Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:116

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
13/01255
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:530
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verstekverlening. Aanwezigheidsrecht. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163 en ECLI:NL:HR:2004:AO9097. Het onderhavige geval wordt daardoor gekenmerkt dat – kennelijk na de betekening van de appeldagvaarding doch voor de aanvang van het onderzoek ttz.– alsnog een adres van verdachte bekend is geworden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Gelet hierop is ‘s Hofs kennelijke oordeel dat er geen reden bestond om het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01255

Zitting: 4 februari 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 20 januari 2010 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Haarlem van 10 februari 2009, waarbij verdachte wegens “als bezitter voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden” is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ter terechtzitting van 20 januari 2010 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, verstek heeft verleend tegen de verdachte, althans de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet is opgeroepen op het – bij het Hof bekende – adres waarop hij sinds 3 december 2009 stond ingeschreven.

4.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) blijkens het GBA-overzicht van 27 november 2009, gehecht aan de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding voor de zitting van 20 januari 2010, was verdachte vanaf 10 september 2008 “zonder vaste woon- of verblijfplaats”;

(ii) blijkens het GBA-overzicht van 18 januari 2010, gehecht aan de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding voor de zitting van 20 januari 2010, stond verdachte vanaf 3 december 2009 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Groningen;

(iii) de appeldagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting bij het Hof op 20 januari 2010 is blijkens de bij de dagvaarding behorende akte van uitreiking op 27 november 2009 aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam uitgereikt, omdat van de geadresseerde op dat moment geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was, en op 18 januari 2010 is een afschrift van de appeldagvaarding gestuurd naar het inmiddels bekend geworden GBA-adres van verdachte: [b-straat 1] te Groningen;

(iv) op 20 januari 2010 heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld en terstond arrest gewezen, waarbij de verdachte gelet op het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep. Ter zitting was verdachte noch een voor hem optredend advocaat aanwezig. In het arrest is, voor zover van belang, vermeld:

“naam: [achternaam verdachte]

voornamen: [voornaam verdachte]

(…)

adres: [b-straat 1], (…) Groningen.”

4.3. Het middel is gelet op in het bijzonder HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9097 gegrond. Weliswaar is in deze zaak, anders dan in genoemd arrest het geval was, nog wel een afschrift van de dagvaarding naar het later bekend geworden GBA-adres gestuurd, maar nu dit eerst twee dagen vóór de zitting is geschied, is geen sprake van een situatie waarin het Hof mocht aannemen dat de verdachte afstand van zijn aanwezigheidsrecht had gedaan.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG