Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1434

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13/02910
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2780, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering tul. Omzetting eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf ex art. 14g.2 Sr in een taakstraf? Art. 22b Sr. Bij wet van 17 november 2011 tot wijziging van het WSr i.v.m. het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1, inwtr. 3 januari 2012) is art. 22b Sr opnieuw ingevoegd. Die wet bevat in art. II een bepaling van overgangsrecht inhoudende dat de wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van die wet. In aanmerking genomen dat de feiten ter zake waarvan verdachte bij vonnis van de Rb is veroordeeld, zijn gepleegd voor 3 januari 2012, heeft het Hof ten onrechte de onmogelijkheid aangenomen tot de omzetting in een taakstraf op te leggen en kan de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand blijven v.zv. het de strafoplegging betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/02910

Zitting: 3 juni 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Den Haag wegens diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke gevangenisstraf van veertien dagen.

2. Namens verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te ‘s-Gravenhage, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Volgens het eerste middel heeft het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdachte dat zij de in de bewezenverklaring genoemde goederen heeft weggenomen terwijl haar door derden bedwelmende middelen waren toegediend op ontoereikende gronden weerlegd.

4. Het Hof heeft bedoeld standpunt van de verdachte als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde primair vrijspraak bepleit omdat het bestanddeel 'oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening' niet kan worden bewezen, omdat de verdachte die avond ongemerkt door derden met verdovende middelen was bedwelmd. Subsidiair heeft de raadsman om deze reden ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, een en ander als nader omschreven in de door hem overgelegde pleitaantekeningen.


Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Blijkens het proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige], nachtportier van het [A] Hotel te Delft, (nr. PL1581 2012091057-7, pagina 17) werd hij op 30 april 2012 omstreeks 02.40 uur gebeld door de vrouw die in kamer 412 verbleef - zijnde naar later bleek, de verdachte - die hem vroeg een taxi te bestellen. Dezelfde vrouw is omstreeks 02.45 uur door [betrokkene 1], hoofd van het schoonmaakpersoneel en beveiliging van voornoemd hotel (nr. PL1581 2012091057-1, pagina 3) aangesproken. Zij heeft toen vrijwillig uit het hotel weggenomen spullen uit haar tas gehaald. De voornoemde getuige [getuige] heeft ook beschreven dat de verdachte vrijwillig spullen van het hotel uit haar tas haalde. Vervolgens heeft de verdachte het hotel verlaten en heeft zij te voet haar weg vervolgd.


Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte - blijkens haar uiterlijke gedragingen - heeft gehandeld terwijl zij was bedwelmd door verdovende middelen. Zij was immers in staat om telefonisch een taxi te bestellen bij de receptie van het hotel, haar kamer te verlaten en naar de lobby te lopen, een conversatie met het hotelpersoneel te hebben, spullen uit haar tas te halen en het hotel op eigen gelegenheid te verlaten. Het primair en subsidiair gevoerde verweer worden derhalve verworpen.”

5. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof verzuimd te weerleggen het scenario van de verdediging dat er op neerkomt dat verdachte ten tijde van haar vertrek uit het hotel reeds deels hersteld was en deels herstellende was van de bedwelming (waardoor zij wel in staat was tot eenvoudiger handelingen waarvoor weinig coördinatie vereist is).

6. Naar mijn oordeel heeft het Hof het verweer van de verdediging toereikend gemotiveerd weerlegd. Stelling van de verdediging was dat de verdachte de in haar tas aangetroffen goederen heeft weggenomen terwijl zij bedwelmd was. Ook wanneer ervan zou moeten worden uitgegaan dat verdachte ten tijde van haar vertrek uit het hotel reeds deels hersteld was en deels herstellende was van de bedwelmingen en derhalve uit haar door het Hof genoemde gedragingen niet kan worden afgeleid dat zij niet bedwelmd was, dan betekent dit immers nog niet dat zij inderdaad ten tijde van het wegnemen van bedoelde goederen bedwelmd was. Hetgeen de raadsman overigens ter onderbouwing van de mogelijkheid van bedwelmd zijn heeft aangevoerd – verdachte beschrijft verschijnselen die passen bij bedwelming door verdovende middelen, ze kan zich gedeelten van de avond niet herinneren, ze is na haar betrapping rustig weggelopen – is een zo zwakke onderbouwing van het in het middel bedoelde standpunt dat het Hof daar niet afzonderlijk op behoefde in te gaan.

7. Het middel faalt.

8. Het tweede middel klaagt dat het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige op ontoereikende gronden is verworpen.

9. Het Hof heeft het verzoek als volgt verworpen:

“Met betrekking tot het voorwaardelijk gedane verzoek de getuige '[betrokkene 2] die woont op de [A straat] (...) en in het buitenland verblijft' te horen overweegt het hof dat, gelet op het ontbreken van een onderbouwing van dit verzoek, in het bijzonder met betrekking tot de onderwerpen waarover deze getuige met het oog op de beantwoording van de door het hof te beantwoorden vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, zou moeten verklaren, het hof het niet noodzakelijk acht deze getuige te horen.”

10. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof miskend dat het verzoek voldoende was onderbouwd. Daartoe wordt er op gewezen dat het verzoek inhoudt dat de getuige de lezing van de verdachte kan bevestigen.

11. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota houdt omtrent bedoeld verzoek in:

“Het verhaal van cliënte kan worden bevestigd door [betrokkene 2] die woont op de [A straat]. Ik heb cliënte gevraagd of zij als getuige een verklaring af kan leggen. Cliënte deelde daarop mede dat zij in het buitenland verblijft en het nog wel enige tijd zal duren voor zij terugkomt. Wat mij betreft hoeven we daar niet op te wachten. Dat wordt anders zodra u cliënte wil veroordelen.”

12. Verdachte is zelf niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Haar raadsman heeft gesteld dat zij verdovende middelen aangeboden heeft gekregen maar deze heeft geweigerd, dat ze verschijnselen heeft ervaren die passen bij bedwelming door verdovende middelen, en dat zij mogelijk inderdaad gedrogeerd was. Hierin heeft het Hof kennelijk geen voldoende onderbouwing van het verzoek gezien. Dat is niet onbegrijpelijk. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het weigeren van verdovende middelen kan bijdrage aan het bewijs dat de verdachte mogelijk gedrogeerd was. Dat verdachte verschijnselen heeft ervaren die passen bij bedwelming door verdovende middelen, en dat zij mogelijk inderdaad gedrogeerd was, leent zich bij gebreke van een nadere toelichting nauwelijks voor bevestiging door een getuige.

13. Het middel faalt.

14. Het derde middel klaagt over de afwijzing van het verzoek de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de door de raadsman gestelde vragen aan [betrokkene 3], bij wie verdachte in behandeling is.

15. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota bevat het volgende verzoek:

“Ten tweede wil ik dan het antwoord afwachten van [betrokkene 3]. Hij heeft cliënte op dit moment in behandeling. Ik heb hem per mail verzocht een aantal vragen te beantwoorden. De antwoorden op deze vragen zijn van belang voor de strafmaat en de vordering TUL. Wanneer u tot een veroordeling komt, zijn deze antwoorden van groot belang.”

De bij mail gestelde vragen luiden:

“1) Is bij cliënte sprake van psychische problematiek?

2) Zo ja, hoe laat deze zich diagnostiseren / omschrijven?

3) Wat voor behandeling past daarbij?

4) Is die behandeling al aangevangen?

5) Zo ja, slaat die behandeling aan?

6) Ondervindt cliënte problemen op andere leefgebieden?

7) Welke hulp heeft zij bij het oplossen daarvan nodig?

8) Wie kan die hulp bieden?

9) Krijgt zij die hulp op dit moment?

10) Zo ja, slaat dat aan?

11) Is bij cliënte sprake van middelengebruik?

12) Zijn er contra-indicaties voor het opleggen / executeren van een vrijheidsbenemnende straf of maatregel?”

[betrokkene 3] heeft de raadsman blijkens een aan de pleitnota gehecht mailbericht op de dag van de behandeling laten weten deze vragen zo snel mogelijk daar waar mogelijk te beantwoorden.

16. Het Hof heeft het verzoek als volgt samengevat en verworpen:

“Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek de zaak aan te houden met het oog op het afwachten van de antwoorden van [betrokkene 3] naar aanleiding van de email d.d. 12 maart 2013 met vragen betreffende de verdachte van de raadsman aan [betrokkene 3], overweegt het hof dat, gelet op het reclasseringsrapport over de verdachte d.d. 2 mei 2012 en de waarschuwing/informatie van Reclassering Nederland d.d. 25 oktober 2012, het hof het niet noodzakelijk acht nog verdere informatie over de persoon van de verdachte af te wachten. Het hof merkt in dit verband ook nog op gelet op de laatste aan [betrokkene 3] gestelde vraag, dat de verdachte in voorlopige hechtenis met betrekking tot deze zaak heeft gezeten en dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat het tot problemen voor de verdachte zou hebben geleid.”

17. Kennelijk heeft het Hof de beantwoording van de door de raadsman aan [betrokkene 3] gestelde vragen voor de strafoplegging niet noodzakelijk geacht. Dat is niet onbegrijpelijk nu verdachtes raadsman niet heeft toegelicht waarom beantwoording van die vragen voor de strafoplegging noodzakelijk zou zijn naast hetgeen is vermeld in het reclasseringsrapport over de verdachte d.d. 2 mei 2012 en de waarschuwing/informatie van Reclassering Nederland d.d. 25 oktober 2012. Daar komt nog bij dat het Hof er – kennelijk naar aanleiding van de laatste aan [betrokkene 3] gestelde vraag - op wijst dat er geen aanwijzingen zijn dat het gedurende korte tijd van de vrijheid beroofd zijn tot problemen heeft geleid.

18. Het middel faalt.

19. Het vierde middel houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bepaalde in art. 14g lid 2 jo. 22b Sr in de weg staat aan tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van veertien dagen in de vorm van een taakstraf.

20. Het middel richt zich tegen de volgende overweging:

“Het hof is - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - van oordeel dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, zodat het omzetten van de gevangenisstraf van veertien dagen in een taakstraf als door de raadsman is bepleit, niet aan de orde is. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.”

21. De in cassatie niet bestreden toepasselijkheid van het bepaalde in art. 22b Sr berust kennelijk op een uit het uittreksel van het justitieel documentatieregister blijkende veroordeling van de verdachte bij vonnis van de politierechter te ’s-Gravenhage d.d. 31 januari 2011. Bij dit vonnis is de verdachte wegens diefstal veroordeeld tot 20 uren werkstraf. Deze straf is geheel tenuitvoergelegd.

22. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het bepaalde in art. 22b lid 3 Sr meebrengt dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf – anders dan het Hof overwoog - wel kan geschieden in de vorm van een taakstraf omdat aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit een vrijheidsstraf is opgelegd dan wel in aanmerking dient te worden genomen dat de verdachte ter zake van het feit, dat het bepaalde in art. 22 lid 1 en/of lid 2 Sr van toepassing doet zijn, reeds een vrijheidsstraf is opgelegd.

23. Art. 9 lid 4 Sr luidt:

“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”

Art. 14g lid 2 Sr luidt:

“In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing.”

Art. 22b Sr luidt:

“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:

a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;

b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.

2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”

24. Omtrent het bepaalde in het derde lid van art. 22b Sr houdt de parlementaire geschiedenis in - voor zover van belang - :
- het oorspronkelijk door de regering voorgestelde art. 22b Sr:

1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:

a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis straf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;

b. een der misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b en 248b.

2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1°. aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2°. de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een al dan niet voorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.1

- memorie van toelichting:

Onderdeel B

Artikel 14g, tweede lid, Sr betreffende de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, bevat een verwijzing naar de regeling van de taakstraf. Het voorgestelde nieuwe artikel 22b Sr dient hier te worden toegevoegd. Voordat de rechter in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, een taakstraf gelast, zal hij dienen na te gaan of het opleggen van een taakstraf niet op grond van artikel 22b is uitgesloten.

Onderdeel C

Voorgesteld wordt om een nieuw artikel 22b toe te voegen aan de regeling van de taakstraf in het Wetboek van Strafrecht. In dit artikel wordt aangegeven in welke gevallen een veroordeling wegens misdrijf niet kan worden bestraft met enkel een taakstraf (dat wil zeggen een taakstraf die niet is gecombineerd met een andere straf).

Artikel 22b, eerste lid

In het eerste lid, onderdeel a, wordt bepaald dat een taakstraf niet kan worden opgelegd voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Voor de omschrijving van de misdrijven waarvoor een taakstraf niet meer aan de orde is, is derhalve gekozen voor een combinatie van twee criteria, te weten een formeel criterium (misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld) en een materieel criterium (ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer). Tezamen strekken zij ertoe het opleggen van een taakstraf uit te sluiten in geval van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Het formele criterium sluit aan bij de opvatting van de wetgever over de ernst van een delict. Deze opvatting wordt tot uitdrukking gebracht in de hoogte van de maximale straf die voor een bepaald misdrijf kan worden opgelegd. Het gaat daarbij om het wettelijke maximum zoals dat in de strafbepaling is aangegeven. Het strafmaximum verlagende omstandig- en artikel 49, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) tellen daarbij niet mee.

Het leggen van de grens bij zes jaren sluit aan bij de grens die voor de afdoening door middel van een strafbeschikking (artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering) en de transactie (artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht) wordt gehanteerd. Met de taakstraf hebben de strafbeschikking en de transactie gemeen dat zij in beginsel niet bedoeld zijn voor de afdoening van ernstige misdrijven.

Het materiële criterium staat in het teken van de gevolgen die het gepleegde misdrijf heeft gehad. Een taakstraf wordt niet opgelegd indien het misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Bij zeden- en geweldsmisdrijven is in beginsel steeds sprake van inbreuken op de lichamelijke integriteit. De ernst van de inbreuk kan verschillen. In geval van een poging tot een zeden- of geweldsmisdrijf kan het zo zijn dat er geen sprake is van een daadwerkelijke inbreuk op de lichamelijke integriteit. De ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit is dus bepalend voor de mogelijkheid om een taakstraf op te leggen. Zijn de gevolgen voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer beperkt gebleven, dan kan een «kale» taakstraf worden opgelegd. Een inbreuk op de lichamelijke integriteit is niet hetzelfde als lichamelijk letsel. Zeker bij zedenmisdrijven kan sprake zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit, zonder dat daarbij sprake is van lichamelijk letsel. Aan de andere kant is bij lichamelijk letsel wel altijd sprake van een inbreuk op de lichamelijk integriteit. In de gevallen waarin het misdrijf beperkt lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, is geen sprake van een zo ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat daarom het opleggen van een taakstraf is uitgesloten.

Een aantal voorbeelden kan dienen ter verduidelijking. Iemand een tongzoen opdringen of het stoppen van een vinger in iemands mond of oor (zonder instemming van de betrokkene) is strafrechtelijk, als die handelingen een seksuele lading hebben, te kwalificeren als verkrachting. Hoewel deze handelingen zeker een inbreuk vormen op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, gaat het niet om de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit die de term «verkrachting» oproept. Voornoemde handelingen kunnen dus met een taakstraf bestraft worden, maar de verkrachting die gepaard gaat met genitale penetratie kan dat niet. Bij beperkt of geen lichamelijk letsel kan gedacht worden de vechtpartij waarbij over en weer geslagen wordt. De betrokkene die daarbij op het hoofd slaat van zijn tegenstander maakt zich al snel schuldig aan poging zware mishandeling, ook al is er geen letsel of is het ontstane letsel beperkt gebleven tot een blauwe plek. In een dergelijk geval wordt het aan de rechter overgelaten om te beoordelen of een taakstraf een passende straf is. Leidt de vechtpartij tot zwaar lichamelijk letsel dan is het opleggen van enkel een taakstraf uitgesloten.

Bij vermogensdelicten is er geen sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In geval van een ernstig vermogensdelict is dus het opleggen van een «kale» taakstraf niet uitgesloten. In de formulering van het materiële criterium is er bewust van afgezien te spreken van de gevolgen voor de geestelijke integriteit van het slachtoffer. De reden daarvoor is dat de gevolgen die een misdrijf heeft voor het geestelijk welzijn van een slachtoffer sterk uiteenlopen van persoon tot persoon. De gevolgen voor de geestelijke integriteit zijn daarmee een te weinig objectieve maatstaf voor de beoordeling of een taakstraf mag worden opgelegd. Daar komt bij dat voor de delictsomschrijvingen van zeden- en geweldsmisdrijven in het Wetboek van Strafrecht geldt dat steeds sprake is van inbreuken op de lichamelijke integriteit. Een en ander wil uiteraard niet zeggen dat de rechter de gevolgen die een misdrijf heeft gehad voor het geestelijk welzijn van het slachtoffer niet kan en zal meewegen bij de straftoemeting. De ernstige psychische gevolgen rechter doen besluiten geen taakstraf, maar een gevangenisstraf op te leggen.

In het eerste lid, onderdeel b, wordt een drietal misdrijven aangewezen waarvoor het opleggen van een taakstraf in beginsel is uitgesloten, maar waarop de voornoemde (formele en materiële) criteria niet van toepassing zijn. Het gaat om ambtsdwang en wederspannigheid met letsel tot gevolg (artikel 181 Sr), kinderpornografie (artikel 240b Sr) en jeugdprostitutie (artikel 248b Sr), voorzover daarop minder dan zes jaar gevangenisstraf staat. De keuze voor deze misdrijven is ingegeven door de wens om de ernst van deze misdrijven te onderstrepen en het belang te benadrukken van de bescherming die deze artikelen beogen te geven aan minderjarigen en personen werkzaam in publieke dienst. Bij veroordeling voor deze misdrijven kan derhalve geen «kale» taakstraf worden opgelegd, ongeacht of de misdrijven een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge hebben gehad.

Artikel 22b, tweede lid

Het tweede lid van artikel 22b voorziet in het uitsluiten van een taakstraf in het geval van recidive. De beperking van de mogelijkheden om in geval van recidive een «kale» taakstraf op te leggen heeft betrekking op misdrijven in het algemeen en niet alleen op ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Indien een verdachte een misdrijf pleegt en in de vijf daaraan voorafgaande jaren al wegens een ander soortgelijk misdrijf een taakstraf opgelegd heeft gekregen, wordt niet opnieuw een taakstraf opgelegd. In artikel 43b Sr, dat deel uitmaakt van de algemene recidiveregeling van het van het Wetboek van Strafrecht, is aangegeven welke misdrijven als soortgelijk aan elkaar moeten worden aangemerkt. Verder is vereist dat de eerder opgelegde taakstraf is verricht of dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen in verband met het niet (naar behoren) verrichten van de taakstraf. Het stellen van deze eis dient ertoe een tweede («kale») taakstraf uit te sluiten in de gevallen dat de taakstraf kennelijk niet het effect heeft gehad dat daarmee werd beoogd. Het gaat dan om het geval dat de taakstraf wel is verricht, maar dat de veroordeelde er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te begaan. Het gaat ook om het geval dat de veroordeelde de eerder opgelegde taakstraf niet heeft verricht en dat aanleiding is geweest om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen. Is een eerder opgelegde taakstraf niet verricht, maar is dat geen aanleiding geweest om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen, dan kan wel een nieuwe taakstraf worden opgelegd. Voor de gevallen waarin dit aan de orde zou kunnen zijn, wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting. Het gaat er dan om dat een eerder opgelegde taakstraf niet is verricht buiten de schuld van de veroordeelde.

Artikel 22b, derde lid

Het derde lid van artikel 22b bevat een uitzondering op de hoofdregel dat in geval van een ernstig zeden- en geweldsmisdrijf geen taakstraf wordt opgelegd. Deze uitzondering heeft tot doel te voorkomen dat een taakstraf niet kan worden opgelegd in combinatie met een al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Dit wetsvoorstel beoogt uit te sluiten dat in geval van ernstige misdrijven wordt volstaan met het opleggen van enkel een taakstraf. In combinatie met een onvoorwaardelijke, voorwaardelijke of deels voorwaardelijke gevangenisstraf moet de taakstraf ook bij ernstige misdrijven opgelegd kunnen worden. De combinatie van deze straffen geeft de rechter de mogelijkheid een bij de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de dader passende straf op te leggen. De mogelijkheid om een taakstraf te combineren met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf versterkt de mogelijkheden om te werken aan gedragsverandering. Zij staat in de sleutel van de persoonsgerichte aanpak, die de regering voorstaat (zoals hiervoor in paragraaf 1 van het algemeen deel van deze toelichting aangegeven). Door middel van het opleggen van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf kan gericht gewerkt worden aan het opheffen of terugdringen van criminogene factoren die hebben bijgedragen aan het strafbare gedrag. Aan de andere kant is het zo dat door de mogelijkheid om een voorwaardelijke gevangenisstraf te combineren met een taakstraf, het punitieve karakter van de bestraffing wordt versterkt. De in het derde lid opgenomen uitzondering geldt ook voor de gevallen waarin het opleggen van een taakstraf is uitgesloten op grond van de recidiveregeling in het tweede lid van artikel 22b. In de door dat lid bestreken gevallen van recidive kan dus wel een taakstraf worden opgelegd als deze wordt gecombineerd met een al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel.2

- bij tweede nota van wijziging werd voorgesteld het derde lid van het voorgestelde art. 22b lid 3 te schrappen. Dit werd als volgt toegelicht:

Het kabinet staat een daadkrachtige bestrijding van ernstige zeden- en geweldscriminaliteit voor. Dergelijke misdrijven zijn niet alleen zeer ingrijpend en traumatisch voor de slachtoffers en hun naaste omgeving, met name als het toegebrachte leed onherstelbaar is, maar zij raken ook in brede zin het vertrouwen in de rechtsorde en de veiligheidsbeleving van burgers. De bescherming van de samenleving tegen de daders maakt toereikende straffen en maatregelen daarom noodzakelijk. De taakstraf is in de visie van het kabinet een geschikte straf voor naar verhouding lichte strafbare feiten. Het opleggen van een taakstraf vormt geen toereikende bestraffing van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Een dergelijk bestraffing voldoet niet aan de eisen die, gelet op de ernst van het delict, met het oog op vergelding en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten in de toekomst, moeten worden gesteld. Het derde lid van het voorgestelde nieuwe artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht voorziet in de mogelijkheid om in geval van veroordeling wegens een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf toch een taakstraf op te leggen, op voorwaarde dat deze wordt gecombineerd met een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het kabinet acht het niet passen bij het karakter van de taakstraf dat deze toch zou kunnen worden opgelegd in geval van een veroordeling wegens een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf, zoals bedoeld in het onderhavige wetsvoorstel. Voorgesteld wordt daarom het derde lid van het nieuwe artikel 22b te schrappen.3

- amendement Van Toorenburg (aanvaard):

In artikel I, onderdeel C, wordt aan artikel 22b een derde lid toegevoegd, luidende: 3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.

Toelichting

Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte de hoofdregel dat geen «kale» taakstraf kan worden opgelegd voor ernstige misdrijven. Alleen in combinatie met een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou een taakstraf in bepaalde gevallen een passende reactie kunnen zijn.

Bij tweede nota van wijziging is dit uitgangspunt gewijzigd, met als gevolg dat een taakstraf ook niet meer in combinatie met een vrijheidsstraf kan worden opgelegd.

Dit amendement draait de tweede nota van wijziging deels terug naar het oorspronkelijke voorstel.

Door de combinatie van taakstraf en onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan bij de straftoemeting meer rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de sanctie en de wijze van ten uitvoer leggen kunnen worden toegesneden op de aard van het delict en de persoon van de dader en waarbij uiteraard ook de belangen van het slachtoffer en de samenleving moeten worden meegewogen. Omdat het in het onderhavige wetsvoorstel gaat om ernstige zeden- en geweldsdelicten is alleen een combinatie van taakstraf en onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast; een combinatie van taakstraf en voorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbeperkende maatregel is dat niet.4

- memorie van antwoord Eerste Kamer:

3. Combinatie taakstraf en voorwaardelijke vrijheidsstraf

De leden van de CDA-fractie, de PvdA-fractie, de SP-fractie en de SGP-fractie stellen enkele vragen bij de mogelijkheid voor de rechter om een taakstraf te combineren met een voorwaardelijke vrijheidsstraf. Door verschillende van deze leden wordt terecht geconstateerd dat als gevolg van de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2010–2011, 32 169, nr. 9) de mogelijkheid is komen te vervallen om bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en in geval van recidive een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke vrijheidsstraf. Als gevolg van het door de Tweede Kamer aanvaarde amendement Van Toorenburg (Kamerstukken II 2010–2011, 32 169, nr. 12) kan in deze gevallen de taakstraf wel worden gecombineerd met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Vanwege het bepaalde in artikel 9, lid 4, van het Wetboek van Strafrecht, is hierbij slechts de combinatie met een vrijheidsstraf van niet meer dan zes maanden toegestaan.

De inzet van het kabinet is erop gericht de toepassing van voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden te bevorderen. Een dergelijke bestraffing kan bijdragen aan het voorkomen van herhalingscriminaliteit en daarmee aan het verminderen van recidive en daarmee aan het voorkomen van nieuwe slachtoffers en het vergroten van de veiligheid in de samenleving. Van veroordeelden vergt het kabinet dat zij hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Alleen dan wordt in hen geïnvesteerd door middel van behandeling en begeleiding. Met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de verdachte een mogelijkheid geboden om aan insluiting in een gevangenis te ontkomen. Daar staat tegenover dat zijn vrijheid wel aan beperkingen kan worden onderworpen en dat gewerkt wordt aan gedragsverandering met als doel het voorkomen van recidive. In de praktijk blijkt dat veel verdachten aan een dergelijke vorm van bestraffing mee willen werken, ook als het gaat om een ingrijpend pakket aan bijzondere voorwaarden.

In het oorspronkelijke wetsvoorstel was voorzien in de mogelijkheid om bij een veroordeling voor een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf toch een taakstraf op te leggen, maar dan in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf (of vrijheidsbenemende maatregel). In een brief van 19 mei 2011 aan de leden van de vaste commissie voor Justitie van de Eerste Kamer geeft Reclassering Nederland aan het te betreuren dat deze mogelijkheid is geschrapt. Naar de mening van Reclassering Nederland kan een dergelijke combinatie van straffen bijzonder nuttig en effectief zijn.

Het kabinet is van mening dat het openhouden van de mogelijkheid om de taakstraf te combineren met een voorwaardelijke gevangenisstraf de deur te ver open zou zetten voor een bestraffing waarin de taakstraf te veel zou domineren en de daarnaast opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf aan de taakstraf ondergeschikt zou zijn. Dat strijdt met het uitgangspunt dat de taakstraf geen passende straf is voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Bij dergelijke misdrijven past een gevangenisstraf of een vrijheidsbenemende maatregel als tbs of isd. Dat kan echter ook een deels of soms geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zijn. Maar dan wel mét een pakket bijzondere voorwaarden gericht op gedragsverandering en onder reclasseringstoezicht. De zwaarte van een dergelijke bestraffing moet niet onderschat worden. Zo kan een veroordeelde door middel van bijzondere voorwaarden worden verplicht deel te nemen aan een gedragsinterventie, zich onder behandeling te laten stellen of zich met het oog op behandeling op te laten nemen. Ook kan de rechter door middel van het opleggen van locatieverboden en -geboden de bewegingsvrijheid van de veroordeelde aanzienlijk beperken. Het toezicht op de naleving van de voorwaarden is bij de reclassering neergelegd. Afhankelijk van het risico van overtreding van de voorwaarden variëren de aard en de intensiteit van het toezicht. Bij het meest intensieve toezichtniveau moet de veroordeelde zich wekelijks melden en kan de reclasseringswerker het huis en/of de werkplek van de veroordeelde bezoeken. Daarnaast kan elektronisch toezicht aan de bijzondere voorwaarden worden verbonden, waardoor een veroordeelde eventueel ook permanent kan worden gevolgd. De combinatie van een aantal, in voorkomend geval ook vergaande voorwaarden tezamen met ruime mogelijkheden voor een lange proeftijd maken de voorwaardelijke straf tot een ingrijpende vorm van bestraffing.

Het kabinet onderschrijft met de reclassering dat het verrichten van een taakstraf een bijdrage kan leveren aan het opdoen van werkritme en werkervaring. Echter, niet uit het oog mag worden verloren dat het opleggen van een taakstraf bestraffing tot doel heeft. Een taakstraf is geen werkervaringsplaats. Een (deels) voorwaardelijke bestraffing mét bijzondere voorwaarden gericht op gedragsverandering en onder reclasseringstoezicht biedt de veroordeelde een goed kader om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen en zijn reguliere, legale werkzaamheden te continueren, dan wel, zo nodig met behulp van de reclassering en gemeentelijke instanties, werk te vinden.

De wettelijke positionering van de taakstraf in het geval van veroordeling voor een ernstig zeden- en geweldsmisdrijf vergt naar mijn mening een helder uitgangspunt: gevangenisstraf is voor dergelijke feiten een passende bestraffing. Dat kan een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zijn, maar het daarnaast opleggen van een taakstraf is voor zulke feiten een gepasseerd station.5

25. Art. 22b lid 3 Sr biedt de rechter de mogelijkheid ook in de in het eerste en het tweede lid van deze bepaling genoemde gevallen overeenkomstig het bepaalde in art. 9 lid 4 Sr6 een taakstraf op te leggen naast een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt. De aanvankelijk door de regering voorgestelde mogelijkheid om in de in het eerste en het tweede lid van art. 22b Sr genoemde gevallen de oplegging van een taakstraf naast een voorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk te maken is komen te vervallen.

26. Art. 14g lid 2 Sr biedt de mogelijkheid in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf een taakstraf te gelasten. Op deze mogelijkheid is art. 22b Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Zoals tot uitdrukking gebracht in de memorie van toelichting7 betekent dit dat de mogelijkheid een taakstraf te gelasten in plaats van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf niet bestaat in de in art. 22b, eerste en tweede lid, Sr genoemde gevallen.

27. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet hoe de wetgever zich in geval van tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling de toepassing van het bepaalde in het derde lid van art. 22b Sr heeft gedacht. Dat hoeft geen verbazing te wekken. Het derde lid van die bepaling is immers toegesneden op de mogelijkheid die art. 9 lid 4 Sr biedt, een mogelijkheid die niet aan de orde komt bij het geven van een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf. Toch valt overeenkomstige toepassing van art. 22b lid 3 Sr niet uit te sluiten. Deze overeenkomstige toepassing biedt de mogelijkheid in de in art. 22b, eerste en tweede lid, genoemde gevallen de last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven in de vorm van een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in combinatie met gedeeltelijke tenuitvoerlegging van die straf in de vorm van het gelasten van een taakstraf. Voorts kan in een geval waarin een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, zoals in casu, de tenuitvoerlegging geschieden in de vorm van een taakstraf mits het onvoorwaardelijk gedeelte niet meer bedraagt dan 6 maanden (zie art. 9 lid 4 Sr).Ook dan immers wordt voldaan aan de strekking van de regeling dat alleen in geval een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd een taakstraf mag worden opgelegd.8

28. Anders dan het middel voorstaat gaat de overeenkomstige toepassing van art. 22b lid 3 Sr op het gelasten van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf mijns inziens niet zo ver dat deze tenuitvoerlegging in de vorm van een taakstraf mogelijk maakt wanneer bij gelijktijdige berechting van een ander feit voor dat feit een vrijheidsstraf wordt opgelegd. Art. 22b lid 3 Sr maakt in de in het eerste en het tweede lid van art. 22b Sr genoemde gevallen combinatie van vrijheidsstraf en taakstraf mogelijk. Van een dergelijke combinatie is geen sprake wanneer de vrijheidsstraf voor een ander feit wordt opgelegd dan ter zake waarvan de tenuitvoerlegging van een daarvoor opgelegde vrijheidsstraf wordt gevorderd.

29. Bij het vonnis van 23 februari 2010, waarop de vordering tot tenuitvoerlegging betrekking heeft, is de verdachte wegens vermogensmisdrijven, gepleegd in de eerste helft van 2008, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen9, waarvan veertien dagen voorwaardelijk. Zoals hiervoor reeds is gesteld verzet het bepaalde in art. 22b lid 3 Sr zich in zo’n geval niet tegen tenuitvoerlegging in de vorm van een taakstraf. Het Hof heeft dus ten onrechte overwogen dat het bepaalde in art. 14g lid 2 jo. 22b Sr in de weg staat aan tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van veertien dagen in de vorm van een taakstraf.

30. Het middel slaagt.

31. Ambtshalve merk ik het volgende op. De hiervoor aangehaalde art. 14g en 22b Sr zijn ingevoerd bij Wet van 17 november 2011, Stb. 2012, 1. Deze wet is in werking getreden op 3 januari 2012. De wet bevat een overgangsbepaling luidende:

“Deze wet heeft geen gevolgen voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet.”

32. In de memorie van toelichting wordt over deze overgangsbepaling opgemerkt:

“Artikel II voorziet in overgangsrecht. Hoewel in strikte zin geen sprake is van een veranderd inzicht omtrent de strafwaardigheid van de ernstige zeden-en geweldsmisdrijven waarop het wetsvoorstel betrekking heeft – aan de wettelijke strafbedreiging wijzigt immers niets – heeft het wetsvoorstel wel tot gevolg dat voor deze misdrijven in de in het wetsvoorstel bepaalde gevallen geen «kale» taakstraf meer kan worden opgelegd. Er is daarom sprake van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op strafbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtreding van onderhavige wetswijziging, is het nieuwe artikel 22b Sr derhalve niet van toepassing.”10

33. De voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf waarvan in casu de tenuitvoerlegging werd gevorderd, is aan de verdachte opgelegd voor feiten gepleegd op in 2008, dus vóór 3 januari 2012. Vóór deze datum kende de wet geen beperkingen voor de oplegging van een taakstraf als verwoord in het huidige art. 22b Sr. Door – zoals het Hof heeft gedaan – de tenuitvoerlegging in de vorm van een taakstraf voor een feit gepleegd voor 3 januari 2012 onmogelijk te achten op grond van het huidige art. 22b Sr zijn wel gevolgen verbonden aan de inwerkingtreding van genoemde wet. Dat is in strijd met die hiervoor aangehaalde overgangsbepaling.11 Daarom kan het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet in stand blijven.

34. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest ambtshalve zou dienen te worden vernietigd.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, de verdachte opgelegd bij vonnis van de Rechtbank te ’s-Gravenhage d.d. 23 februari 2010 onder parketnummer 09-758091-09, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2009–2010, 32 169, 2.

2 Kamerstukken II 2009–2010, 32 169, nr. 3, p. 8-11.

3 Kamerstukken II 2010–2011, 32 169, nr. 9.

4 Kamerstukken II 2010–2011, 32 169, nr. 12 (amendement Van Toorenburg).

5 Kamerstukken I 2010–2011, 32169, C, p. 9, 10.

6 Zo ook F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 255.

7 Kamerstukken II 2009–2010, 32 169, nr. 3, p. 8-11.

8 Vgl. Bleichrodt en Vegter, a.w., p. 267: de rechter behoudt bij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging zijn vrijheid tot het leveren van maatwerk.

9 Het Hof noemt in zijn arrest alleen het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de straf.

10 Kamerstukken II 2009–2010, 32 169, nr. 3, p. 12. De verwijzing in de memorie van toelichting naar art. 1 lid 2 Sr lijkt niet juist omdat het in casu niet gaat om een voor de verdachte gunstiger maar een voor de verdachte onmiskenbaar ongunstiger regeling; vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1556.

11 Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:186, dat betrekking had op het onmogelijk achten van de oplegging van een taakstraf.