Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1313

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
13/00690
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2646, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie tegen vrijspraak. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480 m.b.t. de selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tlgd. bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat bij deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tlgd., met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet i.v.m. een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat. ’s Hofs oordeel dat niet w+o kan worden bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte aanwezig zijn geweest bij de tlgd moord en/of poging tot moord en evenmin dat verdachte en zijn medeverdachte opzet hadden op het medeplegen van deze delicten of op het behulpzaam zijn daarbij, is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/00690

Zitting: 13 mei 2014

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 18 september 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens onder 3 ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, onder 4 ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd’ en onder 5 ‘medeplegen van witwassen; meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

  2. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. De zaak hangt samen met die tegen [medeverdachte 2], nr. 12/05092, waarin ik vandaag eveneens concludeer. De zaak hangt eveneens samen met die tegen [medeverdachte 1], nr. 13/00689, waarin de in art. 433, eerste lid, Sv, voorgeschreven aanzegging nog niet heeft plaatsgevonden.

  3. Namens de verdachte is het cassatieberoep tegengesproken door mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse. De benadeelde partij heeft laten weten geen rechtsklachten te hebben over de beslissing van het hof ‘betreffende onze ingediende vordering, aangezien er een vrijspraak was en het Hof dus niets heeft besloten aangaande deze vordering.’

  4. In cassatie zijn niet de feiten aan de orde waarvoor de verdachte door het hof is veroordeeld maar waarvan hij is vrijgesproken: de moord op [slachtoffer 1] en poging tot moord op [slachtoffer 2]. De rechtbank te Arnhem had de genoemde moord en poging tot moord wel ten laste van de verdachte bewezen verklaard en hem, in combinatie met de opiumdelicten en witwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaren.

  5. Het middel klaagt dat de motivering van de vrijspraak onbegrijpelijk is.

  6. Aan de verdachte is onder 1 en 2 ten laste gelegd dat

‘1.

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2008 tot en met 10 september 2008 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Cuijk, althans op de Rijksweg A73 op het traject van Venlo en/of Cuijk tot en met Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na (kort) tevoren genomen besluit, verdachte en/of verdachtes mededader(s) met een auto, een auto heeft/hebben achtervolgd waarin die [slachtoffer 1] (en/of [slachtoffer 2]) reden/reed en/of (vervolgens) verdachte

en/of verdachtes mededader(s) met vuurwapens meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op de auto waarin die [slachtoffer 1] (met [slachtoffer 2]) reed/reden en/of met vuurwapens meerder kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 1] (en/of [slachtoffer 2]), waarna een of meerdere kogels/projectielen die [slachtoffer 1] in het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geraakt en/of in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] is/zijn binnengedrongen, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 9 september 2008 tot en met 10 september 2008 te Nijmegen,in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Cuijk, althans op de Rijksweg A73 op het traject van Venlo en/of Cuijk tot en met Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het levenheeft/hebben beroofd, hierin bestaande dat [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979)en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na (kort) tevoren genomen besluit, met een auto, een auto heeft/hebben achtervolgd waarin die [slachtoffer 1] (en/of [slachtoffer 2]) reden/reed en/of (vervolgens) [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) met vuurwapens meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op de auto waarin die [slachtoffer 1] (met [slachtoffer 2]) reed/reden en/of meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 1] (en/of [slachtoffer 2]), waarna een of meerdere kogels/projectielen die [slachtoffer 1] in het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geraakt en/of in het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] is/zijn binnengedrongen, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 9 september 2008 tot en met 10 september 2008 te Berghem en/of te Oss en/ofte Amsterdam en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest te weten door een peilbaken en/of plaatsbepalingsapparatuur aan te schaffen en/of te kopen en/of door een peilbaken en/of plaatsbepalings-apparatuur aan die [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en)te verschaffen en/of te verstrekken en/of aan [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) de wetenschap/inlichtingen te verschaffen dat die [slachtoffer 1] (en/of [slachtoffer 2]) in de avond naar het casino in Venlo gingen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2008 tot en met 10 september 2008 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Cuijk, althans op de Rijksweg A73, op het traject van Venlo en/of Cuijk tot en met Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit verdachte en/of verdachtes mededader(s) met een auto, een auto heeft/hebben achtervolgd waarin die [slachtoffer 2] (met [slachtoffer 1]) reed/reden en/of (vervolgens) verdachte en/of verdachtes mededader(s) met vuurwapen(s) meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op de auto waarin die [slachtoffer 2] (met [slachtoffer 1]) reed, en/of meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 2] (en/of [slachtoffer 1]) waarna die [slachtoffer 2] (aan het hoofd) geraakt werd door een of meer kogels/projectielen, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 9 september 2008 tot en met 10 september 2008 te Nijmegen, in elk geval in de gemeente Nijmegen en/of te Cuijk, althans op de Rijksweg A73 op het traject van Venlo en/of Cuijk tot en met Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn/hun mededader(s), althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit met een auto, een auto heeft/hebben achtervolgd waarin die [slachtoffer 2] (met [slachtoffer 1]) reed/reden en/of (vervolgens) [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) met vuurwapen( meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op de auto waarin die [slachtoffer 2] (met [slachtoffer 1]) reed, en/of meerdere kogels/projectielen heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 2] (en/of [slachtoffer 1]) waarna die [slachtoffer 2] (aan het hoofd) geraakt werd door een of meer kogels/projectielen, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 9 september 2008 tot en met 10 september 2008 te Oss en/of te Berghem en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest te weten door een peilbaken en/of plaatsbepalingsapparatuur aan te schaffen en/of te kopen en/of een peilbaken en/of plaatsbepalingsapparatuur aan die [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer andere(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) te verstrekken en/of te verschaffen en/of aan [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum]/1979) en/of een of meer ander(n) (onbekend gebleven) perso(o)n(en) de wetenschap/inlichtingen te verschaffen dat [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in de avond naar het Casino in Venlo gingen.’

7. Het hof heeft de verdachte van beide feiten vrijgesproken en daartoe in zijn arrest het navolgende overwogen:

‘Aan verdachte is onder 1 primair het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en subsidiair medeplichtigheid aan die moord ten laste gelegd. Onder 2 is hem primair het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 2] en subsidiair de medeplichtigheid aan die poging tot moord ten laste gelegd.

De advocaat-generaal heeft zowel ten aanzien van het onder 1 primair als het onder 2 primair aan verdachte ten laste gelegde gerequireerd tot bewezenverklaring en tot veroordeling van verdachte.

Verdachte heeft elke betrokkenheid bij deze feiten ontkend.

De beoordeling door het hof.

Het hof bespreekt hierna zowel de moord op [slachtoffer 1] als de poging tot moord op [slachtoffer 2] in de zaken van de beide verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat beide verdachten zich gezamenlijk aan bedoelde feiten schuldig zouden hebben gemaakt. De overwegingen hebben daarom op hen allebei betrekking. Daarbij worden verdachten verder ook [verdachte] en [medeverdachte 1] genoemd.

Vaststaande feiten.

Bij de beoordeling gaat het hof uit van de hierna te vermelden vaststaande feiten. Daarbij overweegt het hof dat het uitsluitend gaat om die feiten, waarover vanwege het daarnaar gedane onderzoek over de juistheid van de corresponderende bewijsmiddelen geen enkele discussie kan bestaan. Het hof stelt - met dit uitgangspunt- de volgende vaststaande feiten vast:

- [slachtoffer 1] is op 10 september 2008 om ongeveer 02.49 uur doodgeschoten op de Rijksweg A73 bij Malden/Nijmegen. Daarbij is [slachtoffer 2], die de auto (een Ford Escort met kenteken [AA-00-AA]) bestuurde waarin [slachtoffer 1] als passagier aanwezig was, gewond geraakt door een schampschot.

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren in de avond van 9 september 2008 samen naar het casino in Venlo gereden om te gaan gokken. [verdachte] wist dat [slachtoffer 1] die avond naar dat casino zou gaan.

- Bij onderzoek aan de Ford Escort werd op 12 september 2008 een peilbaken aangetroffen, dat achter aan de onderzijde met een magneetplaat was bevestigd. Het betrof een GPS baken van het merk Trackstar III. Het baken combineert een GPS ontvanger met een GSM-zender. In het baken zat een simkaart van T-Mobile. Het baken ontvangt satellietsignalen waarmee de locatie kan worden bepaald. De locatiegegevens worden via sms doorgestuurd naar een tevoren ingeprogrammeerde telefoon (de zogenaamde tracer). De tracer die bij dit baken hoort was van het merk Palm Treo 680.

- De simkaart van het baken had het nummer 06-[0001] (met bijbehorend imei-nummer [...]). De voorgeprogrammeerde tracer had het nummer 06 [0002] (met bijbehorend imei-nummer [...]).

- Het baken en de tracer vormen tezamen de zogenaamde uitpeilset. Deze set is in de avond van 9 september 2008 door [verdachte] en [medeverdachte 1] opgehaald bij [A] in Amsterdam. De uitpeilset is, ook naar hun eigen zeggen, in elk geval tot 23.15 uur op 9 september 2008 in hun bezit geweest.

- Na hun bezoek aan [A] in Amsterdam zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] naar het voormalige woonadres van [verdachte] aan [a-straat] in [plaats] gereden.

- Op 10 september 2008 om 00.06 uur is geprobeerd om de tracer op te waarderen. Dit mislukte omdat getracht werd dit te doen bij Vodafone, terwijl de simkaart in de tracer afkomstig was van T-Mobile. De poging tot opwaarderen vond plaats onder bereik van de zendmast aan de St. Willibrordusstraat te Berghem. De voormalige woning van [verdachte] aan [a-straat] te [plaats] valt onder het bereik van dezelfde zendmast.

- Gelet op de technische gegevens zijn baken en tracer tot de periode van ongeveer 00.41 uur -01.15 uur onder het bereik van dezelfde opeenvolgende zendmasten geweest (zij stralen in elk geval dezelfde masten aan). Uiteindelijk komen baken en tracer onder het bereik van de zendmast, die ook de parkeerplaats van het casino te Venlo omvat, waar op dat moment de Ford Escort geparkeerd staat. Daarna verwijdert de tracer zich, terwijl het baken onder het bereik van de zendmast bij het casino blijft. Dit betekent dat het baken op 10 september 2008 in het tijdsbestek van 00.41 uur tot 01.15 uur onder de auto van [slachtoffer 1] moet zijn “geplakt”.

- Om ongeveer 02.20 uur verplaatst het baken (en dus de auto van [slachtoffer 1]) zich en blijft niet langer onder het bereik van de zendmast bij het casino. Ter hoogte van de Radioweg te Sambeek komen baken en tracer vervolgens weer onder het bereik van opeenvolgend dezelfde zendmasten .

- Om 02.49 uur komen baken en tracer onder het bereik van de zendmast aan de Weezenhof te Nijmegen. Vanaf 02.51 uur verplaatst het baken zich niet meer. Het baken bevindt zich dan onder het bereik van de zendmast aan de Staddijk te Nijmegen. Onder het bereik van die mast valt de plaats waar de Ford Escort met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot stilstand is gekomen op de Rijksweg A73.

- Uit de gegevens blijkt dat de tracer zich richting Oss/Berghem verplaatst. Via de zendmasten aan de St. Willibrordusstraat te Berghem en de Graafsebaan te Oss komt de tracer uiteindelijk onder het bereik van de zendmast aan de Wapendrager te Oss.

- [medeverdachte 1] had ten tijde van voormelde gebeurtenissen de loods aan de[b-straat 1] te [plaats] gehuurd. De zendmast aan de St. Willibrordusstraat te Berghem en die aan de Graafsebaan te Oss hebben allebei zowel de voormalige woonplaats van [verdachte] aan [a-straat] te [plaats] als de loods aan de[b-straat 1] te [plaats] onder hun bereik.

- Op de Rijksweg A73 wordt op de plaats delict munitie aangetroffen. Het betreft 9 hulzen, 9 mm Parabellum met bodemstempel PMC MRP Geco Luger en 63 hulzen, 9 mm Parabellum met bodemstempel Geco. De kogels zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit twee verschillende vuurwapens: twee Uzi’s. De sporen passen bij het gebruik van 2 patroonhouders in de ene Uzi en twee of drie patroonhouders in de andere Uzi.

- In de door [medeverdachte 1] gehuurde loods aan de[b-straat 1] te [plaats] wordt tijdens de doorzoeking op 21 april 2009 in een latex handschoen munitie aangetroffen. Het betreft 63 patronen: 49 patronen 9 mm Parabellum met bodemstempel Geco Luger en 14 patronen 9 mm Parabellum met bodemstempel PMC Luger.

- In de deskundigenrapportages wordt geconcludeerd dat de matrijssporen/bodem-stempels op vijf van de patroonhulzen van de plaats delict op de Rijksweg A73 overeen komen met de matrijssporen/bodemstempels van 14 patroonhulzen, gevonden in de bewuste loods. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de bodemstempels door dezelfde matrijs zijn aangebracht en dat deze patroonhulzen een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Door één matrijs kunnen vele duizenden tot honderdduizenden bodemstempels worden aangebracht. De waarschijnlijkheid waarmee twee patroonhulzen met dezelfde matrijssporen worden aangetroffen, hangt af van hoeveel patroonhulzen van een bepaalde partij in een land/regio werden geïmporteerd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat van de 63 in de loods aangetroffen patronen er 31 zeer waarschijnlijk in dezelfde patroonhouder zijn geplaatst als 24 van de 73 op de plaats delict op de Rijksweg A73 aangetroffen munitie. Er kan niet worden vastgesteld of de in de loods aangetroffen munitie op de plaats delict is geweest.

- Zowel op de magneetplaat van het onder de Ford Escort aangetroffen baken als op de latex handschoen die in de loods werd aangetroffen en waarin zich voormelde munitie bevond, zijn DNA-sporen aangetroffen. Het deskundigenrapport van IFS vermeldt hierover allereerst dat in het extract van de bemonstering van de magneetplaat DNA is aangetroffen dat door drie personen is gedoneerd. De uitkomst van de DNA-analyses biedt zeer weinig steun voor de hypothese dat betrokkenen - [slachtoffer 1] of [verdachte] of [medeverdachte 1] - DNA hebben bijgedragen aan dit extract. Ook in het extract van de bemonstering van de latex handschoen is DNA aangetroffen dat eveneens door drie personen is gedoneerd. Er is zeer weinig steun voor de hypothese dat betrokkenen [slachtoffer 1] of [verdachte] of [medeverdachte 1] DNA aan dit extract hebben bijgedragen. Het is niet geheel uitgesloten dat voormelde betrokkenen aan de bemonsteringen van de magneetplaat en de latex handschoen hebben bijdragen. Indien dit het geval is, dan hebben zij zo weinig bijgedragen dat een deel van de DNA-kenmerken in hun profielen niet is aangetroffen in de verkregen mengprofielen.

- Uit het onderzoek is gebleken dat de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf 23.15 uur geen enkele zendmast meer aanstralen. Op 10 september 2008 wordt om 02.49 uur met de huistelefoon van het pand [c-straat 1] te [plaats] (de woonplaats van [medeverdachte 1]) met het nummer [0003] gebeld met het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde mobiele nummer 06-[0004]. Er komt geen verbinding tot stand. Op 10 september 2008 om 03.01 en 03.07 uur wordt met het bij de echtgenote van [verdachte] in gebruik zijnde nummer 06-[0005] gebeld naar het bij [verdachte] in gebruik zijnde mobiele nummer 06-[0006]. Er komt geen verbinding tot stand.

- [slachtoffer 1] heeft op 10 september 2008 om ongeveer 02.26 uur vanuit de Ford Escort telefonisch contact gezocht met het mobiele nummer dat in gebruik was bij [betrokkene 1], de man van [betrokkene 2]. [slachtoffer 1] had een geheime liefdesrelatie met [betrokkene 2].

De bewijsoverwegingen:

De kernvraag, waar het hof zich voor geplaatst ziet, luidt: Kan ten aanzien van [medeverdachte 1] en [verdachte] op grond van (onder meer) de vaststaande feiten medeplegen van of medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2] worden aangenomen?

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarbij het volgende.

- Het meest belastende bewijsmiddel tegen verdachten is het in Amsterdam ophalen van peilbaken en tracer. Het in het bezit krijgen van een peilbaken en tracer kan in dit geval op niets anders duiden dan het nastreven van een geheim doel, namelijk het door verdachten of door degenen ten behoeve van wie verdachten de set hebben opgehaald, traceren van iets of iemand die daarvan geen weet heeft.

- Het in hun bezit krijgen van de tracer en het baken (waarvan het laatste op de plaats van het delict onder de auto van het slachtoffer wordt aangetroffen), zou gelet op de omstandigheden van het geval in beginsel als zeer bezwarend voor verdachten kunnen gelden. Maar kan hieruit, mede gezien de overige beschikbare bewijsmiddelen, worden geconcludeerd dat verdachten het (al dan niet voorwaardelijk) opzet hadden op het plegen van een levensdelict (althans op medeplichtigheid daaraan)?

Het hof zal hierna allereerst de belangrijkste overwegingen ten aanzien van het bewijs weergeven. Daarna zal worden ingegaan op een aantal specifieke, door zowel de advocaat-generaal als de verdediging opgeworpen vraagpunten met betrekking tot onderdelen van de bewijsvraag.

- Belangrijk is dat de aanwezigheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] op de plaats en het tijdstip van de schietpartij op de A73 niet kan worden vastgesteld. Er is geen bewijs dat zij op de A73 op plaats en tijd van het plegen van het delict aanwezig zijn geweest en dat zij daar op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geschoten. Er zijn geen getuigen die hen op de plaats delict op het bewuste tijdstip hebben gezien, noch zijn er technische sporen gevonden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat zij feitelijk bij de schietpartij aanwezig zijn geweest en daaraan zouden hebben deelgenomen.

- Een belangrijk -en tijdens de procedure zowel bij de rechtbank als bij het hof veel besproken- aspect van deze strafzaak betreft de in eerste aanleg door de officier van justitie met betrekking tot de uitpeilset naar voren gebrachte redenering -kort weergegeven- “kopen is plakken, plakken is schieten”. In de visie van het openbaar ministerie, ook in hoger beroep, moet worden aangenomen dat de personen die de uitpeilset hebben gekocht, die ook onder de Ford Escort hebben geplakt en dat die personen vervolgens dezelfde zijn als die hebben geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Nu vast staat dat [medeverdachte 1] en [verdachte] die uitpeilset op 9 september 2008 in Amsterdam hebben opgehaald, zou dit in deze redenering moeten leiden tot de vaststelling dat zij ook de daders van de (poging tot) moord zijn.

- Deze redenering veronderstelt allereerst dat vast komt te staan dat er een verband is tussen de aanschaf en het in bezit hebben van de uitpeilset door verdachten en de schietpartij. Daarvoor is van belang dat vastgesteld zou moeten kunnen worden dat verdachten degenen zijn geweest die de uitpeilset op 9 september 2008 ook na 23.15 uur in hun bezit hebben gehouden en het baken bij het casino in Venlo onder de auto van [slachtoffer 1] hebben geplakt. Althans, voor zover zij de set aan een ander zouden hebben gegeven, zou moeten blijken dat deze dan in opdracht van hen zou hebben gehandeld.

- Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is door verdachten aangevoerd dat zij de uitpeilset om ongeveer 23.15 uur aan een derde hebben gegeven. Daarbij is, in een zeer laat stadium (-zij het dat [verdachte] dit al veel eerder schriftelijk aan een toenmalige raadsman zou hebben laten weten en deze zou hebben geadviseerd dit voor zich te houden; de brief die tot bewijs daarvan zou moeten dienen is aan het hof overgelegd-), door verdachten aangegeven dat die derde [betrokkene 2] zou zijn. Zij zou, aldus [verdachte], op verzoek van [slachtoffer 1] het baken bij hem aan [a-straat] in [plaats] zijn komen ophalen. [betrokkene 2], die zoals vermeld een geheime liefdesrelatie met [slachtoffer 1] onderhield, zou het baken kennelijk nodig hebben gehad om in de auto van haar vaste partner, [betrokkene 1], te plaatsen, beweerdelijk om te ontdekken of deze vreemd ging. Om die reden zou [slachtoffer 1] haar eerder ook een telefoon hebben aangeboden waarmee [betrokkene 1] zou zijn af te luisteren. Op de een of andere manier is het baken vervolgens echter onder de auto van [slachtoffer 1] geplaatst, aldus verdachten. Zij wisten daar naar eigen zeggen niets van.

- Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat uit het onderzoek in deze zaak geen bewijs naar voren is gekomen dat [betrokkene 2] de set heeft opgehaald. Het SMS-verkeer met [slachtoffer 1] die dag geeft geen steun voor de veronderstelling dat hij haar opdracht heeft gegeven de set op te halen. Het tegendeel is het geval, aldus de advocaat-generaal. Hij heeft het standpunt ingenomen dat hier sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte over de afgifte van de uitpeilset aan [betrokkene 2]. In zijn optiek versterkt dit het bewijs tegen verdachten.

- De verdediging heeft hiertegen verweer gevoerd. Dit komt er op neer dat als het hof al zou aannemen dat verdachten liegen, hieraan nog niet de conclusie zou mogen worden verbonden dat zij dus schuldig zijn aan de schietpartij. Als verdachten de set niet op verzoek van [slachtoffer 1] zouden hebben opgehaald en aan [betrokkene 2] afgegeven, zou dit met andere woorden de mogelijkheid onverlet laten dat de set aan een ander is afgegeven en dat de aanschaf en het bezit van de uitpeilset mogelijk een ander doel dienden. Zoals bijvoorbeeld het traceren en rippen van wiethokken van [slachtoffer 1]. Dan zou het niet noodzakelijk gaan om het medeplegen van een (poging tot een) levensdelict (of medeplichtigheid daaraan). In dit alternatieve scenario zouden verdachten dan opzet hebben gehad op een ander delict, te weten het stelen van hennep, maar niet op een levensdelict.

- Het hof merkt allereerst op dat de proceshouding van verdachten, waarin deze pas zeer laat in de procedure hebben onthuld aan wie zij tracer en baken zouden hebben afgegeven, verbazing heeft gewekt. Ook lijkt de advocaat-generaal gelijk te hebben dat er geen concreet bewijs is dat [betrokkene 2] de set heeft opgehaald. De mogelijke leugenachtigheid van de desbetreffende verklaring van verdachten, die zou moeten volgen uit de ontkenning door [betrokkene 2] en haar SMS-contacten op 9 september met [slachtoffer 1], leidt echter niet zonder meer tot ontkrachting van het door de verdediging genoemde alternatieve scenario en is daardoor dus nog niet zonder meer redengevend voor het bewijs van het medeplegen van de moord, poging tot moord of medeplichtigheid daaraan. Indien het hof de conclusie van de advocaat-generaal zou overnemen dat hier sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring, maakt dat deze derhalve nog niet tot een bruikbaar bewijsmiddel. Het feit dat verdachten op dit punt zouden liegen, brengt voor het hof evenmin mee dat het mogelijke alternatieve scenario buiten beschouwing zou moeten blijven. Het hof heeft immers een eigen verantwoordelijkheid bij waarheidsvinding.

- In dit verband heeft het hof overwogen of zich hier mogelijk de situatie voordoet dat de lezing van verdachten met betrekking tot het mogelijke doel van de aanschaf van de uitpeilset in opdracht van een ander en de afgifte aan een ander, in het licht van de bewijsmiddelen dermate ongeloofwaardig of onvoorstelbaar is, dat het wel zo moet zijn geweest dat de uitpeilset is aangeschaft met het oog op de liquidatie door of in opdracht van verdachten van [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2], zoals het openbaar ministerie heeft betoogd.

- Het hof trekt die conclusie niet, in het licht van zowel het ontbreken van bewijsmiddelen die verdachten direct verbinden aan plaats en tijd delict als van na te bespreken bewijsmiddelen die ruimte laten voor het scenario dat inderdaad anderen dan verdachten verantwoordelijk zijn voor het gepleegde levensdelict.

- Met betrekking tot het “plakken” van het baken, overweegt het hof dat niet is vast te stellen dat verdachten het baken onder de auto van [slachtoffer 1] hebben bevestigd. Uit niets blijkt dat verdachten in de nacht van 9 op 10 september 2008 bij het casino in Venlo zijn geweest en/of toen het baken onder de auto van [slachtoffer 1] hebben bevestigd. De (ter zitting van het hof bekeken) camerabeelden van 9 en 10 september 2008 van de bewakingscamera’s bij het casino geven geen uitsluitsel, terwijl een bij het casino die nacht aanwezige bewaker ([betrokkene 3], van wie de verklaring pas in hoger beroep bekend is geworden-) geen relevante informatie op dit punt heeft verschaft. De uitkomst van de DNA-analyses van de bemonstering van de magneetplaat biedt voorts “zeer weinig steun” voor de hypothese dat verdachten DNA hebben bijgedragen aan dit extract. Hoewel onbekend is gebleven wie dan wel heeft bijgedragen aan dit DNA, en of dit de daders zijn geweest, is betrokkenheid van andere personen dus niet uit te sluiten.

- Het gegeven dat de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] na 23.15 uur op 9 september 2008 zouden hebben uitgestaan uitgestaan kan naar het oordeel van het hof nog niet met zich brengen dat daarmee zou vast staan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op de plaats delict aanwezig waren en dat zij met het uitzetten van hun telefoons hun aanwezigheid daar zouden hebben willen verhullen. Het uitzetten van mobiele telefoons is immers niet zó uitzonderlijk dat dit op zichzelf al verdacht is en daarvoor geen andere, legitieme, verklaringen bestaan. Ook bijvoorbeeld [betrokkene 1] heeft die nacht zijn telefoon uitgeschakeld. Zeer belastend is dit gegeven op zichzelf dus niet.

- Het hof overweegt voorts dat uit het feit dat de tracer en het baken ter hoogte van de Radioweg te Sambeek weer onder het bereik van opeenvolgend dezelfde zendmasten en tenslotte om 02.49 uur onder het bereik van de zendmast aan de Weezenhof te Nijmegen komen, nog niet noodzakelijkerwijs volgt (zoals door de verdediging is aangevoerd), dat de schoten van uit de auto zijn gelost, waarin de PalmTreo zich bevond. Al lijkt die conclusie voor de hand te liggen, noodzakelijk is zij niet. Aan de hand van de technische gegevens, kan namelijk niet worden vastgesteld op welke afstand de tracer zich van het baken bevond op de momenten dat zij beide dezelfde zendmasten aanstraalden. De zendmasten hebben immers een vrij groot bereik en dat gegeven sluit de mogelijkheid niet uit dat de tracer zich op relatief grote afstand van het baken is blijven bevinden. Evenmin valt vast te stellen of de tracer zich (telkens) voor of achter het baken heeft bevonden. Anders gezegd: niet volledig uitgesloten kan worden dat er zich tussen de tracer en het baken een andere auto heeft bevonden, van waaruit op de Ford Escort is geschoten of zelfs dat op dat moment de tracer voor de Ford Escort uit gereden heeft.

- Het openbaar ministerie hecht groot belang aan de overeenkomsten tussen de in de door [medeverdachte 1] gehuurde loods aangetroffen munitie met de op de plaats delict aangetroffen munitie. Naar het oordeel van het hof kan aan deze omstandigheid echter niet zodanig gewicht worden toegekend, dat mede daarop een veroordeling voor deze feiten kan worden gebaseerd. Allereerst overweegt het hof daartoe, dat niet gebleken is dat de in de loods aangetroffen munitie ook aanwezig is geweest op de plaats van het delict. Dit is van belang, nu de munitie in de loods pas op 21 april 2009, dus ruim een half jaar na de schietpartij, is aangetroffen en niet duidelijk is wanneer die munitie in de loods terecht is gekomen. Voorts is van belang dat aannemelijk is dat bedoelde loods door meer/andere personen dan [medeverdachte 1] en [verdachte] werd gebruikt en de munitie dus ook door andere personen dan de beide verdachten daar kan zijn achtergelaten. Ten derde acht het hof het van belang dat de op de latex handschoen aangetroffen DNA-sporen niet wijzen in de richting van een van beide verdachten, hetgeen wel voor de hand had gelegen als zij de munitie in die handschoen hadden gedaan. Ten vierde wijst het hof op de door de deskundigen aangegeven omstandigheid dat met een matrijs vele duizenden, zo niet honderdduizenden bodemstempels worden aangebracht en dat zonder nadere gegevens, die ontbreken, niet gezegd kan worden dat de in de loods aangetroffen munitie tot de zelfde specifieke aangeschafte partij munitie behoort als de munitie die is aangetroffen op de plaats delict. Ten vijfde overweegt het hof dat uit het deskundigenbericht weliswaar blijkt dat een aantal in de loods aangetroffen patronen in dezelfde patroonhouder hebben gezeten als een aantal van de op de plaats delict aangetroffen hulzen, maar dat uit niets blijkt op welk tijdstip dat zou zijn geweest, noch wie die houder gehanteerd heeft.

- Het vonnis van de rechtbank steunt onder meer op verklaringen van de getuige [betrokkene 5]. De verdediging heeft daartegenover een groot aantal argumenten gesteld waarom deze verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn. Zo zou [betrokkene 5] zijn veroordeeld voor oplichting en heeft de vader van [betrokkene 5], ten overstaan van de raadsheer-commissaris gehoord, diverse verklaringen van zijn zoon met stelligheid ontkend.

- Wat daarvan zij, [betrokkene 5] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 14 juni 2010 verklaard dat hij bij [verdachte] thuis twee wapens heeft gezien. [betrokkene 5] verklaart echter dat hij dacht (cursivering hof) dat het wapen met daaraan een zwarte band een automatisch wapen was. Hij geeft echter niet aan waarom hij dat dacht en verklaart tegelijkertijd dat hij weinig kennis van wapens heeft. Het hof acht de inhoud van die verklaring daarom, bij gebrek aan ander ondersteunend bewijs, van onvoldoende gewicht om er de conclusie aan te kunnen verbinden dat [verdachte] de beschikking had over een of meer Uzi’s. De door de getuige gestelde (en door [verdachte] bestreden) mededelingen van [verdachte] tegenover deze getuige over de manier waarop omgegaan zou moeten worden met Uzi’s en over het daadwerkelijk oefenen met schieten met Uzi’s maken dit niet anders, nu de verklaring van de getuige niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal (bijvoorbeeld technisch bewijsmateriaal zoals DNA).

- De (door verdachte betwiste) verklaring van getuige [betrokkene 5] dat [verdachte] op een tijdstip kort voor de moord op [slachtoffer 1] tegen een onbekend gebleven man met “een Rudi Völler-kapsel” gezegd zou hebben dat [slachtoffer 1] binnenkort wel eens ‘opgeruimd’ zou kunnen worden, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Niemand kan het bestaan van die man bevestigen of weet wie die man geweest zou kunnen zijn, laat staan dat er ondersteunend bewijs is voor wat [verdachte] tegen die man gezegd zou hebben.

- Aan het gegeven dat er op 21 april 2009 tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 4] aan [a-straat 1] te [plaats] een patroon 9 mm Parabellum merk Geco is aangetroffen met daarop DNA van [verdachte] verbindt het hof, anders dan de rechtbank, niet de conclusie dat dit bijdraagt aan het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Immers, niet is komen vast te staan dat deze – op zich veel voorkomende type – patroon iets te maken heeft met de bewuste schietpartij op de A73, dat deze patroon zich in een patroonhouder van één van de bij de schietpartij gebruikte wapens heeft bevonden of dat [verdachte] wel moet hebben beschikt over automatische wapens van het type dat bij de schietpartij is gebruikt. Als de hypothese is dat verdachten de niet gebruikte munitie hebben gedeponeerd in de eerder besproken loods, is immers niet duidelijk hoe deze bij [betrokkene 4] gevonden patroon in die hypothese past.

- Het alternatieve scenario wordt evenmin ontkracht door de mislukte opwaardeerpoging van de set bij Vodafone en door het terugkeren van de tracer naar de mast waarmee hij voor vertrek contact had. Als de daders immers in de omgeving (-in letterlijke en figuurlijke zin-) van verdachten moeten worden gezocht, zijn deze aspecten ook in dat alternatieve scenario verklaarbaar.

Resumerend

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachten aanwezig zijn geweest bij de moord en of poging tot moord op de A73 en dat zij daar hebben geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachten opzet hadden op het medeplegen van het levensdelict of op het behulpzaam zijn daarbij. De bewijsmiddelen zijn – ook in onderlinge samenhang bezien – daarvoor onvoldoende redengevend. Verdachten zijn niet door bewijsmiddelen te koppelen aan plaats en tijd van het delict. Er moet, ook al wordt door het openbaar ministerie aangenomen dat zij de uitpeilset niet aan [betrokkene 2] hebben afgegeven, een te grote stap worden gezet om te concluderen dat zij de set ook na 23.15 uur in hun bezit hebben gehouden, het baken hebben geplakt, de auto met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gevolgd en op hen, na 2.20 uur, hebben geschoten, dan wel dat anderen dat in hun opdracht hebben gedaan of althans dat zij aan deze misdaad medeplichtig zijn geweest.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en de kanttekeningen die daarbij kunnen worden geplaatst, kan een ander scenario waarbij verdachten geen opzet hadden op het plegen van het tenlastegelegde niet als zo ongeloofwaardig worden beoordeeld, dat het alleen daarom al terzijde zou moeten worden geschoven, omdat het niet anders kan zijn dat verdachten de daders of medeplichtigen zijn.’

8. Bij de beoordeling van een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een vrijspraak van een verdachte heeft de Hoge Raad in zijn jurisprudentie vooropgesteld dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter, die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Hierbij geldt dezelfde vrijheid in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, als in het geval dat de feitenrechter tot het oordeel komt dat het tenlastegelegde bewezen kan worden geacht. Die selectie en waardering hoeft de rechter – uitzonderingen daargelaten – niet te motiveren. Het oordeel of een feit al dan niet kan worden bewezen, kan bovendien niet uitsluitend vanwege de omstandigheid dat het beschikbare bewijsmateriaal ook een andere (bewijs)beslissing mogelijk maakt, onbegrijpelijk worden genoemd.1

9. In zijn algemeenheid kan de rechter bij een motivering van een vrijspraak ingevolge art. 359 lid 2 Sv volstaan met een overweging dat hij het feit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Tegen een dergelijke overweging zal een cassatieberoep kansloos zijn. Dat is anders als de vrijspraak ruimer is gemotiveerd, bijvoorbeeld vanwege het motiveringsvereiste van art. 359 lid 2 Sv, omdat van een door het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt afgeweken. Dan kan de motivering op dezelfde manier worden beoordeeld als dat bij andere motiveringen het geval. Bij kwesties van feitelijke aard zoals in deze zaak, zal het aankomen op de begrijpelijkheid van het oordeel, hetgeen in cassatie een marginale toets inhoudt.2

10. Kort samengevat komt de motivering van de vrijspraak in onderhavige zaak erop neer dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte (en/of diens mededader(s)) op de slachtoffers heeft geschoten; de mogelijk onwaarachtige verklaring die de verdachte over de aankoop en afgifte van de peilset heeft gegeven nog niet betekent dat de verdachte (en/of diens mededader(s)) hebben geschoten (waarmee het door het OM ingenomen standpunt ‘kopen is plakken en plakken is schieten’ is verworpen); DNA dat op de peilbaken is aangetroffen niet aantoonbaar van de verdachte is; en er geen overtuigend verband kan worden gelegd tussen de patroonhulzen die op en rond de plaats delict zijn aangetroffen en de patronen die zijn aangetroffen in een loods die door de verdachte werd gebruikt.

11. Cruciaal in onderhavige zaak is of kan worden vastgesteld dat het door verdachte in Amsterdam afgehaalde peilbaken ook door hem aan de auto van de slachtoffers is bevestigd. Door de verdediging zijn alternatieve scenario’s aangedragen waaruit zou moeten volgen dat het niet de verdachte is geweest die bemoeienis heeft gehad met de plaatsing van het peilbaken. Het middel bestrijdt, als ik het goed begrijp, een drietal onderdelen van de motivering van de vrijspraak, die alle deze alternatieve scenario’s betreffen, kort samengevat:

(1) het hof heeft ten onrechte de juistheid van de afgifte van de peilset door de verdachte aan ‘een ander’ in het midden gelaten;

(2) het hof had het tweede alternatieve scenario (dat de uitpeilset niet aan [betrokkene 2] maar aan een andere onbekende derde is afgegeven) buiten beschouwing dienen te laten, nu daarvoor geen enkele steun is en dit tegenstrijdig is met het alternatieve scenario dat de verdachte zelf naar voren heeft gebracht;

(3) de overweging van het hof dat het alternatief scenario niet ‘dermate ongeloofwaardig of onvoorstelbaar is, dat het wel zo moet zijn geweest dat de uitpeilset is aangeschaft met het oog op de liquidatie’, is irrelevant en niet begrijpelijk omdat het bij het alternatieve scenario niet gaat om afgifte aan een willekeurige ander maar om afgifte aan [betrokkene 2], waarvan het hof heeft vastgesteld dat hiervoor geen bewijs is.

12. De steller van het middel kan worden toegegeven dat de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s niet eenduidig zijn maar op meer paarden wedden. Het eerste scenario houdt in dat de peilset enkele uren voor de aanslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is afgegeven aan [betrokkene 2] die daarmee wilde achterhalen of haar echtgenoot, [betrokkene 1], vreemd ging en het subsidiaire scenario houdt in dat het peilbaken met een (geheel) ander doel aan een ander is gegeven bijvoorbeeld voor het traceren en rippen van wiethokken van [slachtoffer 1]. Dit komt erop neer dat gesteld is dat de peilset aan A is gegeven en als dat scenario sneuvelt, de peilset aan een onbekende is gegeven, welk laatste scenario vanzelfsprekend door zijn algemeenheid vrijwel niet te ontzenuwen valt. Voor de verdediging lijkt dit een loterij zonder nieten.

13. Daarbij heeft ook de proceshouding van verdachte kennelijk tot frustratie bij het Openbaar Ministerie geleid. In eerste aanleg heeft de verdachte (en overigens ook diens medeverdachte [medeverdachte 1]) volgehouden dat hij de peilset aan ‘een bekende’ heeft gegeven zonder de naam van die ‘bekende’ te willen noemen, vanwege gevaar voor represailles. Nadat de verdachte door de rechtbank wegens de moord en poging tot moord was veroordeeld, bleek hij wel bereid de naam van die ander te noemen terwijl naar het oordeel van het hof geen aannemelijke verklaring is gegeven waarom de verdachte die naam niet eerder heeft willen noemen. Vervolgens is in hoger beroep nog als tweede alternatieve scenario opgeworpen dat de peilset aan (opnieuw) een ander is gegeven die een ander doel had. Ook het hof vindt dat de proceshouding van de verdachte ‘verbazing heeft gewekt’ (sub 7.3. van de schriftuur).

14. Wat de overwegingen van de verdachte ook geweest mogen zijn en of zijn angst voor mogelijke represailles tegenover hem of zijn familie bij zijn proceshouding een rol hebben gespeeld; dat doet er niet aan af, dat in de kern de vrijspraak niet het gevolg is van een aanvaarding door het hof van een alternatief scenario, maar van het ontbreken van bewijs dat de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde voldoende overtuigend aantoont. Het hof heeft immers overwogen dat het ontkrachten van het alternatieve scenario ‘nog niet zonder meer redengevend [is] voor het bewijs van het medeplegen van de moord, poging tot moord of medeplichtigheid daaraan. Indien het hof de conclusie van de advocaat-generaal zou overnemen dat hier sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring, maakt dat deze [kennelijk leugenachtige verklaring, AG] derhalve nog niet tot een bruikbaar bewijsmiddel.’

15. Hiermee heeft het hof aangegeven dat zelfs als de verklaringen van de verdachte inzake de alternatieve scenario’s leugenachtig zouden zijn, daarmee nog niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Die overweging lijkt mij juist, nu het niet zozeer gaat om het bewijs van een alternatief scenario – en daar lijkt het cassatieberoep met name op te zijn gericht – maar om de omstandigheid dat het aanwezige bewijs zoveel andere alternatieve scenario’s open laat dat het door het OM aangedragen scenario kennelijk niet overtuigend het juiste is. Het hof achtte de bewijssprong ‘in het licht van zowel het ontbreken van bewijsmiddelen die verdachten direct verbinden aan plaats en tijd delict als van na te bespreken bewijsmiddelen die ruimte laten voor het scenario dat inderdaad anderen dan verdachten verantwoordelijk zijn voor het gepleegde levensdelict’, te groot. Het plaatsen van het peilbaken, als er al bewijs zou zijn dat dit door verdachte is gebeurd, staat naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd verband van het daadwerkelijke schieten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Doorgetrokken en enigszins gechargeerd zou de redenering van het OM erop neerkomen dat diegenen die een peilbaken kopen en op een voertuig plaatsen, alleen al op basis hiervan strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de moordaanslag die vervolgens op de inzittenden van dat voertuig wordt gepleegd. Dat het hof dit een te grote sprong acht, vind ik in de onderhavige zaak helemaal niet vreemd. Andere feiten en omstandigheden die die sprong kunnen rechtvaardigen heeft het hof – in tegenstelling tot de rechtbank – niet aanwezig geacht. Over dit laatste wordt in cassatie echter niet geklaagd.

16. Aan de begrijpelijkheid doet ook niet af dat de verdediging verschillende alternatieve scenario’s heeft aangedragen. Voor eventueel kennelijk leugenachtigheid met betrekking tot (één van) die scenario’s geldt naar het oordeel van het hof – mijns inziens terecht – dat dit geen bruikbaar bewijs oplevert van de aan de verdachte ten laste gelegde (medeplichtigheid aan) moord en poging tot moord.

17. Kortom, de overwegingen met betrekking tot de alternatieve scenario’s en de bewijsbeslissing acht ik niet onbegrijpelijk.

18. Rest nog de in het middel betrokken stelling, dat slechts alternatieve scenario’s die grondslag en steun vinden in de verklaring van de verdachte voor een beoordeling door de rechter in aanmerking komen. Deze stelling vindt geen steun in het recht omdat alternatieve lezingen ook steun kunnen vinden in documenten of verklaringen van anderen.

19. Mijn conclusie is dat de motivering van de vrijspraak deze beslissing zonder meer kan dragen, zodat het middel faalt.

20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, r.o. 3.7; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:54 r.o. 2.3.

2 Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafproces, Deventer: Kluwer 2011, p. 753 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 248-250.