Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3749

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-06-2013
Datum publicatie
15-07-2013
Zaaknummer
12/02914
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3749, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onpartijdigheid rechter; art. 6 EVRM. Afwijzing verzoek tot openstellen tussentijds cassatieberoep. Bindende eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/400
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/02914

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 14 juni 2013

Conclusie inzake

[eiseres]

tegen

Eglise Réformée Wallonne d'Utrecht

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak, waarin in cassatie wordt geklaagd over schending van het onpartijdigheidsbeginsel en over het niet terugkomen van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing, om het volgende.

Inzet van het geding is de vraag welk arbeidsvoorwaardenpakket vanaf 1 mei 2004 van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van partijen, verder in navolging van het hof te noemen: [eiseres] en de Eglise Wallonne. Daarbij teken ik aan dat het hof overwoog dat thans verweerster in cassatie, de rechtspersoon De Waalse Hervormde Kerk Gemeente Utrecht, zichzelf in deze procedure aanduidt met de naam Eglise Wallonne. Sinds 1 mei 2004 valt de Eglise Wallonne, bij wie [eiseres] vanaf deze datum als koster in dienst is, onder de overkoepelende organisatie van de Protestantse Kerken in Nederland (verder: de PKN). Op die datum is de arbeidsvoorwaardenregeling van de PKN (verder: de PKN-regeling) - die onder meer geldt voor koster-beheerders zoals [eiseres] - van kracht geworden. In november 2005 heeft [eiseres] bij de Eglise Wallonne aan de orde gesteld dat deze ten onrechte niet de PKN-regeling op de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft toegepast. De Eglise Wallonne heeft in januari 2006 erin toegestemd de PKN-regeling met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2004 op de arbeidsovereenkomst met [eiseres] toe te passen. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van een te verrichten nabetaling. Bij dagvaarding van 19 september 2006 heeft [eiseres] gevorderd de Eglise Wallonne te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 55.592,25 vermeerderd met de wettelijke rente.

2. De rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, verder: de kantonrechter, heeft op 4 april 2007 een tussenvonnis gewezen. De kantonrechter oordeelde dat [eiseres] terecht aanspraak maakt op de toepasselijkheid van de PKN-regeling op haar individuele arbeidsovereenkomst, maar dat de Eglise Wallonne eveneens terecht aanvoert dat de regeling in zijn totaliteit van toepassing is en dat [eiseres] niet daaruit kan kiezen wat haar bevalt onder handhaving van haar oorspronkelijke arbeidsvoorwaarden waar die haar beter uitkomen. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om de hoogte van de vordering van [eiseres] concreet te (her)berekenen op basis van de met ingang van 1 mei 2004 integraal toepasselijke arbeidsvoorwaarden. De kantonrechter heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.

Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem heeft - nadat het bij incidenteel arrest de door [eiseres] op de voet van art. 223 Rv gevorderde voorlopige voorziening had afgewezen - bij tussenarrest van 3 maart 2009 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd met aanvulling van de gronden waarop het berust, en het heeft de zaak ter verdere afdoening met inachtneming van zijn arrest terugverwezen naar de kantonrechter nu partijen geen verzoek hadden gedaan tot prorogatie.

[eiseres] heeft het hof op de voet van art. 401a lid 2 Rv verzocht alsnog verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds cassatieberoep tegen het tussenarrest van 3 maart 2009. Het hof dit verzoek afgewezen.

Bij eindvonnis van 28 juli 2010 heeft de kantonrechter de Eglise Wallonne veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 1.700,49, met rente.

Op het door [eiseres] ingestelde hoger beroep tegen het eindvonnis, heeft het hof bij eindarrest van 17 januari 2012 het eindvonnis bekrachtigd. Het hof overwoog in rov. 2.6 dat het in zijn tussenarrest uit 2009 de beslissing van de kantonrechter betreffende de toepasselijke arbeidsvoorwaarden heeft onderschreven, dat het hier gaat om een eindbeslissing van de kantonrechter waartegen [eiseres] tevergeefs heeft geappelleerd en waartegen niet nogmaals geappelleerd kan worden. Het hof verwees naar het arrest van uw Raad van 4 mei 1985, LJN AG4805, NJ 1985/3, waarin werd overwogen dat de rechter, die in een tussenvonnis een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist in het verdere verloop van de procedure op die beslissingen niet mag terugkomen. Het hof voegde daaraan toe ook overigens geen reden te zien om terug te komen van zijn oordeel, nu niets is gesteld of gebleken omtrent een eventuele uitzondering op evenbedoelde regel.

3. [eiseres] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het eindarrest van het hof. De Eglise Wallonne is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [eiseres] heeft haar cassatieberoep nog schriftelijk toegelicht.

De cassatiemiddelen

4. Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het in art. 6 EVRM verankerde hoofdbeginsel dat de rechter zich onafhankelijk van partijen dient op te stellen en partijen onbevooroordeeld tegemoet dient te treden, is geschonden. Het middel betoogt dat van schending van dit hoofdbeginsel sprake is nu mr. Fokker die deel uitmaakte van de zetel die het eindarrest wees, tevens deel uitmaakte van de zetel die het tussenarrest wees waarin ook ten nadele van [eiseres] werd beslist.

5. Het middel beoogt kennelijk te klagen over objectieve partijdigheid. Het betreft daarbij niet de feitelijk aanwezige persoonlijke instelling van een individuele rechter, maar de indruk die bij (een der) partijen bestaat of zou kunnen bestaan over de aanwezigheid van vooringenomenheid van de rechter, dat wil zeggen de schijn van partijdigheid. De toets daarbij is of de rechter voldoende waarborgen biedt om bij de partijen elke gerechtvaardigde twijfel aan onpartijdigheid van de rechter uit te sluiten, ongeacht of er daadwerkelijk sprake is van vooringenomenheid van de rechter. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

Als uitgangspunt geldt dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder als rechter bemoeienis heeft gehad met een zaak onvoldoende is om de vrees voor partijdigheid van de rechter te rechtvaardigen. Van belang zijn de 'scope and nature' van de eerdere bemoeienis. Wanneer het gaat om eerdere bemoeienis als zittingsrechter in een civiele procedure, zullen bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden vereist zijn om schending van het onpartijdigheidsvereiste van art. 6 EVRM te kunnen aannemen. Het enkele feit dat de rechter in een eerdere fase van het geding als zittingsrechter een beslissing in het nadeel van een der partijen heeft genomen, brengt niet mee dat sprake is van partijdigheid waartegen art. 6 EVRM bescherming biedt. Het is immers de taak van de rechter in een civiele procedure over de juistheid dan wel aannemelijkheid van de vaak talrijke stellingen en standpunten van partijen te oordelen. Grond voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bij de betrokken rechter of rechters kan niet worden gevonden in het enkele feit dat de rechter die de einduitspraak wijst of die deel uitmaakt van de zetel die de uitspraak wijst, ook de rechter was of een van de rechters was die de tussenuitspraak heeft gewezen waarin een of meer uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissingen (de zogeheten bindende eindbeslissingen) zijn gegeven. Grond voor zodanige vrees kan ook niet worden gevonden in het enkele feit dat de partij in wiens nadeel die beslissing is gegeven, zich met het desbetreffende oordeel niet kan verenigen. Zie HR 16 januari 2009, LJN BG4012, NJ 2009, 562, m.nt. H.J. Snijders.

Snijders wijst in zijn annotatie erop dat het veelvuldig onvermijdelijk althans wenselijk is dat rechters in een civiele zaak gefragmenteerd oordelen en dat er dan bij de afsluiting van een bepaalde fase in de zaak dikwijls een beslissing ten nadele van een der partijen wordt genomen. Het is nu juist goed en efficiënt als die verschillende fasen zoveel mogelijk door dezelfde rechters worden behandeld. Aldus Snijders, die onder verwijzing naar de conclusie van de A-G Langemeijer, opmerkt dat er (gelukkig) geen Europese rechtspraak is die een ander oordeel van de Hoge Raad zou vragen. Ik volsta hier verder met een verwijzing naar de uitvoerig gedocumenteerde conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer.

Gaat het om een beslissing in een andere procedure of instantie, dan kan er overigens wel objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaan. Daarvan is hier geen sprake. Daarbij merk ik op dat de beslissing in het incident slechts een voorlopige (provisionele) voorziening betreft voor de duur van het geding die de raadsheren in de hoofdzaak niet bindt.

6. Het tweede cassatiemiddel klaagt ten eerste dat [eiseres] niet in de gelegenheid is gesteld tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen het tussenarrest van het hof van 3 maart 2009, waardoor [eiseres] - zo begrijp ik het middel - de kans is ontnomen het materieelrechtelijke oordeel van het hof in hogere instantie te doen toetsen op de door haar geformuleerde klachten.

Het middel richt zich daarnaast tegen rov. 2.5 (bedoeld zal zijn rov. 2.6). Het middel klaagt dat het hof bevoegd was tot een heroverweging van zijn in zijn tussenarrest van 3 maart 2009 gegeven eindbeslissing en dat het hof heeft nagelaten dat (expliciet) te doen.

7. De eerste klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat het niet openstellen van tussentijds cassatieberoep niet eraan in de weg staat dat tegelijk met cassatieberoep tegen het eindarrest cassatieberoep wordt ingesteld tegen het tussenarrest. Het openstellen van tussentijds beroep tegen een tussenuitspraak vormt een uitzondering op de regels van art. 337 en art. 401a Rv. Als hoofdregel geldt dat beroep tegen een tussenuitspraak slechts tegelijk met beroep tegen de einduitspraak kan worden ingesteld, ook in geval van tussenuitspraken die zijn gewezen in tussentijds hoger beroep tegen een tussenuitspraak in eerste aanleg met terugverwijzing van de zaak naar de rechter in eerste aanleg.

8. De tweede klacht faalt eveneens. Sinds zijn door het hof genoemde arrest van 4 mei 1984, LJN AG4805, NJ 1985/3 m.nt. WHH heeft uw Raad de ruimte om in een latere uitspraak terug te komen van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing in een tussenuitspraak aanzienlijk vergroot. In zijn arresten van 24 april 2008, LJN BC2800, NJ 2008/553 m.nt. Snijders en HR 26 november 2010, LJN BN8521, NJ 2010/634 heeft uw Raad geoordeeld dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om - nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten - over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Deze nieuwe jurisprudentie handhaaft evenwel het uitgangspunt dat een eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing de rechter bindt. Dit brengt mee dat de rechter die reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud op een geschilpunt heeft beslist en aan wie een op dat punt reeds door hem verworpen betoog opnieuw wordt voorgehouden, daaraan zonder meer mag voorbijgaan onder verwijzing naar zijn eerdere beslissing. Zie Asser Procesrecht/ Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent, Hoger beroep, 2012, nr. 158. Zie voorts Asser, "De grondslag van de binding van de rechter aan zijn eigen eindbeslissing" in de bundel Strikwerda's conclusies, 2011, p. 17-33.

Het hof heeft in rov. 2.6 van zijn eindarrest, zoals hiervoor onder 2 reeds aangegeven, overwogen dat het in zijn tussenarrest uit 2009 de beslissing van de kantonrechter betreffende de toepasselijke arbeidsvoorwaarden heeft onderschreven, dat het hier gaat om een eindbeslissing van de kantonrechter waartegen [eiseres] tevergeefs heeft geappelleerd en waartegen niet nogmaals geappelleerd kan worden. Het hof, dat daarbij verwees naar HR 4 mei 1985, LJN AG4805, NJ 1985/3 inzake de gebondenheid aan uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen, voegde daaraan toe ook overigens geen reden te zien om terug te komen van zijn oordeel nu niets is gesteld of gebleken omtrent een eventuele uitzondering op de genoemde regel.

In deze overweging ligt besloten het oordeel dat niet is gesteld of gebleken dat het hof, om te voorkomen dat het op een ondeugdelijke feitelijke of juridische grondslag einduitspraak zou doen, terug zou moeten komen van zijn beslissingen in zijn tussenarrest van 2009, waarbij het hof de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing van de kantonrechter omtrent de toepasselijke arbeidsvoorwaarden bekrachtigde. Het cassatiemiddel bestrijdt dat oordeel niet. Daarop stuit het middel af.

9. Het derde, vierde en vijfde cassatiemiddel falen. Het derde middel bouwt voort op het tweede middel. Het vierde middel bevat een herhaling van de eerste klacht van het tweede middel. Het vijfde middel bouwt voort op het vierde middel.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden