Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-05-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
12/05852
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2958, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 249.2.ahf onder 3 Sr, ontucht. In ’s Hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat na de beëindiging van de behandelsessies tussen de aangeefster en de verdachte niet meer een zodanige relatie bestond dat de aangeefster kon worden aangemerkt als “iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd” als bedoeld in art. 249.2.ahf onder 3 Sr, zodat de seksuele handelingen die tussen beiden plaatsvonden niet kunnen worden aangeduid als “ontucht plegen” i.d.z.v. genoemd artikel. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts, in aanmerking genomen dat het zozeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05852

Zitting: 13 mei 2014

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Leeuwarden heeft op 9 november 2012 het vonnis bevestigd van de rechtbank Groningen van 5 december 2011, waarbij verdachte is vrijgesproken van ontucht plegen met iemand die zich als patiënt/cliënt aan zijn zorg of hulp heeft toevertrouwd (art. 249, tweede lid onder 3° Sr).

  2. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het hof, heeft één middel van cassatie voorgesteld. De cassatieschriftuur is schriftelijk tegengesproken door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

  3. Uit de gedingstukken kan in grote lijnen het volgende feitencomplex worden afgeleid. In de zomer van 2006 wendt aangeefster, destijds 41 jaren oud, zich tot verdachte, een transpersoonlijk psychotherapeut, omdat zij vastloopt in haar studie en dingen wil bespreken waar zij tijdens haar opleiding tegenaan is gelopen. In juli en augustus 2006 vinden een intakegesprek en vier behandelsessies plaats, waarna de therapie wordt beëindigd omdat verdachte zich niet de geschikte therapeut voor aangeefster acht. Vervolgens hebben verdachte en aangeefster van september tot en met december 2006 een seksuele relatie, waarbij de seksuele contacten volgens aangeefster op vrijwillige basis plaatsvinden. Drie jaar later doet zij echter aangifte tegen verdachte wegens ontucht, omdat zij zich inmiddels slachtoffer voelt en vindt dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn gezag.

Verdachtes standpunt is kort samengevat dat de hulpverleningsrelatie was beëindigd toen de seksuele contacten hebben plaatsgevonden, dat deze op vrijwillige basis tot stand zijn gekomen en dat geen sprake was van een afhankelijkheidsrelatie.

4. Aan verdachte is ten laste gelegd dat

“hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 augustus 2006 tot en met 31 december 2006, te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer, in elk geval in Nederland, terwijl hij toen (telkens) werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg (als therapeut), meermalen, althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich (telkens) als patiënt en/of cliënt aan verdachte’s hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij (telkens)

- de mond van [slachtoffer] gezoend en/of
- de oorlel van [slachtoffer] met zijn (verdachtes) mond betast/aangeraakt en/of
- terwijl zowel hij als [slachtoffer] gekleed was met zijn penis tegen het achterwerk van [slachtoffer] geduwd/gewreven en/of [slachtoffer] zijn penis laten vastpakken en/of laten aftrekken en/of
- bovenop [slachtoffer] gelegen en/of
- de borst(en) en/of de buik van [slachtoffer] betast/aangeraakt en/of
- zijn (verdachtes) vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht/geduwd
- zijn (verdachtes) tong in de mond van [slachtoffer] gebracht/geduwd”.

5. Blijkens zijn bewoordingen is de tenlastelegging toegesneden op art. 249 Sr:

“1. Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
(…)
3° degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.”

6. Nu in het middel wordt geklaagd dat het hof, in navolging van de rechtbank, bij zijn uitleg van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, zal ik eerst de algemene uitgangspunten en reikwijdte van deze strafbaarstelling bespreken en daarna ingaan op het middel dat in deze zaak is opgeworpen.

7. Met de strafbaarstelling van degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd,1 wordt beoogd strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van patiënten of cliënten door deze hulpverleners.2 In de wetsgeschiedenis zijn de hierna volgende aanwijzingen te vinden over de reikwijdte van deze bepaling, waaruit blijkt dat hieronder niet alle seksuele contacten tussen hulpverleners en cliënten vallen. Er is gepoogd een evenwicht te vinden tussen vrijwillige / gewenste seksuele contacten en de professionele afstand die de hulpverlener in acht behoort te nemen zolang sprake is van een behandelrelatie:

“Zowel de leden van de fractie van de PvdA als de leden van de fractie van D'66 vroegen of het absolute verbod niet de wel gewenste contacten tussen hulpverlener en cliënt bij voorbaat uitsluit. Men moet deze bepaling zo lezen, dat het verbod betrekking heeft op ontucht in de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt. Het heeft natuurlijk geen betrekking op handelingen tussen een hulpverlener bijv. een arts, die zijn vrouw of vriendin als patiënt in behandeling heeft. Er is dan ook geen sprake van 'ontucht'.”3

“De leden van D66 menen dat er ook sprake kan zijn van gewenst seksueel contact tussen hulpverlener en patiënt/cliënt. Uiteraard zal het wel voorkomen dat tussen hulpverlener en patiënt/cliënt een relatie groeit, doch zolang de verhouding hulpverlener en patiënt/cliënt blijft bestaan, zal er toch altijd een vorm van afhankelijkheid bestaan die gevolgen kan hebben voor ‘de vrijwilligheid’ van de seksuele relatie.”4

8. De Hoge Raad heeft tot uitgangspunt genomen dat de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid onder 3°, Sr, gelet op de strekking van de bescherming die deze bepaling beoogt te bieden aan patiënten en cliënten, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een hulpverlener-patiënt/cliënt relatie bestaat. 5 Deze bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt/cliënt dan wel van het vertrouwen dat de hulpverlener van de patiënt/cliënt heeft gewonnen.6 Bij wijze van uitzondering is alleen dan geen sprake van “ontucht plegen” wanneer de relatie als bedoeld in art. 249, tweede lid onder 3°, Sr bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.

9. Op grond van het voorgaande kan de strekking van art. 249 Sr als volgt worden samengevat. In beginsel is al het seksuele contact dat plaatsvindt in de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt strafbaar, omdat in een dergelijke functionele relatie een bepaalde mate van afhankelijkheid bestaat die gevolgen kan hebben voor de vrijwilligheid van de seksuele relatie. Dit verbod geldt alleen dan niet, als het seksuele contact niet samenhangt met of voortvloeit uit de hulpverleningsrelatie. Dus als bij de patiënt/cliënt sprake is van vrijwilligheid en enige vorm van uit een hulpverleningsrelatie voortvloeiende afhankelijkheid niet van invloed is en de seksuele handelingen los staan van de relatie tussen de hulpverlener en zijn cliënt, dan vallen de seksuele handelingen niet onder het bereik van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr. Eén van de meest voor de hand liggende voorbeelden van de laatstgenoemde situatie is in de wetsgeschiedenis genoemd, namelijk als de patiënt/cliënt de levensgezel van de hulpverlener is. In de lagere jurisprudentie zijn ook andere voorbeelden te vinden zoals in het geval van een vrijwillige affectieve relatie tussen iemand die werkzaam is bij de verslavingsreclassering en zijn cliënte7 en een liefdesrelatie tussen een sociotherapeut en patiënt van de Van Mesdagkliniek waarin de rechtbank aanvankelijk vrijsprak omdat geen sprake zou zijn geweest van afhankelijkheid, maar het hof in hoger beroep toch tot een veroordeling kwam omdat weliswaar sprake was van vrijwilligheid maar die situatie naar het oordeel van het hof wel degelijk was beïnvloed door de afhankelijkheid van de TBS-gestelde van de sociotherapeut.8 Deze gevallen hebben echter alle betrekking op seksuele contacten gedurende de hulpverleningsrelatie.

10. Een vraag die in onderhavige zaak speelt, is of seksuele contacten ook na de beëindiging van de hulpverlener-patiënt/cliënt relatie onder het bereik van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr kunnen vallen omdat nog steeds sprake kan zijn van afhankelijkheid die is terug te voeren op de hulpverlener-patiënt/cliënt relatie. De wetsgeschiedenis geeft daarover geen duidelijkheid omdat daarin alleen de uitzonderingssituatie wordt besproken tijdens een bestaande behandelrelatie. Jurisprudentie waarin deze vraag met zoveel woorden aan de orde is geweest, heb ik niet kunnen vinden. Alle jurisprudentie heeft betrekking op lopende behandelingsrelaties en ook in de (strafrechtelijke) literatuur wordt deze kwestie voor zover ik heb kunnen nagaan niet besproken.

11. Mij lijkt dat na de beëindiging van een therapie of een hulpverleningssituatie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, vrijwillige seksuele contacten tussen ex-behandelaars of hulpverleners en hun voormalige patiënten niet meer onder de strafbaarstelling van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr vallen, omdat dan geen sprake meer is van personen die als patiënt of cliënt zijn toevertrouwd aan de hulp of zorg van iemand die werkzaam is in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg. Een bredere reikwijdte van de strafbaarstelling, in de zin dat deze doorloopt ook na de afloop van een therapie of behandeling, zou op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel.

Dat laat onverlet, dat bij de vraag of sprake is van de beëindiging van een behandelrelatie niet alleen in aanmerking moet worden genomen of deze formeel tot een einde is gekomen, maar ook moet worden gekeken of de behandelrelatie daadwerkelijk feitelijk is beëindigd en dus niet na de formele beëindiging wellicht toch op enigerlei wijze is voortgezet.9 Voor de vraag of seksuele handelingen onder de strafbaarstelling van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr vallen, is het immers niet doorslaggevend of het gaat om een formele of zakelijke overeenkomst maar moet worden beoordeeld of daarvan feitelijk sprake is.10 Dat is ook in overeenstemming met de ratio van de strafbaarstelling die de cliënt of patiënt beschermt tegen misbruik van het psychische overwicht dat een hulpverlener heeft, of misbruik van de afhankelijkheid van de patiënt of het vertrouwen dat de patiënt in de hulpverlener stelt.

Dan volgt nu de bespreking van onderhavige zaak.

12. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. Het door het hof bevestigde vonnis luidt als volgt:

“Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van artikel 249, lid 2, onder 3 Wetboek van Strafrecht, hebben seksuele handelingen binnen de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt slechts dan geen ontuchtig karakter, wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid niet van invloed is geweest.

Op basis van het dossier kan worden afgeleid dat verdachte en aangeefster seksueel contact hebben gehad op 1 september, 11 september, in oktober en/of november en in december 2006. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of de behandelrelatie tussen verdachte en aangeefster op dat moment beëindigd was zoals door verdachte wordt gesteld. De rechtbank houdt het ervoor dat de therapie is geëindigd tijdens of na de behandelsessie van 25 augustus 2006. Aangeefster heeft weliswaar niet verklaard over een formeel einde van de therapie, maar verdachte heeft ter zitting aangegeven dat tijdens de behandelsessie van 25 augustus 2006 de therapie in onderling overleg is beëindigd. Verdachte heeft toen gezegd dat hij zich niet de geschikte therapeut voor aangeefster achtte. Volgens verdachte was het ook voor aangeefster duidelijk dat de therapie op dat moment geëindigd was. De lezing van verdachte wordt ondersteund door de nota d.d. 9 september 2006 waarop behandelsessies worden genoemd op 5 juli, 13 juli, 11 augustus, 18 augustus en 25 augustus 2006. Verdachte heeft verklaard dat hij de intake die aan de vier therapiesessies vooraf is gegaan, niet in rekening heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat dit overeenkomt met de verklaring van aangeefster op 22 juni 2010 dat het volgens haar zo is dat ze vijf keer bij verdachte is geweest voor therapie. (…) Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de relatie hulpverlener-cliënt tussen verdachte en aangeefster op het moment dat er seksuele handelingen tussen beiden plaatsvonden, reeds formeel was beëindigd.

Het enkele feit dat de behandelrelatie tussen verdachte en aangeefster formeel beëindigd was, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat er geen sprake is geweest van ontucht in de zin van artikel 249 Wetboek van Strafrecht. Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat de seksuele contacten op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden. De rechtbank dient daarom vervolgens de vraag te beantwoorden in hoeverre sprake was van (afwezigheid van) afhankelijkheid binnen de relatie tussen aangeefster en verdachte.

Ten aanzien van de vraag in hoeverre sprake was van afhankelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. In de eerste plaats is van belang dat de therapie slechts korte tijd heeft geduurd. Na de intake op 5 juli 2006 hebben slechts vier behandelsessies van elk ongeveer een uur plaatsgevonden. Verder is van belang dat aangeefster bij verdachte is gekomen met als hulpvraag dat zij vastliep in haar studie, dat zij wilde weten waarom zij behoefte had om te worstelen als manier om met spanning om te gaan en dat ze vond dat ze slecht bij haar gevoel kon komen. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd is de rechtbank niet gebleken dat de hulpvraag eveneens het stellen van grenzen in seksualiteit betrof. Deze onderwerpen zijn weliswaar tijdens de therapie besproken als aandachtspunten, maar zij waren niet direct onderdeel van de hulpvraag. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij aangeefster heeft leren kennen als een heldere en intelligente vrouw met wie hij een gelijkwaardige relatie had. Van de seksuele problematiek van aangeefster zoals zij die bij de politie heeft geschetst, was verdachte gedurende de therapeutische en de seksuele relatie met haar niet op de hoogte. Ook aangeefster heeft niet met zoveel woorden verklaard dat zij verdachte van deze problematiek op de hoogte heeft gesteld. Uit voornoemde omstandigheden blijkt niet dat enige vorm van afhankelijkheid van invloed is geweest.

Het feit dat aangeefster - achteraf - een andere beleving heeft gehad van de mate van vrijwilligheid en afhankelijkheid, is naar het oordeel van de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van ontucht plegen als hulpverlener werkzaam in de maatschappelijk zorg met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van al hetgeen hem ten laste is gelegd.”

13. Het hof heeft hieraan de volgende overwegingen toegevoegd:

“Vooropgesteld wordt dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag wanneer de seksuele handelingen vallen onder de strafbaarstelling van artikel 249 tweede lid onder 3 van het wetboek van Strafrecht.

Anders dan door het openbaar ministerie betoogd, is het onderwerp van de therapie dan relevant voor de vraag of de hulpverleningsrelatie een rol speelde in de seksuele handelingen. De afhankelijkheidsrelatie manifesteert zich immers op het terrein waar de hulpverlening plaatsvindt. Het zou immers anders niet mogelijk zijn zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest van 18 februari 1997, NJ 1997, 485 dat er geen sprake is van ontucht wanneer die relatie geen rol speelt bij de seksuele handelingen. De afhankelijkheid moet dan ook worden gezien als een die direct voortvloeit uit de specifieke behandelrelatie. Dat een hulpverlener er in zijn algemeenheid op grond van zijn zorgplicht vanuit moet gaan dat zijn patiënt problemen op een ander vlak kan hebben die zijn patiënt afhankelijk van hem maken op een manier die een seksuele relatie ontuchtig doen zijn is in dat licht bezien in zijn algemeenheid dan ook niet juist. Van belang is dan in hoeverre die omstandigheden bij de hulpverlener bekend zijn dan wel verondersteld mag worden dat deze bij hem bekend zijn. Van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken.

Voor zover het openbaar ministerie de overwegingen van de rechtbank zo leest dat hierin de enkele omstandigheid dat de behandelrelatie van korte duur is geweest redengevend is voor het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie, merkt het hof op dat de rechtbank dit aspect in de overwegingen in samenhang met de andere vastgestelde omstandigheden heeft bezien. De aan deze lezing van het openbaar ministerie verbonden conclusie dat de rechtbank dit aspect niet zonder meer redengevend heeft kunnen achten voor de conclusie met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie is dan ook niet juist.

Het feit dat verdachte wist dat aangeefster nog een hulpvraag had omdat de therapeutische relatie op zijn initiatief werd beëindigd, brengt op zichzelf niet met zich mee dat verdachte wist dat de afhankelijkheid van aangeefster nog bestond omdat deze zoals hiervoor is overwogen moet worden bezien in het licht van de hulpvraag waar aangeefster bij verdachte voor in behandeling was. De afhankelijkheid samenhangend met de hulpvraag speelde immers zoals door de rechtbank overwogen geen rol bij de seksuele handelingen.

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter (…) op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep - met aanvulling van de gronden zoals hiervoor overwogen - te worden bevestigd.”

14. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat geen sprake was van ontucht in de zin van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

15. In de toelichting wordt het standpunt ingenomen dat nu het hof, in navolging van de rechtbank, er kennelijk vanuit is gegaan dat de hulpverlener-patiënt/cliënt relatie tussen verdachte en aangeefster ook na de formele beëindiging van de therapie is blijven bestaan, diens oordeel dat geen sprake was van ontucht van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is.

16. Dit standpunt mist echter feitelijke grondslag, omdat het berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De rechtbank en het hof hebben blijkens hun overwegingen vastgesteld dat de seksuele contacten hebben plaatsgevonden na de (formele) beëindiging van de hulpverleningsrelatie. Vervolgens hebben zij getoetst of afgezien van de (formele) beëindiging van de hulpverleningsverhouding ook feitelijk geen sprake (meer) was van (enige mate van) afhankelijkheid die op een hulpverleningsrelatie kan worden teruggevoerd.

17. Daarbij geef ik toe dat er mogelijk enig licht zit tussen mijn opvatting over de reikwijdte van art. 249 lid 2 sub 3 Sr zoals hiervoor onder punt 11. weergegeven en de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank en de aanvullende overwegingen van het hof zelf. Deze zouden ook zo kunnen worden gelezen, dat de criteria voor de uitzondering op de regel met betrekking tot de strafbaarheid van seksuele handelingen binnen een behandelrelatie, ook gelden voor de situatie dat deze behandelrelatie is beëindigd. Tegen die interpretatie zou ik mij willen verzetten. Naar mijn mening kunnen de overwegingen van de rechtbank en het hof echter ook zo worden gelezen dat er in casu niet alleen een formele beëindiging heeft plaatsgevonden van de behandelrelatie, maar dat de seksuele handelingen ook nadien niet in het kader van een (materiële voortzetting) van de behandelrelatie hebben plaatsgevonden.

18. Omdat de overwegingen van de rechtbank en het hof voor tweeërlei uitleg vatbaar kunnen zijn, zou het goed zijn als de Hoge Raad aan deze interpretatiekwestie aandacht besteedt, omdat het wel degelijk een verschil uitmaakt of:

  1. moet worden aangenomen dat art. 249 lid 2 sub 3 slechts “ontucht” in het kader van een bestaande behandelrelatie strafbaar stelt, waarbij de behandelrelatie materieel moet worden opgevat, of

  2. na het formeel en feitelijk beëindigen van de behandelrelatie ook nog sprake kan zijn van strafbaarheid van vrijwillige seksuele contacten tussen de behandelaar en ex-patient, een situatie die niet beperkt is in tijd en zich ook nog zou kunnen voordoen als die seksuele handelingen jaren later plaatsvinden.

Zoals hiervoor onder punt 11. aangegeven, ben ik van mening dat de onder a) weergegeven uitleg de voorkeur verdient gelet op het legaliteitsbeginsel en de rechtszekerheid.

19. De steller van het middel voert vervolgens aan dat het oordeel van het hof dat de afhankelijkheid zich moet manifesteren op het terrein waarop de hulpverlening plaatsvindt en direct moet voortvloeien uit de specifieke behandelrelatie, gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie eveneens van een verkeerde rechtsopvatting getuigt.

20. Het bevestigde vonnis houdt in dat gelet op het samenstel van de korte duur van de therapie, de aard van de hulpvraag, de persoonlijkheid van aangeefster en het feit dat verdachte niet op de hoogte was van de seksuele problematiek van aangeefster zoals zij die bij de politie heeft geschetst, geen sprake was van afhankelijkheid. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2012 begrijp ik dat de advocaat-generaal heeft betoogd dat ook als geen sprake meer was van een behandelrelatie tussen verdachte en aangeefster er toch nog steeds sprake was van afhankelijkheid. De kennelijk als reactie hierop geformuleerde nadere overweging van het hof dat voor strafbaarheid nu juist is vereist dat de afhankelijkheid samenhangt met of voortvloeit uit de in art. 249, tweede lid onder 3°, Sr bedoelde behandelrelatie, is noch onjuist noch onbegrijpelijk.

21. Tenslotte wordt betoogd dat in het licht van de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte dat hij wist dat de hulpvraag waarmee aangeefster bij hem was gekomen ten tijde van de beëindiging van de therapie nog bestond, het oordeel van het hof, voor zover daarin ligt besloten dat verdachte niet wist dat de afhankelijkheid van aangeefster ten opzichte van hem nog bestond, niet zonder meer begrijpelijk is.

22. Ook deze stelling is gebaseerd op de opvatting dat na de formele beëindiging van de therapie nog steeds een afhankelijkheidsrelatie in de zin van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr bestond tussen verdachte en aangeefster, omdat de hulpvraag waarmee aangeefster bij verdachte was gekomen niet was weggenomen. Deze opvatting komt erop neer dat zo lang de hulpvraag van een voormalig patiënt/cliënt blijft bestaan - in het extreme geval ook vele jaren nadat de therapeutische middelen zijn uitgeput - te allen tijde sprake blijft van een relatie als bedoeld in art. 249, tweede lid onder 3°, Sr. Deze opvatting kan ik niet onderschrijven. Zoals ik hierboven onder punt 20. al schreef, vind ik het oordeel van de rechtbank en het hof dat geen sprake was van afhankelijkheid niet onbegrijpelijk.11

23. Tot slot wijs ik erop dat het bevestigde vonnis van de rechtbank inhoudt dat verdachte gedurende de therapeutische en de daarop volgende seksuele relatie niet op de hoogte was van de seksuele problematiek van aangeefster zoals zij die bij de politie heeft geschetst. Tijdens de vier therapiesessies is het stellen van grenzen in seksualiteit kennelijk als ‘een’ aandachtspunt besproken, maar dat is duidelijk iets anders dan dat aangeefster tegenover verdachte, op de zeer uitgebreide wijze als weergegeven in de aangifte, de volledige doopceel zou hebben gelicht over haar seksuele voorgeschiedenis. Dus voor zover de steller van het middel meent een tegenstrijdigheid te bespeuren tussen de vaststellingen dat het stellen van grenzen in seksualiteit als aandachtspunt tijdens de therapie is besproken en dat verdachte gedurende de therapeutische relatie en de seksuele relatie daarna niet op de hoogte was van de seksuele problematiek van aangeefster, berust ook dit op een onjuiste lezing van het bevestigde vonnis.

24. Het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak geen sprake was van ontucht in de zin van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd.

25. Het middel faalt.

26. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Wet van 9 oktober 1991 tot wijziging van de artikelen 242 tot en met 249 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1991, 519).

2 Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 3, p. 7-8.

3 Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 5, p. 18.

4 Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 8, p. 8.

5 HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0645, NJ 1997, 485, rov. 6.5; herhaald in HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, rov. 4.3. Zie voor de voorwaarden die worden gesteld aan het bestaan van een behandelrelatie bijvoorbeeld HR 30 maart 2009, ECLI:NL:HR:1999:ZD1376, NJ 1999, 482, rov. 3.3.

6 Vgl. HR 2 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, rov. 3.4.

7 Rb Oost-Brabant 19 februari 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ1307.

8 Rb Groningen 5 maart 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BH4852; Hof Leeuwarden 6 oktober 2009 ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9304.

9 Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel voor HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9995.

10 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, rov. 3.4.

11 Aangeefster heeft overigens tegenover de politie expliciet verklaard dat de seksuele contacten op basis van vrijwilligheid hebben plaatsgevonden, zie pagina’s 13 en 14 van haar aangifte.