Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
13/02165
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3759, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Verzoek tot opheffing ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige. Schending hoor en wederhoor? Feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 13/02165

Mr. P. Vlas

Zitting, 14 juni 2013

Conclusie inzake art. 80a RO:

[de moeder]

(hierna: de moeder),

tegen

Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Rijnmond,

te Rotterdam

(hierna: de Raad)

1. Bij beschikking van 6 februari 2013 heeft het hof Den Haag de beschikking van 7 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam bekrachtigd, waarbij [de minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] 2012, voor de duur van één jaar onder toezicht is gesteld. De moeder heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.

2. In cassatie voert de moeder zes cassatiemiddelen aan. Deze klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Voor zover al aangenomen moet worden dat de middelen voldoen aan de daaraan te stellen eisen, geldt het volgende. Middel 1 klaagt - kort gezegd - dat het hof de gegrondheid van de genomen maatregelen niet heeft getoetst aan de daarvoor geldende wettelijke maatstaven. De klacht faalt, omdat het hof daarvan wel blijk heeft gegeven in rov. 8 t/m 11. Middel 2, waarin wordt geklaagd over schending van art. 6 EVRM, faalt omdat van een schending van hoor en wederhoor geen sprake is. De middelen 3 t/m 5 klagen over schending van diverse procesrechtelijke voorschriften. Deze middelen falen, omdat zij geen betrekking hebben op de bestreden beschikking. In middel 6 wordt geklaagd dat het hof eraan is voorbijgegaan dat onderzoek had moeten worden gedaan naar de 'opvoedingsvaardigheden' van de moeder. Het middel mist feitelijke grondslag, nu het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op het rapport van de Raad van 25 augustus 2012 en onduidelijk is of de moeder wil meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek (rov. 9).

3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G