Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:103

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
13/06319
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:488
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift tot aanwijzing van een ander gerecht, art. 510.1 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO3669, NJ 2005/144. In het licht van doel en strekking van art. 510 Sv moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een rechterlijke ambtenaar aan wie ontslag is verleend uit zijn functie, tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een in het eerste lid van die bepaling genoemd gerecht waarvan hij voordien deel heeft uitgemaakt. Nu uit het verzoekschrift blijkt dat tegen de betrokkene de verdenking is ontstaan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en dat de betrokkene rechterlijk ambtenaar in de zin van art. 510.1 Sv is geweest, is het verzoek vatbaar voor toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Parket, 7 februari 2014

Mr. Fokkens

Nr. 13/06319

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van de Hoofdofficier van Justitie te Noord-Nederland om op de voet van art. 510 Sv een ander gerecht aan te wijzen voor de (eventuele) vervolging en berechting van [betrokkene], voorheen raadsheer in het Gerechtshof te Leeuwarden (thans het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).

2. Tegen betrokkene is de verdenking gerezen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het overtreden van art. 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 ( het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard).

3. In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat [betrokkene] ten tijde van de vermeende overtreding, gepleegd in het arrondissement Noord-Nederland, niet meer werkzaam was als rechterlijk ambtenaar. Naar aanleiding van de ontvangst van de oproep voor behandeling van de zaak door de rechtbank te Noord-Nederland heeft de raadsman van betrokkene, mr. Anker, het openbaar ministerie verzocht een verzoek ex art. 510 Sv in te dienen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2011, LJN BU3447. De Hoofdofficier van Justitie heeft hieraan voldaan.

4. Ingevolge art. 510, eerste lid, Sv wordt ingeval "een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht", op verzoekschrift van het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, door de Hoge Raad een ander gerecht van gelijke rang als het anders bevoegde aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zal plaats hebben.

5. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie nader aangeduid in welke gevallen de regeling van art. 510 Sv toepasselijk is. In zijn arrest van 13 december 2011, LJN BU3447, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

‘2.3. De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om - in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een verdenking van een strafbaar feit is gerezen - al dan niet gebruik te maken van onder meer zijn bevoegdheid die ambtenaar niet te vervolgen. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen indien naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (vgl. HR 17 februari 2004, LJN AO3669, NJ 2005/144).
In HR 13 november 2001, LJN AD5455, NJ 2003/569 is beslist dat een gelijke waarborg ook op zijn plaats is indien de verdachte te wiens aanzien de verdenking van een strafbaar feit bestond ten tijde dat hij de functie van rechterlijk ambtenaar vervulde doch aan wie uit deze functie ontslag is verleend vóórdat de vervolging en berechting zijn voltooid. Noch uit de tekst noch uit de strekking van art. 510 Sv volgt immers dat de daarin bedoelde aanwijzing slechts moet plaatsvinden in het geval dat de rechterlijk ambtenaar nog als zodanig in functie is.

2.4. In het licht van evenvermelde strekking en doel van art. 510 Sv moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend uit zijn functie en tegen wie daarna de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan waardoor hij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of waarbij hij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.’

6. Het onderhavige geval verschilt van de casus in NJ 2003/569 in die zin dat [betrokkene] ten tijde van de overtreding niet meer werkzaam was als rechterlijk ambtenaar. Tot 1 februari 2008 was hij, als raadsheer en nadien als coördinerend vicepresident, werkzaam in het voormalige gerechtshof Leeuwarden. Evenmin is sprake van de verdenking van een strafbaar feit waardoor hij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of waarbij hij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. Immers de vervolging betreft de verdenking van het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard .

7. De vraag is of de regeling van art. 510 Sv zo moet worden uitgelegd dat deze ook toepasselijk is in dit geval. Ik beantwoord die vraag ontkennend. De tekst van art. 510 Sv impliceert niet dat de daarin bedoelde aanwijzing ook in een geval als het onderhavige zou moeten plaatsvinden. Dat aan de ratio van art. 510 Sv, namelijk het waarborgen van een onpartijdige vervolging en berechting van de rechterlijk ambtenaar, tekort wordt gedaan indien een rechter geruime tijd na zijn vertrek aldaar wordt berecht binnen zijn ‘eigen’ ressort, is niet zonder meer het geval. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet aangevoerd of gebleken. Ik ben dan ook van mening dat in dit geval de eventuele vervolging en berechting van de zaak kan plaatsvinden voor een rechtbank binnen het ressort van het gerechtshof waar betrokkene werkzaam was, te weten de rechtbank Noord-Nederland.

8. Voorstelbaar is dat indien er hoger beroep zou worden ingesteld, berechting door het “oude” Hof Leeuwarden als bezwaarlijk zou worden ervaren. Dat bezwaar zou echter gemakkelijk kunnen worden ondervangen door de zaak in dat geval te behandelen in de locatie Arnhem van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

9. Opmerking verdient nog dat in het algemeen, als art. 510 Sv niet van toepassing is maar het gewenst wordt geoordeeld dat de berechting plaatsvindt bij een ander gerechtshof, het op 1 januari 2013 in werking getreden art. 62b van de Wet RO soelaas kan bieden. Dit artikel bepaalt dat het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is. In de toelichting1 op het vergelijkbare artikel 46b van de Wet RO (verwijzing door de rechtbank), is vermeld dat deze formulering niet alleen gevallen omvat waarin een rechtbankmedewerker partij of betrokkene bij de zaak is, maar ook verwijzing mogelijk is als bijvoorbeeld de rechtbank zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft. Mede gelet op de toelichting zal dit artikel ook in gevallen als het onderhavige toepassing kunnen vinden.

10. Ik concludeer dat de Hoge Raad het verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht zal afwijzen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 891, nr. 3, p. 52-53.