Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1375

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
12/04862
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2746, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 94a.3 en 4 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823. De Rb. heeft blijkens zijn overweging t.a.v. het salaris dat in de periode vanaf juni 2009 tot 31 januari 2012, uit hoofde van een arbeidsovereenkomst bij een van de coffeeshops van X, aan klaagster - die in die periode met X een relatie onderhield - is betaald, geoordeeld dat “van een schijnconstructie gesproken kan worden”. V.zv. de Rb daarmee tevens als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zich hier de situatie van art. 94a.3 Sv voordoet, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. De Rb heeft voorts t.a.v. de aan klaagster betaalde uitkering uit de overwaarde van een woning, geoordeeld dat “de klaagster wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitwinning van het geld onder X zou worden gefrustreerd”. Hierin ligt als oordeel besloten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de uitkering aan de klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen. Dit oordeel behoeft nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04862 B

Zitting: 3 juni 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 28 augustus 2012 het door klaagster ingediende klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard en de teruggave aan klaagster gelast van een bedrag van € 12.500,- en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klaagster heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel keert zich tegen de gedeeltelijke ongegrondverklaring van het door klaagster ingediende klaagschrift dat zich keerde tegen een op grond van art. 94a lid 3 en lid 4 (oud) Sv gelegd “anderbeslag”.

4.2. De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

“Uit het behandelde ter zitting en uit de stukken is gebleken, dat de klaagster gedurende een aantal jaren een relatie heeft gehad met de in de strafzaak onder parketnummer 10/600203-08 genoemde verdachte [betrokkene]. De klaagster heeft gedurende de periode waarin zij een relatie onderhield met [betrokkene], van deze gelden geschonken gekregen en werd in haar levensonderhoud voorzien door hem. Zij beschikte over een PGB voor haar zoon, dat naar de rechtbank begrijpt gedeeld werd met de vader en de zoon, bij wie die zoon ook regelmatig verbleef.

In de periode vanaf juni 2009 tot 31 januari 2012 is aan de klaagster een nettosalaris betaald van circa € 3.300,00 per maand uit hoofde van een arbeidsovereenkomst van de klaagster bij een van de coffeeshops van [betrokkene]. In zijn totaliteit zou de klaagster circa € 105.600,00 hebben ontvangen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden dat de klaagster, die slechts twee uren per dag werkzaamheden in de coffeeshop van [betrokkene] verrichtte, een met dat salaris enigszins overeenkomende arbeidsprestatie leverde. Met de officier van justitie is de rechtbank van mening dat hier dan ook van een schijnconstructie gesproken kan worden. Ook de uitkering van het bedrag van € 50.000,00 uit de overwaarde van de woning aan de [b straat] te [woonplaats], die naar het zich laat aanzien onverplicht was, althans achteraf pas in een overeenkomst is vastgelegd, wekt de schijn dat de klaagster wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitwinning van het geld onder [betrokkene] zou worden gefrustreerd.”

4.3. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat uit de overwegingen van de Rechtbank niet kan worden afgeleid dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het geld aan klaagster is gaan toebehoren met als kennelijk doel de uitwinning van het geld onder [betrokkene] te bemoeilijken of te verhinderen, noch dat klaagster dit wist dan wel redelijkerwijs kon vermoeden.

4.4. In een geval als het onderhavige, waarin als vaststaand kan worden aangenomen dat de voorwerpen waarop beslag is gelegd toebehoren aan een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zicht richt, zal de rechter “moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet” (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15). De vraag is wat de bedoelde “situatie” precies inhoudt en welke maatstaf de beklagrechter moet hanteren bij de vraag of die situatie zich voordoet. Art. 94a lid 3 (oud) Sv is gewijzigd bij de Wet van 31 maart 2011, Stb 171, die op 1 juli 2011 in werking trad. Ten tijde van het beslag (18 oktober 2011, een probleem van overgangsrecht doet zich dus niet voor) luidde het derde lid als volgt:1

“Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.”

4.5. Wat opvalt, is dat de beoordelingsmaatstaf als het ware in de “situatie” die zich moet voordoen, ingebakken lijkt te zijn. De rechter moet, afgaande op de tekst van art. 94a lid 3 (oud) Sv, niet onderzoeken of er – kort gezegd – sprake is van verhaalsfrustratie, maar of er “voldoende aanwijzingen” zijn dat dit het geval is. De vraag die daarbij rijst, is of de ingebakken beoordelingsmaatstaf ook geldt voor de eis van kwade trouw, die in het voetspoor van de MvT het wetenschapsvereiste pleegt te worden genoemd.2 Moet de beklagrechter vaststellen dat de “ander” wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat er sprake was van verhaalsfrustratie of kan hij zich beperken tot de vraag of er voldoende aanwijzingen in die richting zijn? De in de tekst tussen “verhinderen” en “en” geplaatste komma lijkt erop te duiden dat de maatstaf van de voldoende aanwijzingen alleen voor het vereiste van de verhaalsfrustratie geldt. Steun voor die uitleg is te vinden in de wettekst zoals die voor de wetswijziging van 31 maart 2011 luidde. Het oude art. 94a lid 3 Sv kende geen twee, maar drie vereisten, aangeduid met de letters a, b en c. Onder b was het vereiste van verhaalsfrustratie vermeld, compleet met de “voldoende aanwijzingen” waarvan ook in de huidige tekst wordt gesproken. Bij de onder a en c vermelde vereisten werd niet van “voldoende aanwijzingen” gesproken, zodat die term tekstueel gezien alleen betrekking had op het vereiste onder b. Vermelding daarbij verdient dat het onder c vermelde wetenschapsvereiste, anders dan thans het geval is, geen betrekking had op de verhaalsfrustratie, maar op het onder a vermelde “afkomstvereiste”. De “ander” moet kort gezegd van de criminele herkomst van de verkregen voorwerpen hebben geweten. Het ontbreken van een inhoudelijke samenhang met het vereiste van de verhaalsfrustratie zou wellicht een verschil in beoordelingsmaatstaf kunnen verklaren.

4.6. Uit de geschiedenis van de wijzigingswet van 31 maart 2011 valt niet op te maken dat de wetgever in het “systeem” van art. 94a lid 3 (oud) Sv – volgens welke de “voldoende aanwijzingen” alleen betrekking hebben op het vereiste van de verhaalsfrustratie – wijziging heeft willen brengen. Het tegendeel is eerder het geval. In de MvT (p. 12) wordt de bedoelde terminologie alleen gebezigd bij de vermelding van het gehandhaafde vereiste van verhaalsfrustratie. Met betrekking tot het wetenschapsvereiste wordt gesteld:

“In het voorgestelde artikel 94a, derde lid, Sv wordt daarom, naast het vereiste van verhaalsfrustratie, als voorwaarde gesteld dat de ander wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat voorwerpen aan hem zijn gaan toebehoren met het doel het verhaal bij degene die deze voorwerpen aan hem heeft vervreemd, te frustreren. Hiermee is een wetenschapsvereiste verwoord, waarmee wordt voorkomen dat een derde die te goeder trouw een voorwerp van de verdachte verkrijgt, ten onrechte wordt geconfronteerd met een onder hem gelegd beslag.”

Hierin zou gelezen kunnen worden dat aan de gestelde voorwaarde eerst is voldaan als vaststaat dat de “ander” te kwader trouw was. Betekent dit dat van de beklagrechter een beoordeling ten gronde wordt verlangd? De vraag is hoe een eventueel bevestigend antwoord op deze vraag zich verhoudt tot het summiere karakter dat aan de beklagprocedure ex art. 552a Sv wordt toegedacht. Daarover het volgende.

4.7. Dat de beklagprocedure een summier karakter draagt, betekent volgens de Hoge Raad dat van de beklagrechter niet kan worden gevergd ten gronde te treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure (rov. 2.2 van de hiervoor genoemde beschikking). Daartoe voert de Hoge Raad twee argumenten aan. In de eerste plaats het praktische argument dat het dossier veelal nog niet compleet zal zijn. In de tweede plaats een principieel argument, namelijk dat de beklagrechter niet op de stoel van de strafrechter of de ontnemingsrechter mag gaan zitten. De vraag is of aan het praktische argument in het kader van de vraag of aan de voorwaarden van art. 94a lid 3 (oud) Sv is voldaan, veel gewicht toekomt. Voor zowel de rechtmatigheid van het leggen van het beslag als die van het voortduren van het beslag is een condicio sine qua non dat aan die voorwaarden is voldaan. Als niet (langer) gesproken kan worden van voldoende aanwijzingen dat sprake is van verhaalsfrustratie, is de beslaglegging (of het voortduren daarvan) onrechtmatig. Het zelfde geldt als niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van kwade trouw. Van een en ander moet dus hoe dan ook uit het(incomplete) dossier kunnen blijken.

4.8. Ook bij het gewicht van het principiële argument kunnen vraagtekens worden geplaatst. Over de vraag of aan de voorwaarden die art. 94a lid 3 (oud) Sv stelt, oordeelt immers noch de strafrechter, noch de ontnemingsrechter. Van een vooruitlopen op hun oordeel kan dus geen sprake zijn. Wel is het zo dat de “ander” zijn claim op de voorwerpen (in elk geval3) in de executiefase aan de burgerlijke rechter kan voorleggen en daarbij kan betwisten dat de situatie van art. 94a lid 3 (oud) Sv zich voordoet.4 Het komt mij echter voor dat de taakverdeling tussen beklagrechter en burgerlijke rechter van een andere orde is dan die tussen beklagrechter enerzijds en strafrechter en ontnemingsrechter anderzijds. Die laatste verhouding wordt gekleurd door de in het strafrecht bestaande procesverplichting (die maakt dat aan de strafrechter en de ontnemingsrechter een exclusieve beoordelingsbevoegdheid toekomt). Een dergelijke procesverplichting ontbreekt bij de beslechting van civielrechtelijke geschillen. Daarom is er weinig op tegen dat de beklagrechter door een intensieve toetsing in de fase van het conservatoire beslag geschillen in de fase van het executoriaal beslag zoveel mogelijk voorkomt. Het tegendeel is misschien het geval.

4.9. Iets anders is dat het feit dat de “ander” zich in een latere fase altijd nog tot de burgerlijke rechter kan wenden, de toekenning van een summier karakter aan de beklagprocedure tot op zekere hoogte kan rechtvaardigen. De rechtsbescherming kan, zo is dan de redenering, in de conservatoire beslagfase beperkt worden gehouden omdat de “ander” op wiens voorwerpen beslag is gelegd als het erop aankomt – dat wil zeggen in de executiefase – van de burgerlijke rechter een beoordeling ten gronde kan krijgen. De beperking van de rechtsbescherming is in deze benadering op pragmatische gronden gebaseerd. Tot die pragmatische gronden reken ik dat voorkomen moet worden dat de afhandeling van de hoofdzaak al te zeer wordt opgehouden door zwaar opgetuigde en daardoor tijdrovende beklagprocedures. Daarin kan een rechtvaardiging worden gevonden voor zowel een summiere inrichting van de beklagprocedure (weinig mogelijkheden voor de klager om (tegen)bewijs aan te dragen, bijvoorbeeld door middel van het horen van getuigen), als voor een “marginale” toetsing.

4.10. In dit verband kan gewezen worden op de beoordelingsmaatstaf die volgens de Hoge Raad moet worden aangelegd bij de vraag die aan de toetsing aan art. 94a lid 3 (oud) Sv voorafgaat. Als de klager aanvoert dat hij eigenaar is van de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd, moet de rechter onderzoeken of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt (rov. 2.15 van de eerder genoemde beschikking). Het voordeel van de twijfel krijgt de “ander” in de beklagprocedure dus niet. Pas als er aan zijn eigendomspretentie niet getwijfeld kan worden, slaagt zijn beklag.5 De terughoudende opstelling die hier van de beklagrechter wordt verwacht, kan haar rechtvaardiging mijns inziens niet vinden in de gedachte dat op het oordeel van de burgerlijke rechter niet vooruit mag worden gelopen (hiervoor, punt 4.8). Het feit dat het dossier nog niet compleet hoeft te zijn, kan die terughoudendheid evenmin afdoende verklaren, aangezien de bedoelde maatstaf ook geldt als het vooronderzoek is afgerond (al is niet uitgesloten dat de stand van het onderzoek mede bepalend is voor de vraag wat “redelijke” twijfel genoemd kan worden). Op de gedachte dat de beklagprocedure bedoeld is als een vorm van eerste hulp bij ongelukken kan een terughoudende beoordeling wel worden gebaseerd.

4.11. Waartoe leidt dit alles? In elk geval tot de vaststelling dat met het summiere karakter dat de beklagprocedure kenmerkt, ook als het om de bescherming gaat van de rechten van anderen dan degene tegen wie het strafrechtelijke onderzoek zich richt, moeilijk te rijmen valt dat de beklagrechter ten gronde moet beoordelen of aan het in art. 94a lid 3 (oud) Sv gestelde wetenschapsvereiste is voldaan. Voor het standpunt dat zulks ook niet als bedoeling van de wetgever behoeft te worden aanvaard, pleiten drie aanvullende argumenten. Het eerste argument is dat aan de oorspronkelijke opzet van art. 94a lid 3 (oud) Sv – waarin alleen bij de voorwaarde onder b van “voldoende aanwijzingen” werd gerept – niet een doordachte keuze ten grondslag lijkt te liggen. Die keuze werd destijds in elk geval niet toegelicht. Lezing van de MvT wekt het vermoeden dat de ontwerp-wetgever bij het vereiste van de verhaalsfrustratie (de voorwaarde onder b) beducht was voor bewijsproblemen. Gesteld wordt dat het doel van de schijnconstructie (verhaalsfrustratie) rechtstreeks kan blijken, bijvoorbeeld uit een mededeling van de betrokkene of de ander. Daaraan wordt toegevoegd dat, indien het doel van de constructie niet rechtsreeks blijkt, deze uit de omstandigheden kan worden afgeleid. Daarbij valt volgens de MvT te denken aan het gaan toebehoren van het voorwerp aan de ander zonder dat daarbij sprake is van een reële economische transactie of zonder dat er aan de verkrijging een redelijk economisch motief ten grondslag ligt.6 Het zou kunnen dat de ontwerp-wetgever deze indirecte bewijsvoering een wettelijke basis heeft willen geven door het bestaan van “voldoende aanwijzingen” in de tekst in te vlechten. Om een op een deugdelijk onderscheid berustende keuze gaat het dan echter niet. Ook voor de destijds onder c gestelde wetenschapseis geldt namelijk dat de bewijsvoering hier in de meeste gevallen niet anders dan indirect kan zijn.

4.12. Het tweede argument knoopt aan bij het feit dat art. 94a lid 3 (oud) Sv zoals gezegd het zogenaamde afkomstvereiste kende, waarop de “voldoende aanwijzingen” geen betrekking hebben. Als dat zou betekenen dat de beklagrechter ten gronde moest beoordelen of de inbeslaggenomen voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn van het misdrijf waarop – kort gezegd – de strafvervolging betrekking heeft, dan impliceert dit dat hij moet vaststellen dat het bedoelde misdrijf is gepleegd, hetgeen niet alleen op gespannen voet staat met de onschuldpresumptie, maar ook meebrengt dat op het oordeel van de strafrechter in ver gaande mate wordt vooruitgelopen. Dat kan de wetgever niet hebben bedoeld.

4.13. Het derde argument heeft betrekking op de wettekst na de wijziging van 31 maart 2011. Daarin is het wetenschapsvereiste zoals gezegd betrokken op het vereiste van verhaalsfrustratie. De vaststelling dat de “ander” van die verhaalsfrustratie afwist, impliceert dat van verhaalsfrustratie sprake was. Als dus ten gronde moet worden beoordeeld of aan het wetenschapsvereiste is voldaan, moet ook ten gronde worden beoordeeld of zich verhaalsfrustratie voordeed. Een strengere beoordelingsmaatstaf bij het wetenschapsvereiste is dus niet goed denkbaar.

4.14. Dit alles brengt mij tot de slotsom dat van de beklagrechter bij de vraag of aan de voorwaarden van art. 94a lid 3 (oud) Sv is voldaan, geen beoordeling ten gronde wordt verwacht. Ook meen ik dat er onvoldoende reden is om wat de aan te leggen beoordelingsmaatstaf betreft, onderscheid te maken tussen de beide gestelde voorwaarden. Ook voor het wetenschapsvereiste geldt derhalve dat met de vaststelling het bestaan van “voldoende aanwijzingen” kan worden volstaan. Dat betekent niet dat aan die vaststelling geen serieuze eisen zouden moeten worden gesteld. Voor ogen moet worden gehouden dat art. 94a lid 3 (oud) Sv betrekking heeft op de situatie dat buiten redelijke twijfel staat dat de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd, in eigendom toebehoren aan een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zich richt. Dat maakt dat, zoals in de wettekst tot uitdrukking is gebracht, beslaglegging slechts in betrekkelijk uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd kan worden geacht. Bij dat gegeven past dat zorgvuldig wordt vastgesteld of zich de bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet. De zorg die uit de wetsgeschiedenis voor mogelijke bewijsproblemen spreekt, lijkt te bevestigen dat de wetgever een indringende toetsing voor ogen heeft gestaan.

4.15. Aan de tekst van de wet, de wetsgeschiedenis en de ratio legis zou dan ook geen recht worden gedaan als zou worden aangenomen dat de beklagrechter slechts heeft te onderzoeken of buiten redelijke twijfel staat dat geen sprake is van verhaalsfrustratie en dat de klager niet te kwader trouw was. Een dergelijk negatief criterium verdraagt zich slecht met de wettekst, die de positieve vaststelling van het bestaan van voldoende aanwijzingen vereist. Ik zou willen verdedigen dat in die positieve vaststelling een tweeledige eis besloten ligt. In de eerste plaats moeten de feiten die aan de basis liggen van het oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn, aannemelijk zijn geworden. In de tweede plaats moeten die feiten aanwijzingen opleveren die zo concreet zijn, dat op grond daarvan het sterke vermoeden gewettigd is dat het doel was om het verhaal te frustreren en dat de klager dat wist of had kunnen weten. Verdedigbaar is daarbij dat het begrip “voldoende aanwijzingen” een dynamisch karakter draagt in die zin dat wat “voldoende” mag heten, afhankelijk is van de stand van het onderzoek en van het tegenbewijs dat door de klager wordt aangedragen. Wat op het moment van de beslaglegging aan aanwijzingen volstaat, hoeft dat tegen de tijd dat het dossier is gecompleteerd niet meer te zijn.

4.16. Terug naar de onderhavige zaak. Onder klaagster is op grond van art. 94a lid 3 (oud) Sv beslag gelegd op bankrekeningen. In de bestreden beschikking stelt de Rechtbank niet vast om welk totaalbedrag het daarbij gaat. Wel vermeldt zij als standpunt van de officier van justitie dat op een van de rekeningen een saldo staat van € 31.400,00 en dat de andere rekeningen een “beperkt saldo” hebben. Het kan ervoor gehouden worden dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat het totaalbedrag dat met het beslag op de vorderingen is gemoeid, (aanzienlijk) lager is dan de optelsom van de door haar genoemde bedragen aan salarisbetalingen (circa € 105.600,00) en geschonken overwaarde (€ 50.000,00).

4.17. Voor zover in het middel de klacht gelezen kan worden dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de schenkingen en betalingen voor levensonderhoud waarvan zij gewag maakt, zijn gedaan met het doel om de uitwinning te verhinderen en dat klaagster daarvan op de hoogte was, geldt dat die klacht feitelijke grondslag mist. De Rechtbank heeft kennelijk alleen de salarisbetalingen en de schenking uit de overwaarde van de woning aan de [b straat] als een schijnconstructie aangemerkt.

4.18. Voor zover het middel erover klaagt dat de Rechtbank ten aanzien van deze laatste bedragen niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd, faalt het eveneens. Weliswaar volstaat de Rechtbank er in de hiervoor onder 4.2 aangehaalde passage mee de salarisbetalingen als een schijnconstructie aan te merken zonder daarbij vast te stellen dat die schijnconstructie ten doel had om het verhaal op het vermogen van [betrokkene] te frustreren en dat klaagster dat wist of kon vermoeden, maar een en ander heeft de Rechtbank kennelijk geacht besloten te liggen in de diskwalificatie van die betalingen als een schijnconstructie. Ik wijs erop dat de Rechtbank overweegt dat “ook” de schenking uit de overwaarde de schijn wekt dat klaagster wist of althans redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitwinning van het goed zou worden gefrustreerd. Ik wijs er voorts op dat de Rechtbank voorafgaand aan de geciteerde passage met zoveel woorden overweegt dat bij een conservatoir anderbeslag, waarvan in casu sprake is, moet worden beoordeeld of het beslag voldoet aan de in art. 94a lid 3 en 4 (oud) Sv gestelde vereisten, kort gezegd dat van verhaalsfrustratie en van wetenschap. Dat de Rechtbank niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd, kan derhalve niet voor juist worden gehouden.

4.19. Een andere vraag is of het oordeel van de Rechtbank dat er voldoende aanwijzingen bestaan waaruit afgeleid kan worden dat het doel van de schijnconstructies verhaalsfrustratie was en dat klaagster daarvan afwist of dat althans kon vermoeden, begrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. In dit verband is niet zonder belang dat de advocaat in zijn schriftelijke reactie op het verweerschrift en bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer naar voren heeft gebracht dat het er uiteindelijk niet om gaat of sprake is van schijnconstructies, maar dat getoetst dient te worden aan de vereisten die in art. 94a lid 3 (oud) Sv worden genoemd. Daaraan voegde hij in de bedoelde reactie “ten overvloede” toe dat het OM in het verweerschrift eigenlijk steeds argumenten aandraagt die zien op een mogelijke verdenking van klaagster als medepleger van witwassen van de gelden die [betrokkene] door illegale drugshandel zou hebben verkregen. De advocaat bracht aldus uitdrukkelijk onder de aandacht van de Rechtbank dat de ene schijnconstructie de andere niet is. Schijnconstructies kunnen ook worden opgezet met een ander doel dan verhaalsfrustratie. Gelet daarop had van de Rechtbank juist op dit punt een nadere motivering mogen worden verwacht.

4.20. Aan het verweerschrift van het openbaar ministerie is een proces-verbaal van bevindingen in verband met klaagschrift van 18 april 2012 gehecht. Dit proces-verbaal houdt ten aanzien van de dienstbetrekking van klaagster in dat [betrokkene] de financiering van een pand aan de [b straat] te [woonplaats] niet rond kon krijgen, dat klaagster daarom het pand moest kopen, dat zij voor de aankoop een hypotheek van € 400.000,- nodig had, dat zij daarvoor een vast inkomen nodig had en dat zij daarom in dienst kwam bij een coffeeshop van [betrokkene]. De dienstbetrekking ving aan in juni 2009. Uit een afgeluisterd telefoongesprek van mei 2009 blijkt dat klaagster maar twee uur per dag zal gaan werken en uit latere telefoongesprekken volgt dat klaagster nauwelijks werkzaamheden verricht.

4.21. Voornoemd proces-verbaal van bevindingen houdt ten aanzien van de verkoop van het pand aan de [b straat] te [woonplaats] in dat bij de verkoop in 2011 een winst van € 700.000,- is behaald, dat daarvan een bedrag van € 50.000,- ten goede is gekomen van klaagster en dat de rest voor [betrokkene] is en dat tussen [betrokkene] en klaagster (achteraf) een overeenkomst is gesloten waarin is vastgelegd dat aan klaagster de helft van de bij de verkoop behaalde winst toekomt, met een maximum van € 50.000,-.

4.22. In het licht van deze feiten is het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van schijnconstructies niet onbegrijpelijk. Anders is het met haar oordeel dat die schijnconstructies ten doel hadden uitwinning van de door klaagster verkregen geldsommen te bemoeilijken of te verhinderen, laat staan dat klaagster van dat doel heeft geweten of dat redelijkerwijze had moeten vermoeden. Concrete aanwijzingen in die richting zijn door de Rechtbank niet vastgesteld, terwijl de gedingstukken dat gebrek niet kunnen verhelpen. De in het genoemde proces-verbaal van bevindingen gerelateerde feiten wijzen er veeleer op dat de schijnconstructies een ander doel hadden. Te denken valt aan het oplichten van de bank, die op oneigenlijke gronden tot hypotheekverstrekking lijkt te zijn bewogen en aan witwassen. Dat de klaagster, op wier naam het pand werd aangekocht, slechts een klein deel van de gigantische overwaarde kreeg toebedeeld, zou het vermoeden kunnen wekken dat de aankoop van bedoeld pand onderdeel vormde van een witwasoperatie waaraan klaagster haar medewerking verleende en waarvoor zij beloond werd met een deel van de winst. Als de klaagster als medepleger of medeplichtige was aangemerkt en op grond daarvan vervolgd, had dat wellicht een toereikende grond opgeleverd voor beslaglegging. Nu het openbaar ministerie daarvoor kennelijk (vooralsnog7) onvoldoende grond aanwezig heeft geoordeeld, gaat het niet aan om de mogelijke verdenking via de band van art. 94a lid 3 (oud) Sv uit te spelen. Dat riekt zelfs naar een schijnconstructie. Dat het doel verhaalsfrustratie was, lijkt een voorstelling van zaken die niet met de werkelijkheid strookt.

4.23. Mijn conclusie is dat de Rechtbank onvoldoende blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet.

5. Het middel slaagt derhalve.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Art. 94a Sv is opnieuw gewijzigd bij Wet van 26 juni 2013, Stb. 278 (inwerkingtreding 1 januari 2014). Bij deze laatste wijziging is een nieuw derde lid ingevoegd inhoudende, kort gezegd, dat conservatoir beslag mogelijk is tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen maatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Het oude derde lid is vernummerd naar het vierde lid en aangepast in die zin dat ook anderbeslag mogelijk is indien het voorwerpen betreft die toebehoren aan een ander dan degene aan wie een maatregel als bedoeld in art. 36f Sr kan worden opgelegd.

2 Kamerstukken II, 2009-2010, 32194, nr. 3, p. 12.

3 Borgers (Melai-Groenhuijsen, aant. 5.4 op art. 574) stelt dat art. 708 lid 2 Rv, dat geschreven is voor de conservatoire fase van het beslag, ook van toepassing is op het beslag ex art. 94a Sv.

4 Zie art. 574 lid 3 Sv. Daarover Borgers in: Melai-Groenhuijsen, aant 5 op art. 574.

5 Daaruit mag overigens niet de conclusie worden getrokken dat het geoorloofd is om in het wilde weg conservatoir beslag te leggen en dat beslag te handhaven zolang er niet een klager opstaat ten aanzien van wie geldt dat buiten redelijke twijfel staat dat het desbetreffende voorwerp zijn eigendom is. Het leggen van conservatoir beslag is, even afgezien van art. 94a lid (oud) 3 Sv, alleen rechtmatig als het redelijk vermoeden bestaat dat de desbetreffende voorwerpen toebehoren aan degene tegen wie het onderzoek zich richt. Het door de Hoge Raad voorgeschreven criterium moet tegen die achtergrond begrepen worden. Met dat criterium worden twee vliegen in een klap geslagen. Als buiten redelijke twijfel staat dat de voorwerpen eigendom zijn van de klager, is het redelijk vermoeden van tafel dat het om spullen gaat van de verdachte of de veroordeelde. Bovendien wordt door de eis dat buiten redelijke twijfel moet staan dat de klager eigenaar is van de voorwerpen, voorkomen dat die voorwerpen aan de verkeerde persoon worden teruggegeven.

6 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 079, nr. 3, p. 18.

7 Tijdens de raadkamerbehandeling schermde de officier van justitie wel met de mogelijkheid dat het beslag ten laste van klaagster zou worden gelegd.