Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:121

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
12/03806
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:538, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Art. 164 WVW 1994, ingevorderd rijbewijs. Ad 1. De Rb heeft het klaagschrift van klager strekkende tot teruggave aan hem van zijn ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard. Nu die beslissing afwijkt van het door de OvJ dienaangaande in raadkamer ingenomen standpunt, kan deze in zijn beroep worden ontvangen. Ad 2. In het licht van de in de conclusie van de AG weergegeven wetsgeschiedenis moet art. 164.4 WVW 1994 aldus worden uitgelegd dat in de gevallen waarin o.g.v. lid 2 het rijbewijs is ingevorderd, steeds sprake is van een wettelijk vermoeden van recidivegevaar t.z.v. die gevallen en dat de OvJ bijgevolg in dergelijke gevallen bevoegd is dat rijbewijs onder zich te houden, tenzij gelet op bijz. omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens klemmende redenen om van die maatregel af te zien (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0743).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/03806 B

Zitting: 4 februari 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank te Zwolle-Lelystad heeft bij beschikking van 19 augustus 2011 het beklag van klager ex art. 164 lid 8 WVW 1994, dat volgens de bestreden beschikking strekt tot teruggave van zijn door de politie Flevoland ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard en de teruggave van het rijbewijs aan [klager] bevolen.

2. De officier van justitie bij de Rechtbank te Zwolle-Lelystad heeft tegen deze beschikking cassatieberoep ingesteld en H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij die Rechtbank, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Uit de tot de stukken van het geding behorende kennisgeving beslissing inhouding rijbewijs van de officier van justitie aan klager van 1 augustus 2011 blijkt dat het rijbewijs van klager op 21 juli 2011 is ingevorderd en dat het vier maanden zou worden ingehouden. Tegen die invordering en inhouding heeft klager een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs. De Rechtbank heeft dat klaagschrift bij beschikking van 19 augustus 2011, als gezegd, gegrond verklaard en heeft de teruggave van het rijbewijs aan klager bevolen. Tegen een dergelijke beslissing staat op de voet van art. 164 lid 8 WVW 1994 beroep in cassatie open. Uit de tot de stukken van het geding behorende kennisgeving beslissing teruggave rijbewijs van de officier van justitie aan klager van 24 augustus 2011 blijkt evenwel dat het rijbewijs naar aanleiding van de raadkamerzitting van 17 augustus 2011 aan klager is teruggegeven.1 Hieruit volgt mijns inziens dat het belang aan het cassatieberoep is komen te ontvallen en dat de officier van justitie daarin dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Het algemene belang dat het openbaar ministerie bij het middel heeft, maakt dat niet anders. 2 Wel zou de Hoge Raad in een overweging ten overvloede een oordeel kunnen uitspreken over de rechtsvraag die het middel opwerpt. Met het oog daarop wil ik het volgende opmerken.

5. Het middel heeft betrekking op art. 164 WVW 1994 zoals dat met ingang van 1 juni 2011 is komen te luiden als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 24 oktober 2008, Stb. 433. Vóór de genoemde datum bestond er verschil tussen de gevallen waarin de politie op grond van art. 164 lid 2 WVW 1994 verplicht was het rijbewijs in te vorderen en de gevallen waarin de officier van justitie op grond van art. 164 lid 4 WVW 1994 vervolgens bevoegd was het rijbewijs in te houden. Kort gezegd kwam het erop neer dat voor de inhouding een hoger alcoholpromillage (namelijk 1,8 promille) en hogere overschrijding van de maximumsnelheid (namelijk met 70 km/uur) was vereist dan het promillage en de snelheidsoverschrijding die grond opleverden voor de verplichte invordering (namelijk 1,3 promille respectievelijk 50 km/uur). Dat verschil is als gevolg van de wetswijziging verdwenen. Het vierde lid van art. 164 WVW 1994 luidt thans als volgt:

“De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.”

6. In de MvT op het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet van 24 oktober 2008, Stb. 433 wordt de wetswijzing als volgt toegelicht:

“In hun advies pleiten het CPG en de RHC ervoor om in artikel 164, vierde lid, WVW 1994 dezelfde overschrijding van de maximumsnelheid en dezelfde alcohollimiet op te nemen als in artikel 164, tweede lid, WVW 1994. Nu is het zo dat voor de inhoudingsbevoegdheid van de officier van justitie een hogere grens geldt dan voor de invorderingsplicht van de politie. Met deze adviesorganen kan worden vastgesteld dat het onwenselijk is dat er gevallen zijn waarin de politie moet invorderen, terwijl de officier van justitie niet de bevoegdheid toekomt tot inhouding, en het rijbewijs dus moet teruggeven. De officier van justitie mag, zo wordt in dit onderdeel voorgesteld, overeenkomstig de invorderingsplicht voor de politie, gaan inhouden bij rijden onder invloed van een alcoholgehalte vanaf 1,3 promille voor de ervaren bestuurder, en vanaf 0,8 voor de beginnende bestuurder, en bij snelheidsovertredingen vanaf vijftig kilometer per uur te hard. 

Ten opzichte van de bestaande situatie houdt de wijziging die in dit onderdeel wordt voorgesteld louter en alleen in, dat de inhoudingsbevoegdheid van de officier van justitie wordt uitgebreid tot die gevallen van rijden onder invloed van alcohol en grove snelheidsovertredingen, waarin de politie op basis van artikel 164, tweede lid, WVW 1994 verplicht is om het rijbewijs in te vorderen. Het inhouden van het rijbewijs kan alleen op grond van recidivegevaar. Het wettelijk vermoeden dat daarvan sprake is bij rijden onder invloed van een alcoholgehalte vanaf 1,8 promille en snelheidsovertredingen vanaf zeventig kilometer per uur te hard heeft in zoverre een enigermate arbitrair karakter, dat daarvan ook sprake kan zijn vanaf 1,3 onderscheidenlijk 0,8 promille en vijftig kilometer per uur te hard. De belangen van rijbewijshouders blijven gewaarborgd doordat voor inhouding steeds als extra voorwaarde geldt, dat moet kunnen worden gezegd dat ernstig rekening moet worden gehouden met recidivegevaar (HR 3 juni 1997, NJ 1997, 548). Bovendien moet het rijbewijs worden teruggegeven als niet te verwachten is dat een rijontzegging zal worden opgelegd voor een langere periode dan gedurende welke het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden (artikel 164, zesde lid, WVW 1994). Tenslotte kan de rijbewijshouder een klaagschrift indienen bij raadkamer van de rechtbank (artikel 164, achtste lid, WVW 1994). 

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging betreft artikel 164, vierde lid, tweede zin, WVW 1994 zoals dat komt te luiden nadat de wet van 12 mei 2005 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met verlaging van de wettelijke alcohollimiet voor beginnende bestuurders (Stb. 283) in werking is getreden.”3

7. In het arrest waarnaar in deze toelichting wordt verwezen (HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0743; NJ 1997/548), overwoog de Hoge Raad onder meer (rov. 4.4):

“Art. 164, vierde lid, WVW 1994 dient aldus te worden verstaan dat de ambtenaar van het openbaar ministerie bevoegd is om het rijbewijs onder zich te houden, onder meer indien blijkt of een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger was dan 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (vergelijkbaar met een bloedalcoholgehalte boven 1,8 promille), tenzij dan, gelet op bijzondere omstandigheden, toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens het bestaan van klemmende redenen om van die maatregel af te zien.”

8. Volgens de steller van het middel dient art. 164 lid 4 (nieuw) WVW 1994 aldus te worden uitgelegd dat in de gevallen waarin het rijbewijs op grond van art. 164 lid 2 WVW 1994 is ingevorderd, een wettelijk vermoeden geldt dat sprake is van recidivegevaar. Dat brengt mee dat de officier van justitie in een dergelijk geval bevoegd is het rijbewijs in te houden, tenzij sprake is van de bijzondere omstandigheden of klemmende redenen waarvan in de hiervoor aangehaalde overweging van de Hoge Raad wordt gesproken. Die uitleg komt mij juist voor.

9. In het onderhavige geval is de invordering van het rijbewijs op 21 juli 2011, dus na het van kracht worden van de nieuwe wettelijke regeling ingevorderd op grond van art. 164 lid 2 sub d WVW 1994 (overschrijding van de maximumsnelheid met 50 km/uur). De Rechtbank overwoog, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…)

Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt dat klager ervan wordt verdacht op 21 juli 2011 als bestuurder van een motorrijtuig te hebben gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg met snelheden oplopend tot 132 kilometers per uur, daar waar een wettelijke toegestane maximum snelheid van 80 kilometers per uur gold, door welk weggedrag naar het oordeel van de rechtbank de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de invordering van het rijbewijs en de verdere inhouding daarvan door het openbaar ministerie terecht is geschied.

Uit de stukken en hetgeen bij de behandeling in raadkamer naar voren is gebracht blijkt voorts dat klager recentelijk een transactie heeft voldaan wegens een soortgelijk verkeersdelict. Daaruit kan blijken van een gevaar voor recidive, maar de rechtbank zal hier, gelet op de pleegdatum van meer dan twee jaar geleden, in dit geval geen rekening houden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er thans onvoldoende omstandigheden zijn aan te wijzen die duiden op een concreet gevaar voor recidive, zodat het belang van klager bij teruggave van zijn rijbewijs dient te prevaleren boven het belang van een verdere inhouding van dat rijbewijs.”

10. Uit deze overweging blijkt niet dat de Rechtbank heeft onderzocht of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan toch, ondanks het wettelijk vermoeden van recidivegevaar, niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling dan wel of er klemmende redenen zijn om van de inhouding af te zien. Derhalve lijkt het oordeel van de Rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting te getuigen. Dat oordeel is in elk geval niet zonder meer begrijpelijk.

11. Deze conclusie strekt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het rijbewijs was bijgesloten bij voornoemde kennisgeving.

2 In de toelichting op het middel wordt gewezen op het volgende. In verband met de forse toename van het aantal klaagschriften ex art. 164 lid 8 WVW 1994 sinds de aanscherping van het inhoudingsbeleid en in aanmerking genomen dat deze klaagschriften veelal gegrond worden verklaard, bestaat er in de praktijk dringend behoefte aan duidelijkheid over de consequenties van de wetswijziging van 1 juni 2011 voor de inhoudingsbevoegdheid ex art. 164 lid 4 WVW 1994 en, in het verlengde daarvan, over de houdbaarheid van het aangescherpte inhoudingsbeleid.

3 Kamerstukken II, 2005-2006, 30324, nr. 3, p. 37.