Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3314

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12/03293 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3314
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Verschoningsrecht notaris. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2005/353. De Rb heeft met toepassing van de juiste maatstaf uiteengezet dat en waarom zij van oordeel is dat zich de zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook t.a.v. datgene waarvan de wetenschap de klager als notaris is toevertrouwd - dient te prevaleren boven het verschoningsrecht. Daarbij heeft de Rb betrokken dat de aan klager verweten gedragingen raken aan de kern van diens werkzaamheden als, en aan dienst openbare en maatschappelijke functie van, notaris, in verband waarmee de wet hem voorhoudt dat hij zijn diensten zal hebben te weigeren in die gevallen waarin hij moet beseffen dat die eraan kunnen bijdragen dat i.s.m. het recht of met de openbare orde wordt gehandeld, of dat de van hem verlangde werkzaamheden een ongeoorloofd doel of gevolg dichterbij kunnen brengen. De Rb heeft vastgesteld dat klager wordt verdacht van o.m. het medeplegen van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift m.b.t. authentieke akten, en heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat deze feiten als een zeer ernstig misdrijf moeten worden aangemerkt. Het oordeel van de Rb getuigt, in het licht van hetgeen partijen bij de behandeling in openbare raadkamer naar voren hebben gebracht, niet van miskenning van de in dit verband geldende zware motiveringseisen, en de Rb was niet gehouden haar oordeel omtrent het bestaan van de verdenking jegens klager en omtrent de ernst van die verdenking nader te motiveren om dit begrijpelijk te doen zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat hetgeen namens klager is aangevoerd de Rb in een beklagprocedure als de onderhavige, waarin slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre de jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is, niet noopte de jegens klager bestaande verdenking als ongegrond aan te merken. De Rb was niet gehouden nader te motiveren waarom kennisneming van alle inbeslaggenomen documenten met het oog op de waarheidsvinding dringend geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/03293 B

Mr. Vellinga

Zitting: 19 maart 2013

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank Zwolle - Lelystad heeft het beklag strekkende tot opheffing van het beslag op 29 notarisdossiers bij beschikking van 10 februari 2012 ongegrond verklaard.

2. Namens klager heeft mr. J.G. Geertsma, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/03293 B, 12/03300 B en 12/04738 B. In alle zaken zal vandaag worden geconcludeerd.

4. Aan de beschikking van de Rechtbank ligt de volgende gang van zaken ten grondslag. Op 31 oktober 2011 heeft de rechter-commissaris een doorzoeking gedaan in het kantoorpand van [A] te Almere wegens een tegen klager gerezen verdenking van fraude. Tijdens die doorzoeking heeft klager, notaris, de door het openbaar ministerie gevorderde dossiers overgelegd. Deze dossiers zijn in het bijzijn van de rechter-commissaris door klager en de ringvoorzitter bekeken teneinde vast te stellen of er geheimhoudersstukken in de dossiers aanwezig waren waar het openbaar ministerie niet om had gevraagd. De rechter-commissaris heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen geheimhoudersstukken geoordeeld dat deze zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn gepleegd. Zijdens klager is toen medegedeeld dat dit vooralsnog werd betwist. De rechter-commissaris heeft de desbetreffende stukken vervolgens verpakt in verzegelde enveloppen en doen opslaan bij het kabinet rechter-commissaris, locatie Lelystad.

5. Aan de bestreden beschikking ligt ten grondslag dat klager als notaris ter zake van de inbeslaggenomen stukken een beroep toekomt op het verschoningsrecht als bedoeld in art. 218 Sv. In de bestreden beschikking oordeelt de Rechtbank dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de inbeslaggenomen stukken zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn gepleegd.

6. Volgens de Rechtbank doen zich in het onderhavige geval zeer uitzonderlijke omstandigheden voor die de inbeslagname van de geheimhoudersstukken rechtvaardigen. Alle middelen richten zich tegen dat oordeel.

7. De Rechtbank heeft met betrekking tot het bestaan van die zeer uitzonderlijke omstandigheden het volgende overwogen:

"De Hoge Raad heeft blijkens bestendige jurisprudentie op dit punt geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan meebrengen dat het in artikel 98 Sv genoemde verbod wordt geschonden. Deze inbreuk op het verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid en voor een dergelijke uitzondering gelden strenge motiveringseisen. Hierbij kan onder meer een rol spelen de vraag of het gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking; de aard en ernst van de verdenking(en); de aard en omvang van de gegevens en de vraag of de informatie niet via andere weg kan worden verkregen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld, om de navolgde redenen.

Klager wordt onder meer verdacht van het medeplegen van witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) en het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot authentieke akten (artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht). De aan klager verweten gedragingen raken de kern van de werkzaamheden en de functie van een notaris, in het bijzonder zijn openbare en maatschappelijke functie. Die functie komt onder meer tot uitdrukking in artikel 21 van de Wet op het notarisambt. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in het tweede lid. Dit lid bepaalt onder meer dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde of wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben. De maatschappelijke functie van een notaris brengt met zich mee dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op door hem opgestelde en ondertekende stukken. Juist door dat vertrouwen in de bemoeiingen van de notaris, pleegt er in het maatschappelijk verkeer een grote waarde te worden toegekend aan een door hem opgestelde authentieke akte.

Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door in een authentieke akte gegevens op te nemen die in strijd zijn met de waarheid, dan zou dat ook ernstig afbreuk doen aan het ambt van de notaris en de maatschappelijke functie van de notaris in het algemeen. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf, maar ook van zeer uitzonderlijke omstandigheden, omdat er in dit geval met de waarheidsvinding een groter belang is gediend, namelijk het maatschappelijk belang van de naleving van de aan de notaris in het tweede lid van artikel 21 van de Wet op het notarisambt opgelegde plicht met het oog op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van de notaris moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank heeft in haar oordeel voorts betrokken dat het gaat om een verdenking gericht tegen de verschoningsgerechtigde (in casu klager) en dat de medeverdachten van klager, die in beginsel mogen rekenen op de geheimhouding door klager, daarop niet mogen rekenen in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens.

Bovendien valt niet in te zien hoe de (inhoud van de) desbetreffende authentieke stukken op een andere wijze dan door de inbeslagname ervan, zouden kunnen worden verkregen.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het belang van de waarheidsvinding vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager."

8. Met betrekking tot het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen in een geval waarin een notaris werd verdacht van een strafbaar feit overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 30 oktober 2007, LJN BA5611, NJ 2008, 115, m.nt. T.M. Schalken:

"4.3. Het verschoningsrecht van de notaris, dat onder meer in de art. 98 en 125l Sv tot uitdrukking is gekomen, is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden - en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht - sprake is, gelden zware motiveringseisen.

De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen (vgl. HR 14 juni 2005, LJN AT4418, NJ 2005, 353)."(1)

In concreto oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van het oordeel van de Rechtbank dat zich bedoelde zeer uitzonderlijke omstandigheden voordeden:

"4.5.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor onder 4.3 bedoeld.

De Rechtbank heeft bij haar oordeel kennelijk tot uitgangspunt genomen hetgeen omtrent de verdenking tegen de notaris in de vordering inbeslagneming van de Officier van Justitie en de beslissing daarop van de Rechter-Commissaris is vermeld, te weten medeplegen van of medeplichtigheid aan valsheid in geschrift, het doen opnemen van een valse opgave in een authentieke akte, medeplichtigheid aan het onjuist en/of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte en deelneming aan een criminele organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten oplichting, valsheid in geschrift en het doen van onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften.

4.5.2. De overwegingen van de Rechtbank houden, zakelijk samengevat, in dat:

(i) de tegen de notaris bestaande verdenking gelet op de inhoud van de stukken niet op voorhand onjuist is te achten;

(ii) de notaris heeft meegewerkt aan vele zogenoemde ABC-transacties, waarbij vaak in slechte staat van onderhoud verkerende panden die zijn gelegen in zogenoemde probleemwijken in Rotterdam op één dag tweemaal werden verkocht. Daarbij bestaat het vermoeden dat de tussenliggende koper/verkoper ("B") telkens een zogenaamde stroman was, omdat het personen betrof zonder vermogen of inkomen die veelal in Suriname wonen, dat de betaling niet door de stroman (de koper in de akte) zelf is verricht en dat de winsten die ten goede komen aan de betrokken stro-mannen niet aan hen zijn uitgekeerd, maar aan de mede-verdachten, de gebroeders [betrokkene 3 en 4] en/of [B] B.V.;

(iii) bij deze transacties, zoals aangegeven in een aantal van de zich in het dossier bevindende verklaringen van de stromannen, ook gebruik zou zijn gemaakt van valse, vervalste en/of geantedateerde machtigingen;

(iv) een dergelijke constructie zou zijn opgezet om de vennootschapsbelasting te ontduiken, waarbij het benadelingsbedrag voor de fiscus ten tijde van de behandeling in raadkamer ruim € 400.000,-- bedroeg;

(v) de genoemde medeverdachten hun geldstromen ter zake van de ABC-transacties vermoedelijk onder meer via de derdengeldrekening van het notariskantoor hebben laten lopen;

(vi) het onderzoeksbelang vergt dat inzicht wordt verkregen in de financiële afwikkeling van de ABC-transacties en dat niet aannemelijk is dat de geldstromen op andere wijze kunnen worden blootgelegd en onderzocht dan, met doorbreking van het verschoningsrecht, door onderzoek van de inbeslaggenomen digitale financiële bestanden;

(vii) het onderzoeksbelang vergt dat kennis wordt genomen van de aan de transportakten gehechte originele volmachten en dat niet aannemelijk is dat de concrete inhoud en verschijningsvorm van de aan de minuut van de transportakte gehechte volmacht en de aanwezigheid en echtheid van de volmachten op een minder ingrijpende wijze dan door middel van doorbreking van het verschoningsrecht kunnen worden blootgelegd of onderzocht.

4.6. Het oordeel van de Rechtbank geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de notaris wordt verdacht van ernstige strafbare feiten, waaronder het doen opnemen van valse opgaven in authentieke akten en het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met een cliënt of cliënten - de genoemde medeverdachte(n) - met het oog op het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en/of het doen van onjuiste of onvolledige belastingaangiften. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de Rechtbank, niet onbegrijpelijk, heeft aangenomen a) dat geldstromen ter zake van de ABC-transacties via de derdengeldrekening van de klager zijn gelopen, b) dat in het onderhavige geval een zwaarwegend onderzoeksbelang bestaat dat zich ook uitstrekt tot de medeverdachten, en c) dat deze belangen van de waarheidsvinding onder de gegeven omstandigheden niet op een minder ingrijpende wijze kunnen worden gediend dan doordat het verschoningsrecht daarvoor moet wijken, waarbij in het bijzonder geldt dat met het oog op de aard van de strafbare feiten waarvan de notaris en de medeverdachten worden verdacht niet met uit openbare bronnen verkregen gegevens of bescheiden - waarvan een aantal naar het oordeel van de Rechter-Commissaris voorwerp uitmaken van het strafbare feit of tot het begaan daarvan hebben gediend - kon worden volstaan."

9. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank zijn beslissing dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen onvoldoende met redenen heeft omkleed omdat de Rechtbank heeft volstaan met in algemene bewoordingen vervatte overwegingen zonder in te gaan op hetgeen omtrent de concrete omstandigheden van het geval is aangevoerd.

10. Met betrekking tot de concrete omstandigheden van het onderhavige geval houdt de pleitnota, die blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer aldaar is voorgedragen, met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten in:

"16. Indien uw rechtbank van oordeel is zou zijn dat er sprake is van deze 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' dan geldt meet subsidiair dat deze inbreuk niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten van de geheimhouder wordt verdacht onevenredig worden getroffen.

17. Het valt op dat zeer veel (29 maar liefst!) notarisdossiers in beslag zijn genomen. Ten aanzien van het totale beslag dat onderwerp van dit beklag is, kunnen vier sets stukken worden onderscheiden:

(i) vier witte enveloppen; een envelop met notarisdossier 1554/2785/2924, een envelop met notarisdossiers 3382/3811, een envelop met notarisdossiers 4214/4215 en een envelop met notarisdossier 2658;

(ii) één witte envelop met een enkel document

(iii) de gele enveloppen met de notarisdossiers 1554, 2785, 2924, 3377, 3503, 3515, 3516, 3679, 3710, 3891, 3720, 4007, 3728, 3807, 3902, 3911, 3920, 4038, 4105, 5002, 4959, 5089, 5106, 5124;

(iv) één witte envelop met een USB-stick, bevattende de digitale dossiers en de agenda en e-mail gegevens.

Ad (i) De vier witte enveloppen

18. Deze enveloppen bevatten, uitgezonderd notarisdossier 2658, de notarisdossiers van de zaken die in de processtukken als onderwerp van onderzoek worden aangemerkt:

- [a-straat 1] (2924)

- [b-straat 1] (2785)

- [c-straat 1] (1554)

- [d-straat 1](4214,4215)

- [e-straat 1] (3382, 3811)

[a-straat 1] (2924) en [b-straat 1] (2758)

19. Het verwijt in deze dossiers betreft het in strijd met de leveringsakte uitbetalen van de verkoopopbrengst aan een derde in plaats van de verkoper. Hierover is inmiddels reeds het nodige gezegd. Van belang is dat deze dossier van vóór februari 2008 dateren, dus vóór de inwerkingtreding van de Beleidsregel. Voor schending van deze regel na 2008 is een aantal notarissen tuchtrechtelijk aangesproken omdat zij aan een woonlastenbeschermers gelden uitbetaalden: de klacht werd gegrond verklaard met oplegging van de maatregel enkele waarschuwing. Het Openbaar Ministerie beschikt al over de koopovereenkomsten A-B, de leveringsakten B-C, de hypotheekakten C, de rekeningoverzichten met de betalingen van en aan [betrokkene 2] van de ING Bank en ABN AMRO Bank (waaronder de litigieuze betalingen) en het kwaliteitsrekeningenoverzicht van notaris [betrokkene 1]. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor een valsheid, dan wel het vereiste opzet daarop, een tuchtprocedure ligt meer voor de hand dan een strafrechtelijke toets en van noodzaak tot kennisname, naast de stukken waarover het Openbaar Ministerie reeds de beschikking heeft, is niet gebleken.

[c-straat 1] (1554)

20. Ten aanzien van de [c-straat 1] is al geoordeeld dat een tweetal documenten mogelijkerwijs als 'corpora et instrumenta delicti' is aan te merken. De verwijten in deze a-typische zaak betreffen een vals identiteitsdocument, een valse hypotheekaanvraag en een valse opgaaf omtrent looninkomsten.

Over het vals identiteitsdocument bestaat evenwel geen enkele verdere twijfel, die beslag van vertrouwelijk notarisdossiers rechtvaardigt. Het is achteraf duidelijk wat mevrouw heeft gedaan; de voorletters zijn omgedraaid en deze mevrouw is de enige vrouw die iets ouder wil zijn dan zij werkelijk is. De notaris heeft niet anders dan de verzekeraar gereageerd. Hij is er ook ingetuind, waarbij de tuchtrechtelijke vraag mogelijk is of hij te dien aanzien voldaan heeft aan zijn notariële zorgplicht. Een en ander wil niet zeggen dat de notaris strafrechtelijk heeft gehandeld. Van belang is dat er een rectificatieakte heeft plaatsgevonden. De notaris heeft geen zicht op de verwijten omtrent de valse hypotheekaanvraag bij [C] en de valse opgaaf omtrent looninkomsten. Het Openbaar Ministerie beschikt al over de leveringsakte, de koopovereenkomst, de hypotheekaanvraag, de hypotheekofferte en de begeleidende brief, de werkgeversverklaring en salarisspecificatie. In aanmerking genomen het oordeel van de notaris omtrent het kopie identiteitsdocument en de hypotheekakte is er geen verdere noodzaak dat ten behoeve van de waarheidsvinding door middel van inzage in de notarisdossiers het zwaarwegende maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk tot de notaris mag wenden moet wijken.

[e-straat 1] (3382, 3811)

21. De verdenking jegens de notaris betreft hier enkel art. 326 Sr, geen art. 225/226 Sr. Deze verdenking is overigens niet teruggekomen op de vordering tot bewaring. Er is ook daarom geen noodzaak om inzage te krijgen in de notarisdossiers ten koste van het maatschappelijk belang dat door het verschoningsrecht wordt gewaarborgd. Het Openbaar Ministerie beschikt bovendien al over leveringsakten, de hypotheekakten, het hypotheekdossier B incl koop- en aannemingsovereenkomst, de koopovereenkomst B-C, het taxatierapport C, het hypotheekdossier C, de hypotheekakte C en de rekeningoverzichten met de betalingen van en aan [betrokkene 2] van de ING Bank en ABN AMRO bank.

[d-straat 1] (4214, 4215)

22. Het verwijt in de zaak van [d-straat 1] houdt kort gezegd dat de opbrengst uit de verkoop van het ene registergoed via de kwaliteitsrekening wordt aangewend bij de aankoop van een ander registergoed. Dit verwijt, witwassen, volgt op de verwijten uit de zaak van de [a-straat 1]. Het aanwenden van de verkoopopbrengst voor een volgende aankoop via de kwaliteitsrekening is strafrechtelijk noch tuchtrechtelijk laakbaar. Het is ook geen red flag (risico-indicator). Er zijn geen of onvoldoende aanwijzingen voor betrokkenheid bij witwassen en er is geen noodzaak tot inzage van het dossier; het Openbaar Ministerie beschikt reeds over de rekeningafschriften.

23. In het algemeen dient te worden opgemerkt dat de notaris niet als een auctoriale lezer alles ziet of weet. Hij kan niet alles zien of beoordelen en hij is afhankelijk van de informatie die personen, bedrijven en instanties hem aanleveren (daarom is het maatschappelijk vertrouwen in handhaving van het beroepsgeheim ook zo belangrijk!):

"Op de notaris rust weliswaar een onderzoeksplicht, maar hij heeft als juridisch dienstverlener geen informatiepositie die vergelijkbaar is met die van een bestuurlijk toezichthouder of een opsporingsdienst. Daarmee is hetgeen hij kan waarnemen omtrent de rol die de door hem verleende diensten in een bredere context zouden kunnen spelen, per definitie beperkt."

ad (ii) De enkele witte envelop

24. Dit betreft een document met een bericht aan het Kadaster uit een notarisdossier dat op geen enkele wijze betrekking heeft op het dossier 4215 waarin het werd aangetroffen of op andere in beslag genomen dossiers.

Ad (iii) De gele enveloppen

25. Dit betreft een 22-tal overige notarisdossiers dat door het Openbaar Ministerie in beslag is genomen. Niet is gebleken dat deze zaken serieus onderwerp van onderzoek zijn. In dat verband is ook van belang dat de uitspraak van bijvoorbeeld de rechtbank Maastricht over drie in beslag genomen dossiers ging. Daarbij geldt dat inmiddels al is aangekondigd dat het strafdossier begin april 2012 gereed zal zijn, zodat dit laatste ook minder aannemelijk is.

Ad (iv) De witte envelop met USB-stick

26. Hierop bevinden zich de in beslag genomen digitale gegevens. Dezelfde standpunt worden hierbij ingenomen."

11. Hetgeen aldus bij pleidooi is aangevoerd bevat een drietal bezwaren tegen de inbeslagneming van de onderhavige dossiers:

a. ten aanzien van enkele zaken waarop het onderzoek betrekking heeft, bestaat onvoldoende verdenking dat verdachte zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel ligt een tuchtrechtelijke aanpak meer voor de hand;

b. het openbaar ministerie beschikt reeds over voldoende stukken;

c. van 22 dossiers is niet gebleken dat deze zaken betreffen die serieus voorwerp van onderzoek zijn.

12. De Rechtbank heeft haar oordeel dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen in bovengenoemde zin gebaseerd op de volgende overwegingen:

a. klager, notaris, wordt onder meer verdacht van het medeplegen van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot authentieke akten;

b. deze strafbare feiten raken de kern van de werkzaamheden en de functie van klager als notaris als tot uitdrukking gebracht in art. 21 Wet op het notarisambt;

c. art. 21 Wet op het notarisambt bepaalt dat een notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, doch verplicht hem evenzeer zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde of wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben;

d. de maatschappelijke functie van de notaris brengt mee dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op de door de notaris opgestelde en ondertekende stukken; juist daarom pleegt in het maatschappelijk verkeer grote waarde te worden toegekend aan door een notaris opgestelde authentieke akte;

e. zou bewezen worden dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door in een authentieke akte gegevens op te nemen die in strijd zijn met de waarheid, dan zou dat ernstig afbreuk doen aan het ambt van notaris en de maatschappelijke functie van de notaris in het algemeen;

f. in een dergelijk geval is met de waarheidsvinding een groter belang gediend dan met het aanvaarden van een beroep op het verschoningsrecht;

g. de medeverdachten van klager mogen in beginsel rekenen op de geheimhouding door klager, maar niet in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens;

h. het valt niet in te zien hoe de inhoud van de desbetreffende authentieke stukken op een andere wijze dan door de inbeslagname ervan zouden kunnen worden verkregen.

13. De Rechtbank leunt in haar oordeel sterk op de maatschappelijke functie van de notaris. Volgens Kraan dient de notaris die zich in geval van hypotheekfraude of soortgelijke oplichtingsgevallen op zijn geheimhoudingsplicht beroept, met dit beroep naar zijn overtuiging geen enkel maatschappelijk belang en zeker niet het belang van het notariaat. "Voor gegevens waarvan een notaris op de hoogte is indien hij zonder het te weten een dienst heeft verricht om het opmaken waarom is verzocht met het oogmerk om een of meer anderen te duperen dient geen geheimhoudingsplicht te gelden. De notaris behoort deze gegevens dus in een geval waarin een ernstig vermoeden bestaat dat van een misdrijf sprake is, mee te delen aan degenen die in dit geval een onderzoek instellen of - als getuige - aan de rechter."(2) Deze opvatting heeft weerklank gevonden in de Handleiding voor de doorzoeking van een notariskantoor van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.(3) In die handleiding wordt met zoveel woorden gesteld dat het verschoningsrecht niet bedoeld is om strafbare feiten te verhullen die door een verschoningsgerechtigde worden begaan.

14. Lekkerkerker schrijft over de publieke verantwoordelijkheid van de notaris: "De notaris heeft uit hoofde van zijn ambt een publieke verantwoordelijkheid. Hij verricht ambtshandelingen, hij staat voor de rechtszekerheid en voor rechtsbescherming."(4) Als recent normenkader dat rechtstreeks is terug te voeren tot de publieke verantwoordelijkheid noemt hij de verplichtingen uit hoofde van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.(5) Art. 16 van die wet voorziet in doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de notaris door deze een meldplicht op te leggen voor - kort gezegd - ongebruikelijke transacties.(6) Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever het tegengaan van dergelijke transacties, voor zover hier van belang witwassen, van zoveel gewicht heeft geacht dat het verschoningsrecht van de notaris daarvoor moest wijken.(7)

15. De Commissie Evaluatie Wet op het notarisambt omschrijft de essentie van het notarisambt als volgt:

"De wetgever heeft de essentie van het ambt geformuleerd in artikel 17 van de Wna. Op grond hiervan dient de notaris zijn ambt onafhankelijk uit te oefenen en moet hij de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen. In zijn dienstverlening moet de notaris een onafhankelijk en onpartijdig ambtsdrager zijn. De dienstverlening van de notaris en zijn professionele deskundigheid moeten niet alleen gericht zijn op en ten goede komen aan zijn cliënt, maar ook andere betrokken partijen en daarmee in feite aan de gehele Nederlandse rechtsorde. Wanneer de notaris zijn ambt verzaakt, kan dit ook buiten de kring van directe betrokkenen ernstige gevolgen hebben. De notaris neemt door zijn onpartijdigheid in vergelijking met andere professionals, zoals advocaten en medisch specialisten, een bijzondere positie in."(8)

Geeft een notaris zich over aan medewerking aan ernstige vermogensmisdrijven als witwassen en valsheid in geschrift, dan verzaakt hij dus hetgeen van hem als onafhankelijk en onpartijdig ambtsdrager bij uitstek wordt verwacht en vervalt iedere grond voor de bijzondere rechtspositie die de wetgever hem in de rechtsorde heeft toegekend. Dat is een belangrijke aanwijzing dat in een dergelijk geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen.(9)

16. Om te waarborgen dat een notaris zijn door de wetgever toegekende functie naar behoren vervult voorziet de wet onder meer in toezicht door het Bureau Financieel Toezicht. Om deugdelijke uitoefening van dit toezicht mogelijk te maken heeft de wetgever de notaris tegenover het Bureau financieel toezicht ontheven van zijn geheimhoudingsplicht (art. 111a lid 4 Wna). Volgens de Minister dienen de ambtenaren werkzaam bij het Bureau Financieel Toezicht gelet op het bepaalde in art. 162 Sv van bij dat toezicht geconstateerde strafbare feiten aangifte te doen bij de officier van justitie, met dien verstande dat het Bureau de geheimhouding van hetgeen de notaris in de verhouding tot zijn cliënt geheim dient te houden niet mag doorbreken.(10) Inschakeling van het strafrecht is ook een vorm van - repressief - toezicht. Doorbreking van het verschoningsrecht ter uitoefening van dat toezicht strookt met de doorbreking van het verschoningsrecht ten behoeve van het toezicht door het Bureau Financieel Toezicht.

17. Tegen deze achtergrond alsmede in aanmerking genomen dat klager, zoals de Rechtbank overweegt, ervan wordt verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van zeer ernstige misdrijven als witwassen en valsheid in geschrift, die de functie die de notaris in het maatschappelijk verkeer dient te vervullen in de kern aantasten, geeft het oordeel van de Rechtbank dat zich in het onderhavige geval zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel - even daargelaten hetgeen klager over de concrete omstandigheden van het geval heeft aangevoerd - toereikend gemotiveerd.(11) Daarbij neem ik in aanmerking dat de Rechtbank mede in aanmerking heeft genomen dat niet valt in te zien hoe de inhoud van de desbetreffende authentieke stukken op andere wijze dan door de inbeslagname zou kunnen worden verkregen.

18. De vraag is of de hiervoor onder 11 genoemde bezwaren, die door klager tegen het aannemen van die zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn ingebracht, de Rechtbank noopten haar oordeel nader te motiveren. Bij de beantwoording van deze vraag dient als uitgangspunt te worden genomen dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt en dat die omstandigheid zijn weerslag heeft op de eisen die aan de motivering gesteld kunnen worden in die zin dat daaraan geen hoge eisen kunnen worden gesteld.

19. Met het oog op de vraag of de Rechtbank voldoende op genoemde bij pleidooi opgeworpen bezwaren is ingegaan is voorts van belang hetgeen de Officier van Justitie bij verweerschrift heeft ingebracht tegen het bij pleidooi gestelde, voor zover met het oog op genoemde bezwaren van belang:

"Vanuit het openbaar ministerie is heel specifiek gevraagd om per zaak/panddossier in beslag te nemen. Dit betreft panden waarvoor voldoende verdenking bestaat dat in verband hiermee de gekwalificeerde valsheid in geschrifte is gepleegd. Daarbij horen niet alleen de uiteindelijke aktes maar ook alle (electronische) documenten en communicatie die hebben bijgedragen aan het totstandkomen van deze aktes."(12)

En

"Ten einde te voorkomen dat de geheimhouding niet meer dan strikt noodzakelijk wordt doorbroken, heeft de inbeslagneming zich beperkt tot de betreffende dossiers. Om een indruk te krijgen van de omvang van de fraude (en de daarmee samenhangende impact op de maatschappij en bijbehorende strafmaat voor verdachte) is het noodzakelijk om die onroerend goed transacties waarbij er een verdenking van fraude gepleegd door klager, verder te onderzoeken. Uit de onderzoeksgegevens blijkt de concrete verdenking zich namelijk tot de inbeslaggenomen dossiers uit te strekken. Alhoewel het zeker niet uitgesloten kan worden dat er ook fraude is gepleegd in andere dossiers van klager en medeverdachten, is van inbeslagname van die dossiers vanwege het subsidiariteits- en proportionaliteitbeginsel afgezien.

In de onderhavige zaak zijn de inbeslaggenomen gegevens van cruciaal belang voor het aan de dag brengen van de waarheid omtrent de gerezen verdenking. Uit de inbeslaggenomen bescheiden moet immers de mate van deelneming aan de criminele organisatie blijken. Dit kan onder meer blijken uit de wijze waarop verdachten met elkaar communiceren, de wijze van belonen voor geleverde diensten etc. De rol van een notaris in de ABC-constructies, de hypotheek- en bouwdepotfraude is een cruciale. Uit de hoeveelheid dossiers kan de structurele betrokkenheid van de notaris daarbij blijken."(13)

20. Het eerste bezwaar laat onverlet dat tegen klager een verdenking ter zake van het medeplegen van witwassen en valsheid in geschrift blijft bestaan. Het kan zijn dat niet iedere verdenking even sterk is of dat tuchtrechtelijke aanpak in de ogen van klager wenselijker is, ook als hetgeen is aangevoerd juist zou zijn dan laat dit de kern van de verdenking onaangetast. Daarom heeft de Rechtbank op dit bezwaar niet uitdrukkelijk behoeven in te gaan.

21. Het tweede bezwaar, te weten dat het openbaar ministerie reeds beschikt over voldoende stukken, heeft de Rechtbank eveneens onbesproken kunnen laten. Hetgeen door de officier van justitie is gesteld met betrekking tot het belang van de onderhavige dossiers voor de waarheidsvinding heeft noch klager noch zijn raadsman immers weersproken.

22. Aan het derde bezwaar, te weten dat van 22 dossiers niet is gebleken dat deze zaken betreffen die serieus voorwerp van onderzoek zijn, is de Rechtbank eveneens zonder meer voorbijgegaan. Dat heeft de Rechtbank kunnen doen, in aanmerking genomen dat door de Officier van Justitie bij verweerschrift is gesteld dat is gevraagd specifiek die dossiers in beslag te nemen die betrekking hebben op transacties van panden ter zake waarvan voldoende verdenking bestaat dat daarbij gekwalificeerde valsheid in geschrift is gepleegd.

23. Het middel faalt.

24. Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank mede gelet op hetgeen daartoe door de verdediging ter zitting naar voren is gebracht over de stukken waarover de Officier van Justitie reeds beschikte, heeft verzuimd aan de hand van de in het dossier beschikbare stukken te onderzoeken of de integrale inbeslagname van de dossiers noodzakelijk was voor de waarheidsvinding.

25. Het middel stuit af op hetgeen hiervoor met betrekking tot het tweede bezwaar is opgemerkt.

26. Het derde middel klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid van de bestreden beschikking, hierin bestaande dat de Rechtbank enerzijds expliciet heeft aangegeven dat de betreffende stukken niet zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan en anderzijds heeft overwogen dat de medeverdachten van klager niet mogen rekenen op geheimhouding van klager in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens.

27. Het middel berust op de opvatting dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat de inbeslaggenomen stukken, waaronder authentieke stukken, geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

28. Met betrekking tot de status van de verzegelde en inbeslaggenomen stukken heeft de Rechtbank overwogen:

"Blijkens het proces-verbaal van de doorzoeking in het kantoorpand van klager d.d. 31 oktober 2011, heeft de rechter-commissaris terzake de in beslag genomen geheimhoudersstukken geoordeeld dat deze zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan. Hiervan uitgaande, zou derhalve geen sprake hoeven te zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hierboven genoemd (vgl Hoge Raad 22 november 1991, NJ 1992, 315 en Hoge Raad 9 mei 2006, NJ 2006, 622).

Onduidelijk is echter waarop de rechter-commissaris voornoemd oordeel heeft gebaseerd, nu uit het proces-verbaal niet blijkt dat de rechter-commissaris de desbetreffende stukken heeft ingezien of op andere wijze op de hoogte was van de inhoud van die stukken. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de constatering dat de geheimhoudersstukken zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan, terwijl nadere motivering van die constatering ontbreekt, niet door de rechter-commissaris kan zijn gedaan."

29. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de Rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de inbeslaggenomen geheimhoudersstukken zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan, maar niet dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat die inbeslaggenomen stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dat laatste heeft de Rechtbank kennelijk evenmin kunnen vaststellen. Het middel, dat op een andere lezing van de overwegingen van de Rechtbank berust, mist dus feitelijke grondslag.

30. Het middel faalt.

31. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ten aanzien van een advocaat nog weer eens samengevat in HR 19 mei 2009, LJN BH7284, NJ 2009, 443 en HR 2 maart 2010, LJN BJ9262.

2 C.A. Kraan, Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht van de notaris, in: Meer spreken, minder zwijgen? Over geheimhouding, informatieplicht en verschoningsrecht van de notaris, preadvies voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, Sdu uitgevers 2007, p.136.

3 Handleiding van 23 maart 2010, onder het hoofd Ambtsgeheim en verschoningsrecht.

4 G.J.C. Lekkerkerker, De notaris en zijn eigen waarde; een kijk op het beroep, beroepsplichten en realiteiten van het hier en nu, in: De goede notaris, Sdu uitgevers 2010, p. 48.

5 P. 49.

6 Zie over de geoorloofdheid daarvan gezien op het bepaalde in art. 8 EVRM EHRM 6 december 2012, Appl.no. 12323/11.

7 Kritisch daarover o.m. J.L.R.A. Huydecoper, Klikspaan, boterspaan; oftewel: het beroepsgeheim en de meldplicht, Ondernemingsrecht 2003, p. 513 e.v., en R. van der Hoeven en M.J.C. Visser, Identificatie- en meldplicht van de advocaat. Een frontale aanval op de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht, NJB 2003, p. 1124-1131.

8 Commissie Evaluatie Wet op het notarisambt. Het beste van twee werelden, p. 14.

9 Zo ook Kamerstukken II 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 9.

10 Kamerstukken II 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 8, 9.

11 Vgl. HR 10 maart 2009, LJN BG9494. De overwegingen van de Rechtbank in de onderhavige zaak vertonen sterke overeenkomst met die van het Hof in de zaak die aan het arrest van de Hoge Raad ten grondslag lag.

12 Verweerschrift, p. 3.

13 Aanvulling verweerschrift, p. 5.