Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1464

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/02305
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2685, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 342.2 Sv. Slagende unus testis klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02305

Zitting: 3 juni 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 18 april 2013 verdachte ten aanzien van parketnummer 03-097365-10 wegens 1. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” en 2. “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en ten aanzien van parketnummer 03-107506-10 wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” en 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel keert zich tegen de motivering van het ten aanzien van parketnummer 03-097365-10 onder 2 bewezenverklaarde feit.

4.2.

Ten aanzien van parketnummer 03-097365-10 heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 8 september 2009, in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto heeft weggenomen een kentekenbewijs Deel I, een kentekenbewijs Deel II, een rijbewijs, een tas, een portemonnee, geld, bankpassen en een creditcard, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij hij zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.”

4.3.

Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Op 8 september 2009 wordt tussen 09.00 uur en 15.30 uur uit een personenauto een tas gestolen met daarin het kentekenbewijs Deel I en II, een rijbewijs en een portemonnee met daarin drie bankpasjes en ongeveer 15 euro contant geld. Bij nader onderzoek blijkt dat op dezelfde dag tussen 14.33 uur en 14.39 uur met de gestolen bankpassen bij verschillende in Sittard gelegen banken geld is gepind. Twee verbalisanten herkennen verdachte op de camerabeelden die gemaakt zijn bij de pinautomaten.

4.4.

Het Hof heeft ten aanzien van het onder parketnummer 03-097365-10 onder 1 (bedoeld zal zijn: onder 2) het volgende overwogen:

“Het gegeven dat de verdachte zeer korte tijd nadat de inbraak had plaatsgevonden in een auto, waarbij bankpassen werden gestolen, met deze bankpassen pintransacties heeft verricht, acht het hof, in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen beschouwd, redengevend voor het bewijs dat de verdachte degene is geweest die de inbraak heeft gepleegd.”

4.5.

Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat verdachte de inbraak in de auto heeft gepleegd.

4.6.

Voorop moet worden gesteld dat aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.1 Daarbij komt tevens betekenis toe aan de verklaring die de verdachte voor het voorhanden hebben van de gestolen goederen geeft.

4.7.

Het Hof heeft vastgesteld dat de bankpassen tussen 09.00 en 14.33 uur zijn gestolen en dat verdachte rond 14.30 uur een aantal keren met de gestolen bankpassen heeft gepind. Het Hof heeft uit de korte tijdspanne tussen de diefstal van de bankpassen en de pintransacties afgeleid dat verdachte de bankpassen heeft gestolen. In aanmerking genomen dat door de verdediging in het geheel geen verklaring is gegeven voor het feit dat verdachte de gestolen bankpassen onder zich had 2, hetgeen het Hof naar aangenomen mag worden bij de waardering van het bewijs heeft betrokken, is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Ter vergelijking wijs ik op het arrest HR 19 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK2880) waarin verdachte twee dagen na de diefstal met de gestolen motorfiets op de foto staat en het Hof de verklaring van verdachte daaromtrent niet aannemelijk achtte. En tevens HR 18 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:926) waarin de verdachte om 06.10 uur een motor voorhanden had die tussen 21.30 uur en 07.15 uur was gestolen en het Hof de verklaring van verdachte daaromtrent niet aannemelijk achtte. 3

4.8.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 (parketnummer 03-107506-10) slechts steunt op de verklaring van één getuige.

5.2.

Ten laste van verdachte heeft het Hof ten aanzien van parketnummer 03-107506-10 onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op 9 januari 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een gebouw, toebehorende aan Penitentiaire Inrichting “De Geerhorst”, heeft beschadigd.”

5.3.

Ingevolge art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring van feit 3 slechts steunt op de verklaring (aangifte) van [betrokkene] (bewijsmiddel 11), is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.4

5.4.

Het middel slaagt.

6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft het onder parketnummer 03-107506-10 onder 3 tenlastegelegde feit, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475 m. nt. Reijntjes.

2 De gevolmachtigde raadsman van verdachte stelde blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 4 april 2013 het volgende. “Mijn cliënt heeft gezegd dat hij het niet is geweest die destijds heeft gepind. Hij komt echter niet naar de zitting om dit nader toe te lichten. Dan houdt het voor mij op. (…) Ik zeg hierbij dat ieder verweer van de verdediging met betrekking tot de feiten 1 en 2 onder dit parketnummer is komen te vervallen. Ik heb voorts over deze feiten geen nadere op- of aanmerkingen.” Het lijkt er sterk op dat de raadsman er als vanzelfsprekend van uitging dat degene die had gepind, ook degene was die had gestolen.

3 Zie ook HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6625, waarin sprake was van een verdachte die een half uur na de diefstal met de gestolen mobiele telefoon belde.

4 De verklaring van de verbalisanten dat zij op 8 februari 2010 in “De Geerhorst” waren teneinde de verdachte te horen aangaande (onder meer) de op 9 januari 2010 gepleegde vernieling (bewijsmiddel 12), levert geen steunbewijs op aangezien zij slechts bevestigt dat aangifte is gedaan. Dat de verdachte een maand nadat het feit zou zijn gepleegd in “De Geerhorst” verbleef, zoals voorts uit bewijsmiddel 12 kan worden afgeleid, levert onvoldoende steunbewijs op.