Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:120

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
12/04435
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:534, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/04435

Zitting 14 januari 2014

Mr. Jörg

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 3 april 2012 is de verdachte door het Gerechtshof Arnhem, wegens “opzettelijk gebruik maken van een valse of vervalste pas of kaart als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en “opzettelijk een valse of vervalste pas of kaart, als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht verkopen, terwijl de schuldige wist dat de pas of kaart bestemd was voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte heeft mr. G.H. Fijma, advocaat te Den Haag, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Hetgeen in de schriftuur als middel I wordt aangeduid bevat de klacht dat het Hof het verweer met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding in appel onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Hetgeen in de schriftuur als middel III wordt aangeduid bevat de klacht dat het Hof het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de verdere vervolging van de verdachte onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1

5. Nu de klachten zelf niet aanduiden waarom de beslissingen van het Hof onjuist zouden zijn en de toelichting op de klachten in de verste verte geen verband houdt met de klachten zelf is niet sprake van middelen van cassatie in voormelde zin.

6. Voor zover in de toelichtingen zelfstandige klachten moeten worden gelezen zie ik aanleiding aan het eind van deze conclusie enkele ambtshalve opmerkingen te maken.

7. Het tweede middel klaagt dat het Hof het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de verdere vervolging van de verdachte onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

8. Steen des aanstoots is dat de strafzaak van de verdachte niet is geseponeerd, maar een vrijwel identieke zaak tegen een journalist, [betrokkene 1], wel. Het Hof heeft de vervolgingsbeslissing in de onderhavige zaak niet in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel, omdat de vervolgingsbeslissingen geen vergelijkbare gevallen betreffen. Dit oordeel, dat is gebaseerd op de verschillende bezigheden van de verdachte (“die niet in de buurt komen van wat naar hedendaagse maatschappelijke opvattingen onder journalistiek wordt verstaan") en van [betrokkene 2] (“een publicerend journalist [] die zijn handelen heeft getoond in de media") is geenszins onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

9. Zoals aangekondigd maak ik nog enkele opmerkingen naar aanleiding van de beroepen op verdachtes journalistieke vrijheid (klacht I), en op civielrechtelijke aspecten (klacht III).

10. Het beroep op journalistieke vrijheid is niet verworpen omdat de verdachte in de ogen van het Hof geen journalist is of omdat hij (nog) niet heeft gepubliceerd, maar omdat de verdachte verre van journalistiek bezig is geweest (zie de formulering hierboven in 8). Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het de aangevoerde ideële (journalistieke) motieven voor het handelen van de verdachte (die volgens de steller van het middel “gevoeglijk (zijn) komen vast te staan”) niet aannemelijk heeft geacht, althans dat het niet aannemelijk heeft geacht dat deze motieven een doorslaggevende rol hebben gespeeld in verdachtes handelen. Gelet op de bewijsmiddelen - onder meer inhoudende dat de verdachte ettelijke OV-chipkaarten heeft vervalst, daarmee zelf heeft gereisd en deze kaarten heeft verkocht aan anderen; dat hij ondanks het feit dat hij al een paar OV-chipkaarten had gehackt toch een kick bleef beleven aan het telkens opnieuw hacken en er daarom mee doorging (bewijsmiddelen 6 en 8); dat hij fors opschepte over het hacken en dat hij er trots op was dat hij de OV-chipkaart had gehackt (bewijsmiddel 7) – komt de ideële kant van de zaak absoluut niet uit de verf.

11. De stelling in de toelichting op klacht III is dat niet sprake is van valsheid of vals gebruik omdat het eigendomsvoorbehoud van de zijde van de eigenaar op ongeldige wijze is overgedragen aan de houder. Daarom geldt het verbod van aantasting of aanpassing van de OV-chipkaart niet voor de gebruiker. Het Hof heeft de civielrechtelijke aspecten daar gelaten en vastgesteld dat ontegenzeggelijk sprake is van het gebruik maken van (ver)vals(t)e chipkaarten. Daar is, gelet op de bewijsmiddelen, geen speld tussen te krijgen. Deze houden onder meer in dat de verdachte “lege" OV-chipkaarten zelf opwaardeerde door deze te manipuleren, in plaats van daarvoor saldo te kopen. Daarmee werden deze kaarten vervalst. Van die kaarten is vervolgens veelvuldig gebruik gemaakt, ook door de verdachte die daarmee naar eigen zeggen veelal in Leiden in- en uitcheckte. Of hij ook treinreizen heeft gemaakt met die chipkaarten doet technisch gesproken verder niet ter zake: hij heeft ze “aangeboden" aan de in/uitcheckzuilen.

12. De klachten onder I en III zijn geen middelen in de zin der wet. Middel II faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend A-G

1 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 7e, p. 187 e.v.; zie recentelijk bijv. HR 10 september 2013, ECLI:NL: HR:2013:667.