld omtrent de context waarin de bewezenverklaarde uitlatingen zijn gedaan, zoals de betekenis van de overige inhoud van de e-mail voor het bedreigende karakter van de bewezenverklaarde passage of het gewicht van de omstandigheid dat die uitlatingen zijn gericht tegen Hamer als landelijk bekend politicus, van wie met haar toestemming openbaar gemaakte zakelijke en persoonlijke gegevens eenvoudig te achterhalen kunnen zijn”.

4 HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252.