Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1261

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-04-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
13/04850
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2794, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Afwijzing aanvraag. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/04850 H

Mr. Aben

Zitting 22 april 2014

Conclusie inzake:

[aanvraagster]

1. Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 26 augustus 2010 is de aanvrager tot herziening wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf voor de duur van twee maanden.


2. Namens de aanvrager heeft mr. A.J. van Ommeren, advocaat te Amsterdam, herziening gevraagd van het op 28 juni 2011 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof.


De veroordeling betreft een winkeldiefstal in vereniging begaan op 26 november 2008 te Zaandam. Aangehouden werden [betrokkene 2] en een vrouw die opgaf te zijn genaamd [aanvraagster]. Beiden bekenden hun aandeel in het delict. Indertijd zijn (kennelijk) geen vingerafdrukken afgenomen c.q. foto’s gemaakt, althans het proces-verbaal rept daarover niet. De personalia van de aanvraagster kwamen overeen met de GBA-gegevens.

4. Namens de aanvraagster tot herziening wordt thans gesteld dat niet de aanvraagster, maar haar zuster [betrokkene 1] degene is geweest die samen met [betrokkene 2] de winkeldiefstal heeft begaan. Zij staaft haar stelling met twee omstandigheden van feitelijke aard die het gerechtshof niet bekend waren:

- een schriftelijke verklaring gedateerd 13 september 2012 van een persoon die meedeelt [betrokkene 2] te zijn genaamd, inhoudende dat zij de bedoelde winkeldiefstal niet heeft gepleegd met de aanvraagster, maar met de zuster van de aanvraagster, genaamd [betrokkene 1]. [betrokkene 1] had haar gevraagd de politie te bevestigen dat zij [aanvraagster] heette, aangezien [betrokkene 1] illegaal in Nederland verbleef;

- kopieën van het paspoort van de aanvraagster, met stempels waaruit volgens de raadsman blijkt dat de aanvraagster op 26 november 2008 in Suriname verbleef.

5. Ten behoeve van mijn conclusie naar aanleiding van deze aanvraag tot herziening, heb ik door tussenkomst van ons ‘single point of contact’ bij de KLPD de politie verzocht [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen over deze aanvraag. Het resultaat hiervan d.d. 19 februari 2014 is mij pas zeer recent ter beschikking gesteld. Blijkens dit proces-verbaal is onder de naam [betrokkene 1] niemand ingeschreven in enige gemeentelijke basisadministratie of bekend in de politiesystemen. [betrokkene 2] is ontboden en is verhoord. Zij heeft ook bij de politie volhard in de schriftelijke verklaring die als bijlage bij het herzieningsverzoek is gevoegd, namelijk dat zij de winkeldiefstal niet met de haar bekende aanvraagster heeft gepleegd, maar met de zuster van de aanvraagster, [betrokkene 1]. Met [betrokkene 1] heeft zij thans geen contact meer. [betrokkene 1] bevindt zich volgens [betrokkene 2] (ergens) in Suriname.

6. Thans rijst de vraag of de aangevoerde gegevens een zodanig ernstige twijfel aan de juistheid van de veroordeling teweegbrengen dat als gevolg daarvan het ernstige vermoeden is ontstaan dat het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot vrijspraak indien de rechter met de aangevoerde gegevens bekend zou zijn geweest. Daartoe bespreek ik de volgende kwesties waartoe het aangevulde dossier aanleiding geeft.

7. De afschriften van bladzijden uit het paspoort kunnen m.i. geen novum bijbrengen. Uit de stempels die op de laatste bladzijde zijn geplaatst, kan ik zonder nadere toelichting niet opmaken dat de aanvraagster daadwerkelijk van 5 oktober tot 2 december 2008 in Suriname heeft verbleven. De stempels geven onvoldoende uitsluitsel.

8. Over de waarde van de verklaring van [betrokkene 2] heb ik aarzelingen. Toegegeven zij dat die verklaring op het eerste gezicht bepaald niet onplausibel voorkomt, en dat de getuige bovendien meedeelt om welke reden zij thans anders verklaart dan destijds bij de politie. Er valt echter ook iets tegen de geloofwaardigheid van die verklaring in te brengen. Het is namelijk nog maar de vraag of een zekere [betrokkene 1] überhaupt bestaat. Meer informatie daarover wordt van de zijde van de aanvraagster niet verstrekt. Wellicht ben ik te wantrouwend van aard, doch het is niet ondenkbaar dat een vriendin van de aanvraagster bereid is om de aanvraagster met een dergelijke verklaring bij te staan, teneinde de aanvraagster een detentie voor de duur van 9½ weken te besparen.

9.Ten slotte valt mij op dat de handtekening van de aanvraagster die op het paspoort is afgedrukt sterke gelijkenissen vertoont met de handtekeningen onder het proces-verbaal van verhoor van de persoon die zich bij de politie voor de aanvraagster zou hebben uitgegeven. Anderzijds strookt deze handtekening weer niet met de handtekening onderop de akte van uitreiking in persoon van de dagvaarding in eerste aanleg. En, toegegeven zij dat de handtekening van de aanvraagster imponeert als weinig complex en dus vrij gemakkelijk na te bootsen.

10. Aanknopingspunten voor nader onderzoek zie ik momenteel niet. De indertijd betrokken opsporingsambtenaar [verbalisant] heeft geen herinnering aan zijn ontmoeting met de vrouw die opgaf te zijn genaamd [aanvraagster], hetgeen niet verwonderlijk is.

11. In de afweging waarvoor Uw Raad zich gesteld ziet, moet m.i. het betrekkelijke gewicht van de zaak worden meegewogen, alsook de omstandigheid dat problemen als deze hadden kunnen worden vermeden indien jegens de indertijd aangehouden verdachten identificerende maatregelen zouden zijn getroffen. Naar mijn inzicht roept de verklaring van [betrokkene 2] een dermate ernstige twijfel op over de juistheid van de veroordeling dat het ernstige vermoeden rijst dat de aanvraagster zou zijn vrijgesproken indien de veroordelende rechter bekend was met de betreffende getuigenverklaring.

12. Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van de aanvraag, met een bevel tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak en met verwijzing van de zaak op de voet van artikel 472 Sv.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


n.d.