Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:1070

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2014
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
13/01682
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2409, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01682

Zitting: 1 april 2014

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Den Haag wegens 1. “diefstal , voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 3 primair “zware mishandeling” en 5 “diefstal , waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf van 60 dagen.

2. Namens verdachte heeft mr. M.L. Groeneveld, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van de verdachte heeft het Hof voor zover voor de bespreking van de middelen van belang bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 19 september 2011 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sleutels en twee mobiele telefoons en EUR 25,- en een horloge en een jas toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het tonen van een mes en beetpakken van die [slachtoffer] en slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] en zeggen dat verdachte de nek van die [slachtoffer] zou opensnijden;

3 primair:
hij op 19 september 2011 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een sneeverwonding in de linkerwang heeft toegebracht door deze opzettelijk met een mes in de linkerwang te snijden.”

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof verdachtes beroep op een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, kort gezegd hierin bestaande dat hij het plegen van de misdrijven heeft waargenomen doch daaraan niet heeft deelgenomen, op ontoereikende gronden heeft verworpen.

5. Het middel heeft het oog op de volgende overwegingen van het Hof:

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten , nu niet de verdachte, maar een andere persoon deze ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte heeft thans - anders dan bij de politie, de rechter-commissaris, de raadkamer en ter zitting in eerste aanleg - verklaard dat hij zich in de tram bevond met [betrokkene 1] en dat hij zich op het pleintje bevond waar de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden. In de tram zou een derde persoon aanwezig zijn geweest, een vriend van [betrokkene 1] . De verdachte heeft tevens verklaard dat hij een deel van de beroving van het slachtoffer heeft gezien, maar dat hij - toen de ten laste gelegde feiten plaatsvonden - stond te praten met een groepje dat bestond uit 4 of 5 personen. De verdachte wenst, hoewel daartoe ter zitting in hoger beroep herhaaldelijk te zijn uitgenodigd onder verwijzing naar de zich in de stukken bevindende camerabeelden, geen naam door te geven van de persoon die volgens hem de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, en evenmin de namen van de personen met wie hij stond te praten op het pleintje.

Nu de verdachte geen enkele naam wil doorgeven van de hiervoor genoemde personen ter onderbouwing van het door hem geschetste alternatieve scenario, en mede gelet op de omstandigheid dat hij tegelijkertijd niet wenst dat de zaak voor nader onderzoek zal worden aangehouden, is het hof van oordeel dat de lezing van de verdachte niet aannemelijk is geworden. Ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunt voor het alternatieve scenario of onderzoek daarnaar.”

6. Het middel stuit reeds af op de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de bewijsmiddelen 1, 2, 6 en 7. Deze houden immers in dat de verdachte door het slachtoffer is herkend als een van de daders van de onder 1 en 3 primair bewezenverklaarde feiten, en wel als degene die het slachtoffer met een mes over de wang heeft gesneden. Hetgeen in de toelichting op het middel te berde wordt gebracht behoeft derhalve geen bespreking.

7. Het middel faalt.

8. Het tweede middel houdt in dat het Hof de snee over de linkerwang van het slachtoffer ten onrechte heeft aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

9. Het Hof heeft te dien aanzien overwogen:

“Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat het onder 3 ten laste gelegde geen zware mishandeling kan opleveren nu er geen actuele gegevens met betrekking tot het letsel zijn , overweegt het hof dat zich in de stukken niet alleen een foto van het letsel van [slachtoffer] bevindt welke ter terechtzitting in eerste aanleg door de rechtbank nog eens expliciet is waargenomen, maar dat tevens door de rechter-commissaris bij gelegenheid van het verhoor van [slachtoffer] op 15 februari 2012, dat wil zeggen geruime tijd na de pleegdatum, is opgemerkt dat die [slachtoffer] een lang, dun litteken op zijn linkerwang heeft in de vorm van een lange, dunne streep. Naar het oordeel van het hof is voornoemd letsel, in het bijzonder het zichtbare gevolg daarvan op een voor iedereen (her)kenbare plaats, te weten het gezicht van die [slachtoffer] , voldoende ernstig om als zwaar lichamelijk letsel te worden aangeduid.”

10. De beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (HR 15 mei 2000, NJ 2000, 510, waarbij als voorbeeld wordt genoemd HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 828).1

11. Van toereikend bewijs voor zwaar lichamelijk letsel was onder meer sprake in de volgende gevallen:

- het aanbrengen van een tatoeage, in aanmerking nemend dat de verwijdering van de door verdachte op de buik van het slachtoffer aangebrachte tatoeage een pijnlijk en problematisch proces was geweest waardoor zij vele maanden haar beroep als balletdanseres niet had kunnen uitoefenen (HR 22 mei 1990, NJ 1991, 93 m.nt. 'tH);

- blijvend litteken bij het linker oog (HR 23 februari 1993, DD 93.319)

- wonden in het gezicht; het slachtoffer was met kracht met een steen in het gezicht geslagen en die steen had hem op zijn voorhoofd en zijn neus geraakt; in het ziekenhuis waren diverse scheurwonden geconstateerd, bestaande uit een zigzagwond van 5 cm op het voorhoofd, een zigzagwond op de bovenlip en een wondje op de neusbrug; de scheurwonden waren alle drie gehecht en de genezingsduur was door de behandelend arts op vier weken geschat; het slachtoffer hield blijvende ontsierende littekens in het gelaat over aan zijn verwondingen (HR 22 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7021);

- beten in het gezicht (HR 5 jan. 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3377; 81 RO), volgens de conclusie omdat deze ernstig infectiegevaar meebrengen.

12. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat de snee over de linker wang zwaar lichamelijk letsel oplevert geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het Hof wijst er immers op dat het gaat om onherstelbaar letsel, te weten een litteken van een snee met een mes, en wel over de linkerwang, dus op een plaats waardoor verdachtes aangezicht permanent is geschonden.

13. Het middel faalt.

14. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zo ook HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055.