Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1421

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-05-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
13/03352
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2744, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, artt. 15g (oud), 15i.2 en 3 (oud), 15j.3 en 4 Sr en 361a Sv. Het Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b. tegen de beslissing van de Rb. op de vordering van de OvJ tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de Rb. aan haar beslissing tot toewijzing van de vordering van de OvJ ten grondslag heeft gelegd dat verdachte niet heeft voldaan aan de hem in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gestelde bijzondere voorwaarden, en dat tegen een dergelijke beslissing geen rechtsmiddel openstaat. Die beslissing is juist. Dat brengt mee dat tegen die beslissing voor verdachte ook geen beroep in cassatie openstaat, zodat hij in zoverre in het beroep niet kan worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03352

Zitting: 27 mei 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 17 juni 2013 door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat ziet op de beslissing van de rechtbank Utrecht van 20 januari 2012 op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (in de zaak met parketnummer 16/710907-08).

2. Namens verzoeker heeft mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is.

4. Blijkens de aan de beslissing van de rechtbank van 20 januari 2012 gehechte vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: de vordering herroeping) is verzoeker veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsstraf met een voorwaardelijke invrijheidstelling-periode van 405 dagen, over welke straf voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 16 juli 2010.1 De officier van justitie heeft op 31 oktober 2011 de vordering herroeping aangebracht bij de rechtbank te Utrecht en deze is blijkens een daarop gezet stempel op diezelfde dag door de griffie van de rechtbank ontvangen. De vordering herroeping houdt onder meer in dat naar het oordeel van het Openbaar Ministerie verzoeker zich niet aan de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden heeft gehouden:

“Namelijk, bovengenoemde persoon heeft:

-zich op 19 oktober 2011 te Utrecht vermoedelijk schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 311 lid 1 sub 4 en 5 Wetboek van Strafrecht (parketnummer 16/601028-11)

En

-zich gelet op de inhoud van het rapport van het Leger des Heils d.d. 19 oktober 2011, niet gehouden aan de verplichtingen van het VI-toezicht die hieraan verbonden zijn.”

5. Uit de beslissing van de rechtbank van 20 januari 2012 blijkt het volgende. De behandeling van de vordering herroeping heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van de rechtbank op 6 januari 2012. De voorwaardelijke invrijheidstelling met een proeftijd van 405 dagen is verleend per 16 juli 2010 en na opschorting ingegaan op 14 april 2011. De algemene voorwaarde luidt dat verzoeker geen strafbaar feit zal begaan. De bijzondere voorwaarden houden onder meer in dat voor verzoeker een meldingsplicht bij de toezichthoudende reclasseringsinstantie geldt en dat hij zich aldaar moet melden zo vaak als door de toezichthouder noodzakelijk wordt geacht. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker aan dit laatste niet heeft voldaan – naar haar oordeel is alleen die bijzondere voorwaarde overtreden - en wijst op grond daarvan de vordering toe.

6. Naast de beslissing op de vordering herroeping heeft de rechtbank op 20 januari 2012 een vonnis gewezen met parketnummer 16/601028-11, waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens “Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”. Op dit feit doelt de in de vordering herroeping gestelde overtreding van de algemene voorwaarde.

7. Blijkens de toelichting berust het middel op de opvattingen – en daarbij wordt verwezen naar HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495, NJ 1997/721 en HR 5 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0123, NJ 1996/734 -, (i) dat de beslissing van de rechtbank op de vordering herroeping onterecht is genomen in een aparte beslissing en niet in het vonnis, nu een vordering is ingediend die zowel is gebaseerd op overtreding van de algemene voorwaarde als op grond van de bijzondere voorwaarden, zodat ingevolge art. 361a Sv de rechtbank de beslissing hierop in het vonnis had moeten opnemen, en (ii) dat daaruit kan worden afgeleid dat er hoger beroep tegen die beslissing openstaat. Bij de vraag of hoger beroep openstaat is hier beslissend de grond waarop de vordering is gebaseerd en niet de beslissing van de rechtbank, aldus de steller van het middel. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat er onterecht (ik begrijp: door de rechtbank, EH) geen beslissing is genomen op de vordering op grond van de gestelde overtreding van de algemene voorwaarde en dat dit onterecht niet in het vonnis van de rechtbank is opgenomen, zodat verzoeker ook om die reden op het onderhavige punt ten onrechte door het Hof niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep.

8. Om met deze laatste deelklacht te beginnen, ik meen dat deze feitelijke grondslag mist. In de beslissing van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat de door de officier van Justitie gestelde overtreding van de algemene voorwaarde geen rol heeft gespeeld bij haar beslissing tot herroeping.

9. Meer aandacht verdient de hoofdklacht.

10. Onder de stukken van het geding bevindt zich naast de vordering herroeping de “vordering ter terechtzitting” (met parketnummer 16.601028-11) van de officier van Justitie, gedaan “ter terechtzitting van de Meervoudige strafkamer in het arrondissement Utrecht, op 6-1-12”. Deze “vordering ter terechtzitting” houdt handgeschreven in:

“4 mndn m.a. + oph. schorsing per datum uitspr (+ 2 vw grond) + Bp eur 312 + mtr + rente + hoof. + herr VI”

Ik neem aan dat met de aanduiding “herr VI” wordt gedoeld op de hierboven onder 4 aangehaalde vordering herroeping.

11. Blijkens de aan dit vonnis van de rechtbank van 20 januari 2012 gehechte pleitnotities heeft de raadsvrouw van verzoeker in eerste aanleg op de zitting van 6 januari 2012 aldaar ter verdediging het volgende aangevoerd:

“Vordering herroeping VI

Ik begrijp dat de vordering is aangebracht wegens overtreding van bijzondere voorwaarden, en dus niet omdat hij hier vandaag moet voorkomen. Volgens de reclassering heeft hij de voorwaarden onvoldoende nageleefd. Dat moge zo zijn, maar als ik het rapport bekijk betreft het een aantal afspraken in een tijdsbestek van nog geen drie weken. Daar komt bij dat hij bij de laatste afspraak ook onmogelijk had kunnen verschijnen, omdat hij toen al was aangehouden voor deze zaak.

Al met al ben ik van mening dat een zodanig grote VI, we spreken over 405 dagen, niet op basis van nog geen drie weken kan worden herroepen. Behandeling gaat met vallen en opstaan en het motiveren daartoe valt ook onder behandeling.

(…)”

12. Uit dit één en ander zou kunnen worden opgemaakt dat ook de vordering herroeping, als onderdeel van de “vordering ter terechtzitting”, op de terechtzitting van de rechtbank van 6 januari 2012 is voorgedragen, aan de rechtbank is overgelegd en is besproken. Dat zou betekenen dat de strafzaak en de vordering herroeping op dezelfde terechtzitting zijn behandeld, doch dat de beslissingen separaat van elkaar zijn gegeven.

13. Omdat echter het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 6 januari 2012 met geen woord rept van de vordering herroeping, en derhalve de mogelijkheid van behandeling van de vordering herroeping op een afzonderlijke zitting (waarvan dan het proces-verbaal in de stukken van het geding zou ontbreken) niet onmiddellijk viel uit te sluiten, kwam het mij dienstig voor daarover inlichtingen in te winnen bij de secretaris van de strafkamer van (inmiddels) de Rechtbank Midden-Nederland. Diens schriftelijk antwoord d.d. 19 mei 2014 houdt in dat de vordering herroeping gelijktijdig met de strafzaak is behandeld op de terechtzitting van 6 januari 2012, dat naar alle waarschijnlijkheid abusievelijk in het zittingsverbaal is verzuimd om ook melding te maken van hetgeen op de terechtzitting met betrekking tot de vordering herroeping is besproken en dat ten aanzien van de vordering herroeping een afzonderlijke beslissing is opgemaakt.

14. Mede op deze informatie is mijn verdere beschouwing gebaseerd.

15. In het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 3 juni 2013 wordt onder meer het volgende vermeld:

“De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de niet verschenen getuigen en voert daartoe het woord, zakelijk weergegeven:

(…)

Dan speelt er nog het dilemma met betrekking tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Ik wil dat vandaag ook nog bespreekbaar maken.

Ik vrees dat het doorloopt in geval van een aanhouding. Het is in het belang van mijn cliënt om het vandaag te bespreken.

De voorzitter deelt mede dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is in de zaak met parketnummer 16/601028-11. Dit parketnummer ziet op de beslissing van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De raadsvrouw voert het woord, zakelijk weergegeven:

De verdediging is van mening dat cliënt ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

is onterecht opgenomen in een aparte beslissing en niet in het vonnis. De officier van justitie heeft één vordering ingediend, die zowel gebaseerd was op de

overtreding van de algemene als op grond van de bijzondere voorwaarde. Volgens artikel 361a van het Wetboek van Strafvordering dient de rechtbank dit in het vonnis op te nemen.

De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken en voert daartoe het woord, zakelijk weergegeven:

Ik heb de schriftuur gelezen. Ik heb gelezen wat de raadsvrouw heeft geschreven over de beslissing op de vordering tot herroeping. De raadsvrouw heeft het uitvoerig gemotiveerd. Zij heeft daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad. Ik ben met haar van mening dat de rechtbank dit punt ten onrechte niet heeft opgenomen in het vonnis. Wat mij betreft is de raadsvrouw ontvankelijk in haar hoger beroep.

Daarnaast verzet ik mij niet tegen het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de zaak.

(…)

De voorzitter deelt mede dat het hof zich niet zal uitlaten over uitlatingen aan de kant van de verdediging gericht aan de advocaat-generaal en trekt zich terug voor het houden van beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof verdachte niet-ontvankelijk verklaart in het hoger beroep met parketnummer 16/710907-08 dat ziet op de beslissing van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Bij beslissing van 20 januari 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat verdachte niet heeft voldaan aan de aan hem gestelde bijzondere voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en staat er gelet op artikel 15j, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing. De voorzitter deelt voorts mede dat deze afzonderlijke beslissing bij eindarrest van de hoofdzaak in het dictum zal worden opgenomen.”

16. Ingevolge art. 15g Sr kan voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen wanneer de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Als het Openbaar Ministerie tot een dergelijk oordeel is gekomen, dient het ingevolge art. 15i, tweede lid, Sr onverwijld bij de rechtbank een schriftelijke vordering in tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De vordering bevat de grond waarop zij berust, te weten een algemene grond als bedoeld in art. 15a, eerste lid, Sr en/of een bijzondere grond als bedoeld in art. 15a, tweede en derde lid, Sr.

17. Is de ingediende vordering herroeping op grond van art. 15i, vijfde lid, Sr gelijktijdig met de strafzaak ter zake van de vervolging voor een nieuw strafbaar feit behandeld, dan is art. 361a Sv van toepassing. Deze artikelen luiden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

Artikel 15i Sr

“2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust.(…)

3.

Tot kennisneming van de vordering is bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van het strafbare feit en kan bij gelegenheid van een veroordeling terzake van dat strafbare feit worden toegewezen.

5. (…).

In het geval bedoeld in het derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de zaak gelijktijdig met de behandeling van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd.”

Artikel 361a Sv

“Heeft de officier van justitie tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf of een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.”

18.

Artikel 15i Sr ziet ook op de situatie waarin geen sprake is van gelijktijdige behandeling van hoofdzaak en vordering herroeping. In dat geval is art. 15e, derde t/m zevende lid, Sr betreffende het uitstel of het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling van overeenkomstige toepassing (art. 15i, zevende lid, Sr). Deze beslissing is met redenen omkleed (art. 15j, derde lid, Sr). Belangrijker is echter dat art. 15j, vierde lid, Sr het volgende bepaalt:

Artikel 15j Sr

“4. Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover zij geen deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel open. (…).”

19.

Wat de onderhavige zaak betreft, staat het volgende vast. De rechtbank heeft haar beslissing tot herroeping gebaseerd op de door haar geconstateerde overtreding van de bijzondere voorwaarde voor verzoeker om zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de aangewezen instantie.2 In haar oordeel heeft de rechtbank de algemene aan de vordering verbonden voorwaarde niet betrokken. De vordering herroeping, die tevens ziet op overtreding van de algemene voorwaarde als gevolg van de hierboven onder 6 vermelde inbraak, is op de terechtzitting van de rechtbank van 6 januari 2012 gelijktijdig behandeld met het strafbare feit waarvoor verzoeker in de strafzaak werd vervolgd (de inbraak).

20.

Uit het voorgaande volgt naar mijn mening dat de rechtbank bij haar beslissing herroeping art. 361a Sv had moeten betrekken, in die zin dat het vonnis ook haar beslissing over de vordering herroeping had moeten inhouden. Aan dit voorschrift heeft de rechtbank dus niet voldaan.

21.

De kernvraag is nu of dit verzuim met zich brengt dat verzoeker een (voor hem openstaand) rechtsmiddel is onthouden. De steller van het middel beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat hier beslissend zou zijn de grond waarop de vordering is gebaseerd en niet de beslissing van de rechtbank. Voor deze opvatting bieden de art. 15j, vierde lid, Sr en art. 361a Sv, en ook hun respectieve wordingsgeschiedenis, echter geen steun. Beide artikelen leggen het accent op de beslissing herroeping. Daarover nu het volgende.

22.

Naar luid van art. 15j, vierde lid, Sr staat tegen de beslissing herroeping van de rechtbank geen rechtsmiddel open, tenzij de beslissing deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Om te achterhalen wat de wetgever met ‘deel uitmaken van’ bedoelt, heb ik de wetsgeschiedenis geraadpleegd. Deze exercitie heeft mij niet echt iets wijzer gemaakt. Alleen in de MvT bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot invoering van de Wet van 6 december 2007, Stb. 500 (i.w.tr. op 1 juli 2008) wordt met betrekking tot (concept-)art. 15i Sr opgemerkt:

“Indien de behandeling van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet gelijktijdig geschiedt met de behandeling van een tegen de betrokkene ingestelde strafvervolging, zijn dezelfde regels van toepassing op de behandeling door de rechtbank van de vordering tot herroeping […] als de regels met betrekking tot de vordering tot uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling”.3

23.

Ik interpreteer voormelde MvT en het vierde lid van art. 15j Sr aldus, dat als sprake is van gelijktijdige behandeling van de vordering herroeping met een tegen de betrokkene ingestelde strafvervolging en als de beslissing herroeping deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit, de betrokkene over het rechtsmiddel van hoger beroep beschikt. Nu de keuze voor gebruikmaking van het ‘deel uitmaken van’ in de parlementaire stukken met betrekking tot art. 15i Sr niet nader is uitgelegd, meen ik dat niet bedoeld is aan dit wettelijk bestanddeel een specifiek juridische inhoud te geven en dat daaraan de betekenis naar gewoon Nederlands spraakgebruik toekomt, dat wil zeggen dat de beslissing herroeping tot het vonnis behoort. Dat dan hoger beroep tegen het gehele vonnis mogelijk is, past in ons wettelijk systeem waarin voor partieel hoger beroep geen plaats is (art. 407, eerste lid, Sv).4

24.

Wat art. 361a Sv betreft, dient nog te worden gewezen op het, ook door de steller van het middel aangehaalde, arrest van HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495, NJ 1997/721. De kantonrechter had in strijd met het in de toen voorliggende zaak toepasselijke art. 361a Sv zijn beslissingen op de ingediende vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling niet in het vonnis opgenomen. De Hoge Raad oordeelde dat ook indien art. 361a Sv ten onrechte niet is toegepast, gelet op art. 14j, eerste lid, Sr – inhoudend onder meer dat rechterlijke beslissingen omtrent deze vorderingen, voor zover zij geen deel uitmaken van uitspraken ter zake van andere strafbare feiten, niet aan enig rechtsmiddel zijn onderworpen - tegen een zodanige beslissing hoger beroep openstaat.

25.

Op grond van het voorgaande kom ik tot een afsluiting. De vordering herroeping is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen verzoeker. In dat licht heeft de rechtbank ten onrechte geen toepassing gegeven aan art. 361a Sv. De beslissing herroeping had deel moeten uitmaken van haar uitspraak ter zake van het strafbaar feit waarvoor verzoeker in de strafzaak werd vervolgd en had dus in het vonnis moeten worden opgenomen. Dat de rechtbank dit heeft nagelaten mag niet in het nadeel van verzoeker ertoe leiden dat hij niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wordt verklaard. Aldus versta ik ook het arrest van HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495, NJ 1997/721. Een andersluidende uitleg zou tot de mijns inziens onaanvaardbare consequentie leiden dat door een verzuim te dezen van de rechter in eerste aanleg, de betrokkene een hem op grond van art. 15j, vierde lid, Sr geboden rechtsmiddel wordt onthouden, waarbij geen betoog behoeft dat de betrokkene een in rechte te respecteren belang heeft bij het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep en een tweede beoordeling van de vordering herroeping door een hogere gerechtelijke instantie.

26.

Ik meen dan ook dat het Hof ten onrechte verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep voor zover dat ziet op de beslissing herroeping van de rechtbank op de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie.

27.

Het middel treft doel.

28.

Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

29.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het niet-ontvankelijk verklaren van verzoeker in het hoger beroep voor zover dat ziet op de beslissing van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 16/710907-08 en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het betreft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van drie jaren (parketnummer 16/710907-08) en een gevangenisstraf van vier maanden (parketnummer 15/700322-08).

2 Vgl. art. 15a, derde lid onder 4º, Sr.

3 Kamerstukken II 2005/06, 30 513, nr. 3, p. 25.

4 Iets anders is dat het voortbouwend appel is geïntroduceerd, waardoor de behandeling van de zaak in hoger beroep kan worden beperkt tot de betwiste punten.