Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3784

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2013
Datum publicatie
15-07-2013
Zaaknummer
12/04043
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3784, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Antillenzaak. Beslag- en executierecht. Executoriaal verhaalsbeslag op aandelen. Verzoek tot openbare verkoop van de in beslag genomen aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/04043

Mr. Timmerman

Zitting van 14 juni 2013

Conclusie inzake

1. Consales International Inc.

(hierna: "Consales"),

2. Summer Time Trust

(hierna: "Summer Time"),

3. Vedeka Corporation N.V.

(hierna: "Vedeka"), en

4. First Anguilla Trust Company Limited, in haar hoedanigheid van executeur-testamentair van de nalatenschap van [betrokkene]

(hierna: de "executeur-testamentair")

(partijen onder 2 t/m 4 hierna gezamenlijk: "Summer Time c.s.")

verzoeksters tot cassatie

tegen

Stichting Pensioenfonds Consales Bedrijven

(hierna: het "Pensioenfonds")

verweerster in cassatie

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:(1)

a. Het Pensioenfonds heeft op 25 augustus 2004 conservatoir verhaalsbeslag gelegd ten laste van Consales op de door Consales gehouden aandelen op naam in Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V.

b. Het Pensioenfonds heeft vervolgens een bodemprocedure tegen Consales aanhangig gemaakt (hierna aangeduid als de procedure "Pensioenfonds/Consales"). Het Gerecht in Eerste Aanleg (het "GEA") heeft Consales in die procedure bij verstekvonnis van 18 oktober 2004 veroordeeld tot betaling van circa NAF 2,4 miljoen aan het Pensioenfonds. Het GEA heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en heeft tevens het voorgenoemde beslag van waarde verklaard. Bij vonnis in verzet van 11 december 2006 heeft het GEA het verzet van Consales ongegrond verklaard, met aanpassing van het toegewezen bedrag tot circa NAF 2,6 miljoen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft dit laatste vonnis bij vonnis van 26 mei 2009 bevestigd. Het door Consales ingestelde cassatieberoep is verworpen bij arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2011 (LJN BO9616, RvdW 2011/289).

c. Het Pensioenfonds heeft het vonnis in verzet van 11 december 2006, op 23 februari 2007 aan Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. doen betekenen.

2. Procesverloop

2.1 Het Pensioenfonds heeft op 31 juli 2009 bij het GEA een verzoekschrift ingediend waarin het Pensioenfonds - kort samengevat - verzoekt om te bepalen dat binnen een termijn van een maand na de te geven beschikking tot openbare verkoop wordt overgegaan van de in beslag genomen aandelen in Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. (zie rov. 2.2).

2.2 Consales heeft als beslagdebiteur verweer gevoerd tegen dit verzoek van het Pensioenfonds. Het verweer van Consales strekt primair tot afwijzing van het verzoek. Subsidiair strekt het verweer van Consales er onder meer toe dat de behandeling van het verzoek wordt aangehouden totdat in rechte onherroepelijk is vastgesteld dat Consales de enige aandeelhoudster is van Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. (zie tussenbeschikking GEA d.d. 25 augustus 2011, rov. 2.3, 2.4).

2.3 Summer Time, Vedeka en de executeur-testamentair (gezamenlijk: "Summer Time c.s.") hebben eveneens, als belanghebbenden, verweer gevoerd. Hun verweer strekt ook tot afwijzing van het verzoek (zie tussenbeschikking GEA d.d. 25 augustus 2011, rov. 2.5).

2.4 Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. is in eerste aanleg niet in het geding verschenen (zie eindbeschikking GEA d.d. 17 november 2011, rov. 2.3). Ook in hoger beroep is deze vennootschap niet verschenen.

2.5 Het GEA heeft bij eindbeschikking van 17 november 2011 bepaald dat de verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen in Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. kan geschieden binnen zes maanden na de datum van de beschikking, ten overstaan van notaris mr. Simon en met inachtneming van de wettelijke en statutair bepalingen (zie rov. 2.2).

2.6 Consales en Summer Time c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Zij hebben daarbij aan het hof verzocht om de eindbeschikking van het GEA te vernietigen en het verzoek van het Pensioenfonds alsnog af te wijzen (zie rov. 2.3). Consales en Summer Time c.s. hebben onder meer betoogd dat de beslagen aandelen niet aan Consales toebehoren, en wel omdat deze aandelen reeds voor de beslaglegging waren overgedragen aan Summer Time c.s. (zie rov. 2.6). Het Pensioenfonds heeft incidenteel appel ingesteld (zie rov. 2.12).

2.7 Het hof heeft bij beschikking van 22 mei 2012 het hoger beroep van Consales en Summer Time c.s. verworpen. Het incidentele beroep van het Pensioenfonds is gegrond verklaard voor zover daarmee werd opgekomen tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het hof heeft de eindbeschikking van het GEA duidelijkheidshalve (geheel) vernietigd, en heeft vervolgens een nieuwe termijn bepaald waarbinnen tot verkoop en overdracht van de aandelen kan worden overgegaan (zie rov. 2.11 en dictum). Het hof heeft bepaald dat het Pensioenfonds kan overgaan tot openbare verkoop en overdracht van de aandelen onder de voorwaarden dat (a) de verkoop plaatsvindt ten overstaan van notaris mr. H. Simon; (b) tot verkoop en overdracht wordt overgegaan binnen een termijn van zes maanden na de datum van de beschikking, welke termijn op verzoek van de notaris door de rechter kan worden verlengd; en (c) de wettelijke en statutaire bepalingen betreffende vervreemding van de aandelen in acht worden genomen. De beschikking van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8 Consales en Summer Time c.s. hebben tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 22 mei 2012.(2) Het Pensioenfonds heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot verwerping.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

3.1 Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.5 t/m 2.7 van de bestreden beschikking. Deze rechtsoverwegingen luiden:

"2.5 De bezwaren van appellanten tegen de eindbeschikking van het GEA hebben geen betrekking op de termijn waarbinnen en de wijze waarop de verkoop volgens de beslissing van het GEA dient plaats te vinden. Appellanten stellen zich op het standpunt dat het het Pensioenfonds in het geheel niet had mogen worden toegestaan tot verkoop over te gaan.

2.6 Appellanten voeren in de eerste plaats aan dat de beslagen aandelen niet aan Consales toebehoren, daar deze reeds voor de beslaglegging waren overgedragen aan Summer Time, Vedeka en de executeur-testamentair. Het Pensioenfonds heeft deze stelling gemotiveerd betwist, waarbij het onder meer heeft verwezen naar hetgeen daarover is gesteld en geoordeeld in de door haar overgelegde stukken uit het geding dat is gevolgd op de beslaglegging. Juist is de stelling van Summer Time, Vedeka en de executeur-testamentair dat zij, die geen partij waren in dat geding, niet zonder meer gebonden worden door hetgeen daar is geoordeeld en beslist. Het had evenwel, zeker gelet op hun onbestreden betrokkenheid dan wel bekendheid met hetgeen in dat geding aan de orde was en gelet op de betwisting door het Pensioenfonds, op hun weg gelegen hun stelling dat Consales die aandelen ten tijde van de beslaglegging niet langer hield gemotiveerd te onderbouwen. Dat hebben Summer Time, Vedeka en de executeur-testamentair in het onderhavige geding niet gedaan en ook Consales heeft daartoe onvoldoende gesteld. Het Hof zal dan ook aan die stelling voorbijgaan.

2.7 De verdere stellingen van Summer Time, Vedeka en de executeur-testamentair behoeven, nu zij in het onderhavige geding gelet op het voorgaande niet als rechthebbende op de betreffende aandelen kunnen worden beschouwd, geen nadere bespreking."

3.2 Onderdeel 1.1 richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.6) dat het op de weg van Summer Time c.s. had gelegen - zeker gelet op hun niet bestreden betrokkenheid dan wel bekendheid met hetgeen in het geding Pensioenfonds/Consales aan de orde was en gelet op de betwisting door het Pensioenfonds - om hun stelling dat Consales de aandelen ten tijde van de beslaglegging niet langer hield, gemotiveerd te onderbouwen. Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee miskend heeft dat Summer Time c.s. "in de onderhavige procedure niet over de bewijsrechtelijke middelen beschikten" en dat zij daarom juist een bodemprocedure aanhangig hebben gemaakt "waarin zij tegen het Pensioenfonds als verklaring voor recht hebben gevorderd om vast te stellen (met alle bewijsmiddelen rechtens) dat zij, en niet Consales, sinds 2001 de enige rechthebbenden zijn van de aandelen in de vennootschap" (volgens het middel: de bodemprocedure met zaaknummer 30578/2007, voorheen AR 438/2007; hierna aangeduid als 'Summer Time c.s./Pensioenfonds'). Het middel stelt dat het hof te zware eisen heeft gesteld aan hetgeen Summer Time c.s. als belanghebbende derden (in de zin van art. 474 lid 2 RvNA) dienden te stellen, door "desondanks aan de stelplicht van Summer Time c.s. als (verzwaarde) eis te stellen dat hun stelling gemotiveerd [had] moeten worden onderbouwd" en door te oordelen dat hieraan door Summer Time c.s. niet is voldaan.

3.3 De klacht van onderdeel 1.1 faalt. Ingevolge art. 429j lid 1 Rv (van Curaçao)(3) zijn de bepalingen van bewijsrecht van art. 128 e.v. Rv (titel 2, afdeling 4) van overeenkomstige toepassing in procedures waarin een beschikking wordt gegeven, tenzij de aard van de procedure zich hiertegen verzet. In het onderhavige geval heeft het hof geoordeeld dat voorbijgegaan dient te worden aan de stelling van Summer Time c.s. dat de beslagen aandelen reeds vóór de beslaglegging aan hen waren overgedragen, aangezien Summer Time c.s. die stelling - zeker gelet op hun onbestreden betrokkenheid dan wel bekendheid met hetgeen in het geding Pensioenfonds/Consales aan de orde was en gelet op de betwisting door het Pensioenfonds - onvoldoende gemotiveerd onderbouwd hebben terwijl ook Consales te dien aanzien onvoldoende gesteld heeft. Dat oordeel geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Opgemerkt zij dat het middel ook niet toelicht om welke reden Summer Time c.s. in de onderhavige procedure niet in staat geweest zouden zijn om aan de door het hof bedoelde vereiste te voldoen, of om welke reden in het onderhavige geval in redelijkheid niet van Summer Time c.s. verwacht had mogen worden dat zij de betreffende stelling nader zouden verduidelijken of toelichten.

3.4 Onderdeel 1.2 richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.6, 2.7) dat de (verdere) stellingen van Summer Time c.s. geen nadere bespreking behoeven aangezien Summer Time c.s. in het onderhavige geding niet als rechthebbenden op de aandelen kunnen worden beschouwd. Het onderdeel klaagt dat het hof daarmee ten onrechte de overige 'in rechte te respecteren belangen' van Summer Time c.s. niet in zijn beoordeling betrokken heeft. Het gaat daarbij, aldus het onderdeel, om het belang van Summer Time c.s. om in de bodemprocedure Summer Time c.s./Pensioenfonds door het GEA te kunnen laten vaststellen dat zij sinds 2001 de enige rechthebbenden op de aandelen zijn. Indien het hof het voorgaande niet miskend heeft en de bedoelde belangen wél in zijn beoordeling betrokken heeft, is het oordeel van het hof op dat punt volgens het onderdeel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.5 Ook de klacht van onderdeel 1.2 faalt. Het hof heeft - zoals hierboven al aan de orde kwam - geoordeeld dat Summer Time c.s. niet voldoende gemotiveerd gesteld hebben dat de beslagen aandelen niet aan Consales toebehoren en deze aandelen reeds voor het moment van de beslaglegging aan hen waren overgedragen (zie rov. 2.6). Aangezien Summer Time c.s. om de genoemde reden in deze procedure niet als rechthebbenden op de aandelen kunnen worden beschouwd, behoeven de (verdere) stellingen van Summer Time c.s. naar oordeel van het hof geen nadere bespreking (zie rov. 2.7). In dit oordeel ligt besloten dat hetgeen Summer Time c.s. gesteld hebben omtrent de door hen gepretendeerde rechten op de aandelen en de daarbij betrokken belangen, reeds op voorhand onvoldoende is om tot een ander oordeel te kunnen leiden. Dat oordeel geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is in het licht van hetgeen door onderdeel 1.2 wordt aangevoerd ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.6 Onderdeel 1.3 stelt dat het hof de bovengenoemde 'in rechte te respecteren belangen' van Summer Time c.s. niet, althans niet kenbaar, in zijn beoordeling heeft betrokken en dat het hof die belangen niet zwaarder heeft laten wegen dan het belang van het Pensioenfonds bij toewijzing van haar verzoek. Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof om die reden in strijd is met de beginselen van een behoorlijke rechtsbedeling, zoals deze mede door art. 6 EVRM en art. 1 eerste Protocol bij het EVRM worden 'geborgd'. Het hof heeft volgens het onderdeel met zijn oordeel immers "rechten c.q. belangen" van Summer Time c.s. "ten onrechte c.q. zonder de vereiste (objectieve) rechtvaardiging(sgrond)" beperkt. Volgens het onderdeel heeft het hof "de mogelijkheid tot vaststelling van het eigendomsrecht van Summer Time c.s. in de bodemprocedure tegen het Pensioenfonds [...] en een daarop volgende onbezwaarde uitoefening van dat eigendomsrecht ontoelaatbaar doorkruist c.q. beperkt en aldus het door Summer Time c.s. gepretendeerd eigendomsrecht ten onrechte, zonder rechtvaardigingsgrond, vervallen verklaard/laten verwateren."

3.7 De klacht van onderdeel 1.3 faalt op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdelen 1.1 en 1.2.

3.8 Onderdeel 1.4 stelt voorop dat Summer Time c.s. en Consales (afzonderlijk) verzocht hebben om de onderhavige procedure aan te houden totdat in het geding Summer Time c.s./Pensioenfonds onherroepelijk is komen vast te staan dat Summer Time c.s. niet de (enige) rechthebbenden op de aandelen zijn en dat Consales als enig aandeelhouder is aan te merken. Het onderdeel klaagt dat het hof daaromtrent ten onrechte niet beslist heeft. Indien het hof de betreffende stellingen en verweren en het bedoelde (tegen)verzoek van Summer Time c.s. en Consales niet veronachtzaamd heeft, dan is het oordeel van het hof op dat punt volgens het middel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Reden voor dat laatste is, aldus het middel, dat uit het oordeel van het hof niet blijkt of en waarom het hof van oordeel is geweest dat de uitkomst van het geding Summer Time c.s./Pensioenfonds niet kon worden afgewacht.

3.9 De klacht van onderdeel 1.4 komt in feite neer op een herhaling van de klacht van onderdeel 1.2. De klacht faalt dan ook op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van dat eerdere onderdeel. Opgemerkt zij dat onderdeel 1.4 ook geen verwijzingen naar de gedingstukken 'zijdens Consales en Summer Time c.s.' bevat die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.(4)

Onderdeel 2

3.10 Onderdeel 2.1 bevat een klacht die enkel voortbouwt op de klachten van onderdeel 1. Nu de klachten van dit eerdere onderdeel falen, wordt ook de klacht van onderdeel 2.1 tevergeefs voorgesteld.

3.11 Onderdeel 2.2 richt zich tegen rov. 2.8 van de bestreden beschikking. Deze rechtsoverweging luidt:

"2.8 Consales voert voorts aan dat het exploot van conservatoire beslaglegging van 25 augustus 2004 onjuistheden bevat en niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet. Deze stellingen stuiten echter reeds af op de omstandigheid dat het betreffende beslag van waarde is verklaard. Bovendien is gesteld noch gebleken dat Consales door de gestelde gebreken, wat daar verder van zij, op enigerlei wijze in haar belangen is geschaad."

3.12 Onderdeel 2.2(a) klaagt dat het hof met het bovengenoemde oordeel miskent dat de bedoelde stellingen van Consales en Summer Time c.s. niet slechts betrekking hadden op de eisen die onder het voor augustus 2005 geldende recht gesteld werden aan een exploot van conservatoire beslaglegging, maar tevens op de eisen die (onder het sinds augustus 2005 geldende recht) gelden voor executie en voor executoriaal beslag op aandelen. Volgens het onderdeel diende de in het geding Pensioenfonds/Consales verkregen executoriale titel, krachtens art. 704 lid 1 RvNA aan Consales en aan Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. betekend te worden om het conservatoire beslag te laten overgaan in een executoriaal beslag. Het onderdeel betoogt dat Consales en Summer Time c.s. in de onderhavige procedure gemotiveerd gesteld hebben dat het GEA en het hof in deze procedure eerst moeten onderzoeken en vaststellen of voldaan is aan de formaliteiten zoals bedoeld in art. 704 lid 1 RvNA, alvorens het verzoek van het Pensioenfonds tot executoriale verkoop van de aandelen toegewezen zou kunnen worden.

3.13 Onderdeel 2.2(a) stelt voorts dat het oordeel van het hof (in rov. 2.8) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof van oordeel is geweest dat de vanwaardeverklaring van het op 25 augustus 2004 gelegde conservatoir beslag, zich ook uitstrekt tot de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de betekening(en) van de grosse van het vonnis van het GEA en het hof zoals bedoeld in art. 704 lid 1 RvNA.

3.14 Onderdeel 2.2(b) betoogt dat het hof, indien het hetgeen in onderdeel 2.2(a) gesteld is niet miskend heeft, in elk geval de essentiële stellingen van Consales en Summer Time c.s. daaromtrent ten onrechte niet in zijn beoordeling betrokken heeft of zijn oordeel op dat punt onvoldoende gemotiveerd heeft. Het onderdeel stelt: "Zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, is onduidelijk of en op grond waarvan het hof van oordeel is geweest dat, anders dan door Consales (en Summer Time c.s.) was betoogd, de betekening(swijzen) van de grossen van de vonnissen van het GEA en het hof als executoriale titel in art. 704 lid 1 aan Consales als beslagene en de vennootschap als derde-beslagene wèl geldig c.q. overeenkomstig de daaraan gestelde formele eisen is geschied aan hun rechtens juiste kantooradres en vertegenwoordigingsbevoegde personen."

3.15 Onderdeel 2.2(c) richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.8) dat bovendien gesteld noch gebleken is dat Consales door de gestelde gebreken in het exploot van conservatoire beslaglegging van 25 augustus 2004, op enigerlei wijze in haar belangen is geschaad. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel was het belang van Consales en Summer Time c.s. bij het beroep op de gebreken in het exploot, op grond van het bepaalde in art. 704 lid 1 RvNA reeds zonder meer duidelijk. Dit belang van Consales en Summer Time c.s. bestond - aldus het middel - daarin dat "slechts na een rechtsgeldige betekening van de executoriale titel het op 25 augustus 2004 gelegd conservatoir aandelenbeslag kan (zijn) overgaan in een executoriaal aandelenbeslag, op grond waarvan het inleidend verzoek van het Pensioenfonds tot executoriale verkoop van de aandelen toewijsbaar kan zijn."

3.16 De klachten van onderdelen 2.2(a) t/m 2.2(c) dienen verworpen te worden. Ten aanzien van Summer Time c.s. falen de klachten reeds op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdeel 1.2 (vgl. rov. 2.7). Ten aanzien van Consales falen de klachten eveneens. Anders dan het onderdeel 2.2(a) stelt, heeft het hof in de bestreden beschikking niet geoordeeld dat de vanwaardeverklaring van het conservatoire beslag op de aandelen van Consales in Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V., ook een oordeel inhoudt omtrent de rechtsgeldigheid van de betekening van vonnissen die gewezen zijn in de procedure Pensioenfonds/Consales. Onderdelen 2.2(a) en 2.2(b) betogen ook tevergeefs dat het hof dergelijke stellingen onbehandeld heeft gelaten en dat hof zijn oordeel te dien aanzien in elk geval onvoldoende gemotiveerd heeft. Dat betoog ziet er namelijk aan voorbij dat het GEA in eerste aanleg geoordeeld heeft dat de rechtsgeldigheid van de bedoelde betekeningen, indien daartoe aanleiding bestaat, in een afzonderlijke procedure ex art. 438 Rv aan de orde dient te worden gesteld (zie tussenbeschikking GEA d.d. 25 augustus 2011, rov. 3.2). Uit het middel blijkt niet dat dit oordeel van het GEA in hoger beroep op voldoende duidelijke wijze bestreden is; daarnaast wordt de genoemde rechtsopvatting ook thans in cassatie niet bestreden.(5) Het cassatiemiddel lijkt het genoemde oordeel van het GEA in het kader van het betoog van onderdeel 1.1 overigens ook juist te onderschrijven (zie onderdeel 1.1, tweede alinea). De klacht van onderdeel 2.2(c) stuit reeds af op het feit dat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede.

3.17 Onderdeel 2.3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.9. Deze rechtsoverweging luidt:

"2.9 Voor zover Consales haar stelling heeft gehandhaafd dat het Pensioenfonds geen vordering meer heeft op Consales nu die vordering is overgedragen aan Ennia, overweegt het Hof dat die stelling niet kan worden gevolgd. Deze stelling, die door het Pensioenfonds onder meer met verwijzing naar een verklaring van Ennia is bestreden, heeft Consales niet althans onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken zijn aanwijzingen dat sprake is geweest van een cessie of een andere wijze van overgang van de vordering van het Pensioenfonds op Consales aan Ennia."

3.18 Onderdeel 2.3(a) klaagt dat het oordeel dat Consales de genoemde stelling onvoldoende onderbouwd heeft, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepassing van het vereiste van voldoende belang van art. 3:303 BWNA. Het onderdeel stelt dat indien het vereiste belang van de eiser of verzoeker, door de wederpartij wordt betwist, het aan de eerstgenoemde is om te bewijzen dat hij voldoende belang heeft bij toewijzing van hetgeen gevorderd of verzocht is. Onderdeel 2.3(b) betoogt dat voor zover het hof de bedoelde stellingname van Consales en Summer Time c.s. niet heeft aangemerkt als een verweer dat het vereiste belang bij het Pensioenfonds ontbreekt, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.

3.19 De klachten van onderdelen 2.3(a) en 2.3(b) falen. Het hof heeft geoordeeld dat Consales haar stelling van dat het Pensioenfonds haar vordering zou hebben overgedragen aan Ennia, mede in het licht van hetgeen het Pensioenfonds daaromtrent heeft aangevoerd, onvoldoende onderbouwd heeft (zie rov. 2.9). Naar oordeel van het hof wordt aan (nadere) bewijslevering op dit punt dan ook niet toegekomen. Dat oordeel geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Bij dit laatste kan worden opgemerkt dat het cassatiemiddel op dit punt ook geen enkele verwijzing bevat naar hetgeen in eerdere instanties door Consales (of door Summer Time c.s.) aangevoerd zou zijn. Ten aanzien van Summer Time c.s. missen de klachten van onderdelen 2.3(a) en 2.3(b) feitelijke grondslag (zie rov. 2.9).

3.20 Onderdeel 2.4 betoogt dat het hof ten onrechte niet beslist heeft op grieven 6 en 7 van Summer Time c.s., welke grieven door Consales ook overgenomen zouden zijn. Volgens het onderdeel is het hof namelijk niet of niet op voldoende kenbare wijze ingegaan op de grief dat Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. in eerste aanleg niet rechtsgeldig is opgeroepen en dat op grond van art. 474g lid 2 RvNA het verzoek van het Pensioenfonds niet zonder het horen van Tofhold (Nederlandse Antillen) N.V. toegewezen had kunnen worden.

3.21 De klacht van onderdeel 2.4 is ongegrond. Het hof heeft geoordeeld dat Summer Time c.s. in het onderhavige geding, gelet op het overwogene in rov. 2.6, niet als rechthebbende op de aandelen kunnen worden beschouwd, en dat de verdere stellingen van Summer Time c.s. om die reden geen nadere bespreking behoeven (zie rov. 2.7). Dat oordeel wordt door onderdeel 2.4 niet bestreden, althans niet op voldoende duidelijke wijze. Ten aanzien van Consales mist de klacht van onderdeel 2.4 reeds feitelijke grondslag nu uit het onderdeel niet blijkt dat de bedoelde grieven, zoals de klacht stelt, door Consales 'zijn overgenomen'.

3.22 Mocht het middel naast de hierboven besproken klachten nog een of meer andere klachten hebben willen formuleren, dan voldoen die klachten mijns inziens in elk geval niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv.

4. Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feiten zoals vermeld in paragraaf 1 zijn hoofdzakelijk ontleend aan rov. 2.1 van de in cassatie bestreden beschikking.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 22 augustus 2012 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad.

3 Ingevolge de landsverordening Algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur Land Curaçao (A.B. 2010, nr. 87; Eilandsverordening vaststelling diverse ontwerp-landsverordeningen land Curaçao) blijven onder meer het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek zoals deze destijds golden in de voormalige Nederlandse Antillen, gehandhaafd voor Curaçao. Zie hierover ook J.P. de Haan, 'De overgangswetgeving en de geldende wetgeving van Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen', WPNR 2011 (6898), p. 694-700.

4 Onderdeel 1.4 verwijst, door middel van een verwijzing naar voetnoten 3 en 6 van het cassatiemiddel, slechts naar de slotsom van het in eerste aanleg door Summer Time c.s. ingediende 'verzoekschrift houdende verzet ex-artikel 474g lid 2 Rv' d.d. 4 november 2009 (op p. 5).

5 Vgl. in dit verband onder meer Hof 's-Gravenhage 23 mei 1986, LJN AC9374, NJ 1987/804. In deze zaak oordeelde het hof dat de stelling dat de executoriale titel (notariële akte) die aan de inbeslagneming van de aandelen ten grondslag ligt, nietig is, aan de orde gesteld dient te worden in een afzonderlijke procedure en niet in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank inhoudende dat op bepaalde wijze tot verkoop en overdracht van de inbeslaggenomen aandelen kan worden overgegaan. Vgl. voorts G.C. van Daal, 'Executoriaal verhaalsbeslag op aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid', Ondernemingsrecht 2008/145, par. 8.3; en G.C. van Daal, Executoriaal en conservatoir verhaalsbeslag op aandelen in kapitaalvennootschappen en op certificaten daarvan (diss. Rotterdam), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, nr. 92.