Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:115

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
13/01890
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:527
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende klacht over v.v. Het Hof heeft o.m. beslist dat “de overige voorwerpen zoals genoemd in de beslaglijst (aangehecht)” verbeurd worden verklaard. Door een kennelijke vergissing is de verkeerde beslaglijst aan de bestreden uitspraak gehecht. HR wijst zaak wat betreft de strafoplegging terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/01890

Zitting: 4 februari 2014

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft bij arrest van 29 maart 2013 verdachte wegens, onder 1, “opzetheling” en, onder 2, “van het medeplegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden. Voorts heeft het Hof de in het arrest nader omschreven bijkomende beslissingen genomen en de tenuitvoerlegging gelast van een aan verdachte eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een maand.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel bedoelt kennelijk te klagen over ’s Hofs gedeeltelijke verwerping van een door de raadsman van verdachte gevoerd preliminair verweer strekkende tot (partiële) nietigverklaring van de dagvaarding.

4.2.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2013 heeft de raadsman van verdachte in het kader van het genoemde preliminaire verweer gesteld dat de tenlastelegging onder 2 op het punt van het witwassen van “een of meer geldbedragen” onvoldoende duidelijk is. Naar aanleiding van het preliminaire verweer heeft het Hof blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 2013 het volgende overwogen:

“De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof mede dat het hof de rechtbank zal volgen voor wat betreft de door de rechtbank uitgesproken partiële nietigheid van de dagvaarding. Voor wat betreft de overige door de raadsman opgeworpen punten is het hof van oordeel dat het helder is dat het om bepaalde geldbedragen gaat of bepaalde goederen die worden besproken.”

4.3.

Het middel lijkt feitelijke grondslag te missen voor zover het stelt dat tenlastegelegd is dat verdachte “een of meer geldbedragen” heeft witgewassen. Volgens het verkorte arrest is aan verdachte “na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg” tenlastegelegd dat hij (voor zover hier van belang) “een geldbedrag” heeft witgewassen. Dat is ook wat het Hof heeft bewezenverklaard. Het vonnis van de Rechtbank vermeldt echter dat de tenlastelegging inhoudt (zoals ook is bewezenverklaard) dat “een of meer geldbedragen” zijn witgewassen. Die vermelding stemt overeen met de Vordering Aanpassing Omschrijving Telastelegging die zich bij de gedingstukken bevindt. Een verklaring voor de afwijkende inhoud die het Hof de tenlastelegging toedicht, heb ik niet kunnen vinden. Nu het middel niet over deze discrepantie klaagt, kan dit punt verder blijven rusten. Voor een goed begrip van het gevoerde verweer is het echter van belang om voor ogen te houden dat de tenlastelegging waarop de raadsman zich baseerde inderdaad repte van “een of meer geldbedragen”.

4.4.

De bewezenverklaring van het Hof steunt onder meer op bewijsmiddel 15, dat een deel van de Bijlage inbeslaggenomen goederen weergeeft en waaruit in samenhang bezien met bewijsmiddel 14 blijkt dat bij een doorzoeking in de woning van verdachte en zijn echtgenote twee geldbedragen van telkens € 200, - in beslag zijn genomen. Enige concrete reden waarom het de verdachte niet duidelijk zou kunnen zijn dat de tenlastelegging in elk geval mede op deze bedragen betrekking had, wordt in het verweer niet opgevoerd. Het punt waarover de raadsman zich druk maakte, lijkt te zijn dat op de beslaglijst ook nog andere geldbedragen stonden vermeld.2 Dat impliceert echter tegelijk dat de raadsman erop bedacht was dat het in de tenlastelegging ging om de geldbedragen die op de beslaglijst stonden vermeld. Daarop kan, dunkt mij, de verdediging heel wel worden afgestemd.

4.5.

Het middel klaagt over de wijze waarop het Hof het verweer heeft verworpen. Aangevoerd wordt dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, anders dan het Hof aankondigde, de geldbedragen waarom het gaat helemaal niet zijn besproken. Het komt mij voor dat die klacht berust op een onjuiste lezing van de bedoelde overweging. Het Hof zal hebben bedoeld dat de gedingstukken (waaronder de hierboven genoemde beslaglijst) – waarvan de korte inhoud door het Hof ter terechtzitting is medegedeeld en die aldaar aldus “besproken” zijn – voldoende duidelijk maken om welke geldbedragen het gaat.

4.6.

Het middel faalt dus uiteindelijk toch bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5 Het tweede, derde en vierde middel

5.1.

Het tweede, derde en vierde middel richten zich alle tegen ’s Hofs bewezenverklaring onder 1. Alvorens de middelen afzonderlijk te bespreken wordt hieronder eerst de tekst van de genoemde bewezenverklaring opgenomen.

5.2.

Ten laste van verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2011 tot en met 20 juni 2012 in Nederland,

- een busje (merk Iveco, chassisnummer [0001]) en

- een busje (merk Volkswagen, type Transporter, chassisnummer [0002]) en

- een personenauto (merk Volvo, type S40, chassisnummer [0003]) en

- een personenauto (merk Volvo, type XC70, kenteken [AA-00-AA]) en

- een kinderstoeltje en

- een deken

voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van genoemde goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

5.3.

Het tweede middel klaagt over ’s Hofs bewijsoordeel dat inhoudt dat de personenauto van het merk/type Volvo XC70 met kenteken [AA-00-AA] waarin verdachte door verbalisanten is waargenomen dezelfde personenauto moet zijn geweest als een personenauto van hetzelfde merk/type die op 3 januari 2012 is gestolen. Het bedoelde oordeel van het Hof zou, mede in het licht van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, ontoereikend zijn gemotiveerd.

5.4.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende door het Hof gebezigde bewijsmiddelen relevant:

“12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 49 van het eind-procesverbaal genummerd 30-002585 C) voor zover inhoudende –zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 3 januari 2012 is mijn Volvo type XC70, kenteken [AA-00-AA] weggenomen. In de ontvreemde auto zat onder andere een kinderstoeltje.

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 50-51 van het eindproces-verbaal genummerd 30-002585 C) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

Op 14 juni 2012 zag personeel van het observatieteam dat de verdachte [medeverdachte] een zwarte Volvo model XC70 voorzien van kenteken [CC-00-CC] bestuurde en deze van Montfoort naar het bedrijf Auto [A] te Druten reed. De verdachte [verdachte] reed in zijn Volvo achter de Volvo XC70 eveneens van Montfoort naar Druten. In Druten werd de Volvo XC70 kenteken [CC-00-CC] achtergelaten. Hierna reden beide verdachten weer terug richting Utrecht. Op 17 juli 2012 kreeg ik bij navraag van het Landelijk Informatie Centrum Voertuigcriminaliteit het bericht dat er in totaal twee Volvo’s van het type XC70 als ontvreemd stonden gesignaleerd en nog niet waren teruggevonden. Dit betrof de navolgende kentekens:

Volvo XC70, kenteken [AA-00-AA], ontvreemd 2 januari 2012.

Volvo XC70, kenteken [BB-00-BB], ontvreemd 27 juni 2012.

Laatstgenoemde Volvo is ontvreemd na de waarneming op 14 juni 2012.

Bij navraag van de diefstal van de Volvo XC70, kenteken [AA-00-AA] bleek mij het volgende: Weggenomen bij een woninginbraak in de nacht van 2 op 3 januari 2012 te Druten. In de Volvo V70 (het Hof begrijpt: XC70) waren op de achterbank van de auto twee kinderstoeltjes gemonteerd. Eén kinderstoeltje had een lichtgrijze kleur, de andere een donkergrijze kleur.

Op 20 juni 2012 vond een doorzoeking plaats in de garagebox [a-straat 1] te Utrecht, in gebruik bij verdachte [verdachte]. Er lagen meerdere losse goederen in de garagebox, onder andere een kinderstoel met grijze stof en plaids. De aangever van de ontvreemde Volvo XC70, genaamd [betrokkene 1] herkende de kinderstoel met grijze stof met grote zekerheid als de kinderstoel die in zijn Volvo was gemonteerd. Verder herkenden zij de geblokte deken die ooit van zijn overleden vader is geweest.”

5.5.

Blijkens een pleitnota die behoort bij het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 18 maart 2013 heeft de raadsman van verdachte bij die gelegenheid het volgende aangevoerd:

“- Volvo XC70 en kinderstoeltje en deken ([CC-00-CC])

Als laatste onder feit 1 moet besproken worden de bewezenverklaring van de heling van Volvo XC70 ([CC-00-CC]), het kinderstoeltje en de deken. Ook bij de bewezenverklaring van dit feit is de verdediging van oordeel dat de Rechtbank te kort door de bocht is gegaan en dat de bewezenverklaring gebaseerd is op gronden die die conclusie niet kunnen dragen.

Het is namelijk heel aanlokkelijk, zoals de Rechtbank heeft gedaan, om aan te nemen dat de Volvo XC70 die gestolen was in Druten en op dat moment als enige als ontvreemd gesignaleerd stond, ook die Volvo XC70 is die is waargenomen bij de observatie op 14 juni 2012 in de loods in de garagebox aan de [a-straat]. Niks is echter minder waar. Nauwkeurige bestudering van het dossier leert namelijk dat de gebruikte bewijsmiddelen die conclusie niet kunnen dragen. Ik zal dat toelichten.

Terecht merkt de Rechtbank op dat medeverdachte [medeverdachte] op 14 juni 2012 rijdt, met cliënt daarachter in zijn eigen auto, in een zwarte Volvo XC70 met kenteken [CC-00-CC]. Gezien wordt op pagina 67 van het voorgeleidingsdossier dat de auto wordt afgeleverd bij autobedrijf [A] in Druten. De eerste vraag die dan opkomt, waar is deze auto nu? Staat deze nog bij autobedrijf [A]? Is deze doorverkocht? Dit zijn zeer eenvoudig en noodzakelijk te verrichten onderzoekshandelingen om duidelijkheid te kunnen krijgen. Door dit te onderzoeken kan men namelijk aan de hand van het chassisnummer/VIN nummer vaststellen of de auto waarin medeverdachte [medeverdachte] die avond reed ook daadwerkelijk de auto is die weggenomen is bij de woninginbraak in Druten in de nacht van 2 op 3 januari 2012. Op pagina 195 blijkt tijdens het verhoor van cliënt dat deze Volvo nog niet teruggevonden. Hoe makkelijk had het geweest om te verifiëren bij autobedrijf [A] waar die auto nu is of naar toe is gegaan of hoe het er thans mee staat.

Daarnaast nog het volgende. Het enkele feit dat er maar 2 auto's als ontvreemd maar nog niet als teruggevonden geregistreerd stonden zoals omschreven op pagina 4 van het einddossier betekent niet dat er niet meer auto's van dit type zijn ontvreemd. Mogelijk zijn er auto's van ditzelfde type in het buitenland gestolen en staan die daarom niet geregistreerd in Nederland.

Wat ook onmiddellijk opvalt is dat er geen aangifte in het dossier zit van de diefstal van de auto. Er bevindt zich op pagina 49 van het einddossier weliswaar een proces-verbaal van verhoor van aangever maar dat is ook alles. Het OT neemt op pagina 50 e.v. van het einddossier waar dat de Volvo zwart van kleur is. Is de aangever ooit gevraagd naar de kleur van zijn auto? Met name omdat tijdens het verhoor blijkt op pagina 195 dat het gaat om een donkergrijze auto. Natuurlijk liggen zwart en donkergrijs dicht bij elkaar. Anderzijds het was juni, dus tot 's avonds licht en ze zijn de auto een aanzienlijk stuk gevolgd. Ook zijn het qua kleuren voor auto's twee compleet verschillende kleuren. Dat wordt ook ondersteund door de verschillende bijgevoegde foto's die betrekking hebben op de volgende ontlastende omstandigheid. Want een klein beetje speurwerk op internet levert het volgende op.

Uit de bijgevoegde foto's van nader internetonderzoek op 8 en 13 januari 2013 blijkt dat er op 9 mei 2012 in ieder geval twee Volvo V70 zijn gestolen waarvan één een XC70 betrof. XC staat voor cross country, hetgeen een type V70 is. Mogelijk was de Volvo waar de medeverdachte [medeverdachte] op dat moment in reed wel één van deze twee Volvo's en was die auto helemaal niet van enig misdrijf afkomstig.

Dit gezegd hebben kan dan ook naar de mening van de verdediging geenszins vastgesteld worden dat de Volvo waar de medeverdachte [medeverdachte] in gezien is de Volvo is die weggenomen is bij de woninginbraak in Druten.

Het feit dat de aangever de deken en het kinderstoeltje herkend maakt dit niet anders. Dit betekent niks meer dan dat goederen uit zijn gestolen auto in een loods die cliënt huurde worden aangetroffen. Dat zegt niks over de vraag of de medeverdachte [medeverdachte] op 14 juni 2012 in die betreffende Volvo reed.

Alleen om deze reden al verzoek ik Uw Hof cliënt dan ook vrij te spreken van de heling van Volvo V70 XC. Daarnaast is de verdediging van oordeel dat de enkele waarneming dat medeverdachte [medeverdachte] rijdt in de betreffende Volvo en dat cliënt daarachter rijdt in zijn eigen auto waarna die Volvo wordt afgeleverd bij autobedrijf [A], onvoldoende is om te kunnen spreken van tezamen en in verenigen schuldig maken aan heling. Cliënt is naast de waarneming van die avond op geen enkele andere wijze in verband te brengen met die Volvo XC70. Het feit dat de Rechtbank aanneemt dat cliënt en de medeverdachte vaak samen gezien worden, waaronder bij de loods in Montfoort, maakt niet dat daarmee de conclusie is gerechtvaardigd dat cliënt bewust en nauw met medeverdachte [medeverdachte] samenwerkte met betrekking tot deze Volvo.

Ook om die reden verzoek ik Uw Hof cliënt dan ook vrij te spreken van de heling van Volvo V70 XC.”

5.6.

Het Hof heeft aan dit verweer geen specifieke bewijsoverweging gewijd. De vraag of dit verweer, waarin geen (alternatieve) verklaring wordt aangedragen voor de herkomst van de auto waar de verdachte op 14 juni 2012 achteraan reed, door het Hof aangemerkt had moeten worden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, kan in het midden blijven, aangezien de bewijsmotivering voldoende aanknopingspunten bevat die begrijpelijk maken waarom het Hof van het standpunt van de verdediging is afgeweken. Uit bewijsmiddel 13 blijkt namelijk dat aangever Blekman een kinderzitje en een deken die in de garagebox van de verdachte waren aangetroffen, herkende als goederen die in de hem ontstolen Volvo XC70 aanwezig waren. Die omstandigheid, gevoegd bij het feit dat op dat moment geen andere Volvo XC70 als ontvreemd stond gesignaleerd, maakt het hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte achter een andere auto aanreed dan de auto die aan Blekman toebehoorde. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof aan de stelling van de raadsman dat de aanwezigheid van de deken en het kinderzitje in de garagebox van verdachte “niks zegt”, zonder motivering is voorbijgegaan. Ook het kennelijke oordeel van het Hof dat (1) men zich gemakkelijk kan vergissen tussen donkergrijs en zwart en dat (2) aan zijn oordeel niet afdoet dat er mogelijk meer Volvo ’s XC70 gestolen waren dan die als zodanig gesignaleerd stonden, is in het licht van de bewijsconstructie niet onbegrijpelijk.

5.7.

Het middel faalt.

5.8.

Met het derde middel wordt gesteld dat ’s Hofs oordeel dat verdachte op enig moment de beschikkingsmacht over de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde personenauto van het merk/type Volvo XC70 met kenteken [AA-00-AA] heeft gehad onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is, nu het door het Hof als bewijsmiddel 13 gebezigde proces-verbaal inhoudt dat niet verdachte maar de medeverdachte deze personenauto ten tijde van de in het bedoelde proces-verbaal gerelateerde observatie bestuurde.

5.9.

Het middel faalt reeds omdat het Hof niet bewezen heeft verklaard dat de verdachte de beschikkingsmacht over de auto had, maar dat hij deze tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad. Voor dat voorhanden hebben is beschikkingsmacht geen vereiste.

5.10.

Het middel faalt.

5.11.

Het vierde middel komt op tegen ’s Hofs oordeel dat verdachte de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde personenauto van het merk/type Volvo/S40 voorhanden heeft gehad.

5.12.

De bedoelde personenauto is op 25 mei 2012 gestolen en op 20 juni 2012 bij een doorzoeking aangetroffen in een garagebox aan de [a-straat] te Utrecht die bij de verdachte in gebruik was (m.n. bewijsmiddel 11). Door de raadsman is aangevoerd dat uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat iedereen die wetenschap had van de loods toegang had tot die loods omdat daarvoor geen sleutel nodig was en dat de verdachte na 11 mei niet meer is waargenomen aan de [a-straat], zodat het mogelijk is dat anderen de auto in de garagebox hebben gezet zonder dat de verdachte daarvan iets wist. In hoger beroep heeft de verdachte niet een verklaring van die strekking afgelegd. Wel heeft hij ten aanzien van de eveneens bij hem in gebruik zijnde loods in Montfoort beweerd – weer ter onderbouwing van zijn stelling dat hij van niets wist – dat die loods door anderen kon worden betreden omdat de sleutel bovenop een richel lag. Maar kennelijk doelde de raadsman op de verklaring die de verdachte in eerste aanleg aflegde. Toen beweerde de verdachte dat de garagebox vrij toegankelijk was.

5.13.

Het komt mij voor dat het Hof, alleen al omdat het weinig waarschijnlijk is dat bekenden of onbekenden een (gestolen) auto in een garagebox van een ander parkeren zonder dat die ander daarvan iets afweet, zonder nadere motivering aan de bewering van de verdachte voorbij mocht gaan.

5.14.

Het middel faalt.

6 Het vijfde middel

6.1.

Het middel klaagt over de verbeurdverklaring.

6.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Beslag

Het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de veroordeelde toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

(…)

Beslissing

(…)

Gelast de teruggave aan de politie (…)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende (…)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- de overige voorwerpen zoals genoemd in de beslaglijst (aangehecht).”

6.3.

Aan het arrest is als Bijlage II een Lijst met inbeslaggenomen voorwerpen gehecht die als parketnummer 42/701091-12 vermeldt, als zittingsdatum 28 februari 2013 en als naam van de verdachte [betrokkene 2]. Deze [betrokkene 2] is, zoals uit onder meer bewijsmiddel 14 kan worden afgeleid, de echtgenote van verdachte. De zaak van de verdachte had als parketnummer 21-004677-12 en de datum waarop het hoger beroep diende was 18 maart 2013.

6.4.

Duidelijk is dat abusievelijk de verkeerde beslaglijst aan het arrest is gehecht. Daarover klaagt het middel op zich terecht. De vraag is of deze kennelijke misslag zich voor herstel in cassatie leent. Bij de stukken van het geding trof ik geen met het oog op overlegging in hoger beroep als bedoeld in art. 415 jo. 309 Sv opgemaakte lijst met inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan.3 Wel is aan het vonnis van de Rechtbank de beslaglijst gehecht die voor de behandeling in eerste aanleg is opgemaakt. Maar de vraag is of die lijst in hoger beroep nog actueel is. Bovendien komen op die lijst nogal wat voorwerpen voor waarop de bewezenverklaring in hoger beroep geen betrekking heeft. Wat mist, is kortom een lijst waarop het Hof precies heeft aangegeven welke de voorwerpen zijn die worden verbeurdverklaard.4

6.5.

Het middel slaagt.

7. De middelen 1 t/m 4 falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissing tot verbeurdverklaring, in zoverre tot een zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (13/02012), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie de aan het vonnis van de Rechtbank als Bijlage II gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

3 Het proces-verbaal van de zitting houdt niet in dat een dergelijke lijst is overgelegd.

4 Ik laat aan het oordeel van de Hoge Raad over of het zinvol is om bij het Hof te informeren naar de lijst die het Hof aan het arrest had bedoelen te hechten.