Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3771

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
13/00007
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3771, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter op grond van conservatoir vreemdelingenbeslag op schip, art. 767 Rv. Onjuiste vermelding van vestigingsplaats van beslaglegger (art. 440 lid 1, aanhef en onder a, Rv in verbinding met art. 702 lid 1 Rv). Nietigheid beslagexploot wegens schending vormvoorschrift? Toepasselijkheid van afdeling 1.6 Eerste boek Rv op beslagexploten. Nietigheid exploot op grond van art. 66 lid 1 Rv bij niet-naleving vormvoorschriften slechts ingeval van onredelijke benadeling in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2593, NJ 2007/118).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/476
JBPR 2014/36
JOR 2013/353 met annotatie van mr. A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/00007

Mr. P. Vlas

Zitting, 14 juni 2013

Conclusie inzake:

de vennootschap naar vreemd recht Carrier Tanker Inc.,

gevestigd te Monrovia, Liberia

(hierna: Carrier Tanker)

tegen

de vennootschap naar vreemd recht LR Ice Shipping Eight Ltd.,

gevestigd te Majuro, Marshall Islands

(hierna: Ice Shipping)

In deze zaak gaat het om de gevolgen van een onjuiste vermelding van de plaats van vestiging van de beslaglegger in het beslagexploot (art. 440 lid 1 sub a Rv), in het kader van de op het vreemdelingenbeslag gebaseerde internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de hoofdprocedure (art. 767 Rv).

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie zijn de relevante feiten als volgt.(1) Ice Shipping is eigenaresse van de onder Noorse vlag varende productentanker 'MARI UGLAND'. Carrier Tanker is eigenaresse van de onder Liberiaanse vlag varende tanker 'SCF AMUR'.

1.2 Op 28 februari 2010 voeren de 'MARI UGLAND' als tweede schip en de 'SCF AMUR' als derde schip in de Witte Zee met bestemming Vitrino, Rusland, in konvooi, welk konvooi werd geleid door de onder Russische vlag varende nucleaire ijsbreker 'VAYGACH'. Nadat de 'MARI UGLAND' was vastgelopen, heeft een aanvaring plaatsgevonden tussen de 'SCF AMUR' en de 'MARI UGLAND'. De 'SCF AMUR' is achterop de 'MARI UGLAND' gebotst.

1.3 Ice Shipping heeft op 12 mei 2010, na verkregen verlof van de voorzieningenrechter, de 'SCF AMUR', destijds afgemeerd te Amsterdam, in conservatoir vreemdelingenbeslag laten nemen.

1.4 Ice Shipping heeft in eerste aanleg in de hoofdzaak gevorderd dat Carrier Tanker wordt veroordeeld tot vergoeding van de als gevolg van de aanvaring ontstane schade. Carrier Tanker heeft incidenteel gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Carrier Tanker heeft voorts een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding.

1.5 Bij vonnis van 1 juni 2011 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep op nietigheid van de dagvaarding verworpen, omdat Carrier Tanker in het geding is verschenen en onvoldoende heeft toegelicht op welke wijze zij door de gestelde gebreken in de dagvaarding onredelijk in haar belangen is geschaad. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat zij op grond van art. 767 Rv bevoegd is van de vordering kennis te nemen, de vordering in het incident afgewezen en de hoofdzaak naar de rol verwezen. De rechtbank heeft van dit vonnis tussentijds hoger beroep toegestaan bij aanvullend vonnis in incident van 6 juli 2011.

1.6 In het door Carrier Tanker ingestelde appel heeft het hof Amsterdam bij arrest van 17 juli 2012 het vonnis van de rechtbank in stand gelaten, daartoe overwegende dat het beroep van Carrier Tanker op de nietigheid van het beslagexploot en van de inleidende dagvaarding ongegrond is (rov. 3.3 t/m 3.6), dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd op art. 767 Rv (rov. 3.7 t/m 3.9) en dat de grieven van Carrier Tanker betreffende art. 12 Rv (de Nederlandse rechter is onbevoegd omdat in een voor erkenning vatbare beslissing van de Russische rechter is bepaald dat tussen partijen over en weer geen aansprakelijkheid bestaat) en art. 3:13 BW (Ice Shipping heeft het beslag uitsluitend gelegd met het doel om zich aan het oordeel van de bevoegde Russische rechter te onttrekken, zodat sprake is van misbruik van recht) buiten beschouwing worden gelaten omdat zij tardief zijn aangevoerd (rov. 3.10 - 3.11).(2)

1.7 Bij arrest 11 september 2012 heeft het hof Amsterdam, op verzoek van Carrier Tanker, tussentijds cassatieberoep opengesteld van het op 17 juli 2012 gewezen arrest.

1.8 Carrier Tanker heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 17 juli 2012. Ice Shipping heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen waarmee het oordeel van het hof dat Carrier Tanker geen beroep toekomt op de nietigheid van het beslagexploot wordt bestreden.

2.2 Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 3.4 waarin het hof heeft geoordeeld over het standpunt van Carrier Tanker inzake de nietigheid van het beslagexploot dat kort gezegd erop neerkomt dat art. 767 Rv slechts rechtsmacht schept indien het beslag geldig is gelegd, dat hiervan geen sprake is omdat het beslagexploot in strijd met de wettelijke vereisten niet de werkelijke vestigingsplaats van Ice Shipping vermeldt, zodat het beslag nietig is op grond van art. 440 lid 1 sub a Rv (rov. 3.3). Het hof heeft dit standpunt van Carrier Tanker verworpen:

'3.4. (...) Carrier Tanker voert weliswaar met juistheid aan dat Ice Shipping in het beslagexploot ten onrechte de plaats van vestiging van haar (Ice Shippings) vertegenwoordiger, Singapore, heeft vermeld in plaats van haar werkelijke vestigingsplaats, de Marshall Islands, maar zij ziet over het hoofd dat Ice Shipping dit gebrek op grond van artikel 66, lid 2, Rv zou kunnen rechtzetten door het doen uitbrengen van een herstelexploot. Carrier Tanker heeft, zo heeft Ice Shipping onbetwist gesteld, daags na het leggen van het beslag, tegen opheffing daarvan, haar verzekeraar een garantie laten afgeven voor de vordering waarvoor het beslag is gelegd. Carrier Tanker heeft voorts pas in dit hoger beroep de nietigheid van het beslagexploot ingeroepen. Onder deze omstandigheden kan niet van Ice Shipping worden gevergd (alsnog) een herstelexploot te doen uitbrengen en komt Carrier Tanker geen beroep toe op de nietigheid van het beslagexploot'.

2.3 Naar het middel betoogt heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake de toepassing van art. 66 lid 2, althans art. 66 lid 1 Rv, dan wel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in vier subonderdelen. Subonderdeel 1.1 voert aan dat het hof ten onrechte art. 66 lid 2 Rv inzake het herstel van een gebrek in het exploot heeft toegepast, terwijl art. 438 jo. 705 Rv in dit geval als lex specialis toegepast had moeten worden; anders dan art. 66 lid 1 Rv staat art. 438 Rv niet toe dat de rechter een 'benadelingstoets' aanlegt op grond waarvan een gebrek in het beslagexploot slechts dan nietigheid meebrengt voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Mocht art. 66 lid 2 Rv in dit geval wel van toepassing zijn, dan voert subonderdeel 1.2 aan dat het hof deze bepaling onjuist heeft toegepast omdat de vermelding van de onjuiste vestigingsplaats van de beslaglegger alleen bij exploot kan worden hersteld. Nu geen sprake is van een herstel van dit gebrek bij exploot, heeft het hof ten onrechte beslist dat Carrier Tanker geen beroep op nietigheid van het beslagexploot toekomt. Volgens subonderdeel 1.3 heeft het hof miskend dat art. 66 lid 1 Rv in dit geval toepassing mist, dan wel heeft het hof deze bepaling onjuist toegepast wanneer zou blijken dat de bepaling voorrang heeft boven art. 438 Rv. Ten slotte betoogt subonderdeel 1.4 dat, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat Carrier Tanker geen beroep toekomt op de nietigheidsregel van art. 440 Rv omdat zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dat oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is.

2.4 De klachten kunnen naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Art. 66 Rv kan worden gezien als een exponent van het streven naar deformalisering van het burgerlijk procesrecht. Aan deze bepaling ligt het beginsel ten grondslag dat de nietigheid van proceshandelingen, zoals exploten, alleen dient te worden aangenomen indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft.(3) Daargelaten de vraag of hetgeen in art. 66 Rv in het algemeen voor exploten is bepaald ook heeft te gelden voor beslagexploten waarvoor art. 705 jo. art. 438 Rv in een bijzondere regeling voorziet, komt het mij voor dat het genoemde beginsel zich eveneens laat gelden bij het beoordelen van de nietigheid van beslagexploten op grond van art. 440 Rv.(4) Bij toepassing van dit beginsel zal een gebrek in het beslagexploot slechts tot de nietigheid van het exploot leiden, wanneer degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd.(5)

2.5 Het hof heeft voor zijn oordeel dat Carrier Tanker geen beroep toekomt op de nietigheid van het beslagexploot van belang geacht de omstandigheid dat Carrier Tanker daags na het leggen van beslag, tegen opheffing daarvan, haar verzekeraar een garantie heeft laten afgeven voor de vordering waarvoor het beslag is gelegd, en dat Carrier Tanker pas in hoger beroep de nietigheid van het beslagexploot heeft ingeroepen (rov. 3.4). Voorts heeft het hof vastgesteld dat 'tussen partijen vaststaat wat de vestigingsplaats van Ice Shipping is' (rov. 3.6), zodat Carrier Tanker niet in onzekerheid verkeerde omtrent de identiteit en de vestigingsplaats van de beslaglegger.(6) Het hiervoor (in 2.4) genoemde beginsel brengt, in het licht van deze omstandigheden, met zich dat het gebrek in het beslagexploot niet tot de nietigheid van het exploot leidt, nu vast staat dat Carrier Tanker door dit gebrek niet onredelijk is benadeeld.

2.6 Het eindoordeel van het hof kan in stand blijven, ook wanneer moet worden aangenomen dat het hof dat oordeel ten onrechte op art. 66 lid 2 Rv heeft gebaseerd. Onderdeel 1 en het daarop voortbouwende onderdeel 2 kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1.1 t/m 3.1.3 van het bestreden arrest van het hof Amsterdam van 17 juli 2012.

2 In rov. 3.12 heeft het hof, ten overvloede, aangegeven waarom deze grieven op inhoudelijke gronden falen.

3 Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 216.

4 Vgl. Groene Serie Burgerlijk Rechtsvordering, art. 440 Rv, aant. 3 (Van Mierlo); Gieske 2012, (T&C Rv), art. 440, aant. 2.

5 Vgl. HR 16 februari 2007, LJN: AZ2593, NJ 2007/118, rov. 3.5.3.

6 Vgl. HR 18 oktober 1991, LJN: ZC0373, NJ 1992/298, m.nt. HJS.