Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3312

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12/02254 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3312
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Onderzoek naar afwezigheid raadsman betrokkene. Het Hof heeft kennelijk vastgesteld dat de mededeling van de zittingsdatum aan de raadsman slechts betrekking kon hebben op de ontnemingszaak, en dat in die mededeling per abuis de reeds geruime tijd daarvoor onherroepelijk afgedane strafzaak is genoemd. ’s Hofs kennelijke oordeel dat o.g.v. het faxbericht van de raadsman kan worden aangenomen dat deze ervan heeft afgezien op de hem bekende zitting te verschijnen, is niet onbegrijpelijk, en het Hof was niet gehouden tot een nader onderzoek naar de afwezigheid van de raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02254 P

Mr. Hofstee

Zitting: 16 april 2013

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. De betrokkene is bij arrest van 13 april 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam, op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 4 juli 2008, waarbij aan de betrokkene de verplichting is opgelegd om aan de Staat een bedrag te betalen van € 25.000,30, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens de betrokkene heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat noch uit het arrest noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting(1) blijkt dat het Hof onderzoek heeft gedaan naar de reden van afwezigheid van de raadsman. Bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt het middel meer in het bijzonder dat het in de uitspraak besloten liggend oordeel van het Hof dat art. 51, tweede volzin, Sv is nageleefd onbegrijpelijk is, nu niet blijkt dat het Hof heeft onderzocht of een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de betrokkene (mr. P.H.L.M. Souren) is verzonden.

4. Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een drietal exemplaren van het dubbel van de "oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep" om op 13 april 2010 ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen voor de behandeling van de ontnemingsvordering.(2) Op alle exemplaren is een van een paraaf voorziene aantekening geplaatst, inhoudende "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 2/3" (ik begrijp: 2 maart 2010(3)). Onder de gedingstukken bevindt zich echter ook een drietal exemplaren van het dubbel van de "oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep"(4) om - aldus de mededeling op deze oproepingen - op 16 april 2010 ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen "teneinde aanwezig te zijn bij de nadere behandeling in hoger beroep van de vordering van de officier van justitie ex artikel 36e Sr (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), waarin ter terechtzitting van 13 april 2010 het onderzoek voor bepaalde tijd zal worden aangehouden". Ook op al deze exemplaren is een van een paraaf voorziene aantekening geplaatst, inhoudende "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 2/3" (ik begrijp wederom: 2 maart 2010(5)). Tot de gedingstukken behoort voorts een dossierexemplaar (zonder paraaf of handtekening)(6) van een aan mr. P.H.L.M. Souren - de raadsman van de betrokkene(7) - gerichte brief van de griffier van 2 maart 2010, inhoudende dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen [betrokkene] is vastgesteld op 13 april 2010 en 16 april 2010 te 09:00 uur.(8) Namens de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft een parketmedewerker bij brieven van 25 maart 2010 aan de raadsman van de betrokkene laten weten dat de oproepingen tegen zijn cliënt om als verdachte ter terechtzitting van 16 april 2010 te verschijnen, zijn ingetrokken. De afschriften van deze intrekkingen zijn blijkens de daarop van een paraaf voorziene aantekening "Afschrift aan raadsman verstrekt op: 29/3" kennelijk op 29 maart 2010 aan de raadsman van de betrokkene verstrekt. Uit de gedingstukken blijkt evenwel niet dat ook de oproepingen om op 16 april 2010 ter terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam te verschijnen voor de nadere behandeling in hoger beroep van de ontnemingsvordering zijn ingetrokken. Ook zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden voor het vermoeden dat de oproepingen voor de ontnemingszitting van 16 april 2010 niet aan de raadsman zijn toegezonden, dan wel deze hem niet zouden hebben bereikt.

5. Gelet op het voorgaande meen ik dat de raadsman van de betrokkene in de gerechtvaardigde veronderstelling heeft kunnen verkeren dat de ontnemingszaak op de terechtzitting van 13 april 2010 voor bepaalde tijd zou worden aangehouden, en wel tot aan de terechtzitting van 16 april 2010 alwaar vervolgens de ontnemingszaak inhoudelijk zou worden behandeld. Een aanwijzing in die richting kan ook worden gevonden in een door de raadsman aan de Voorzitter van de Tweede Meervoudige Strafkamer gericht faxbericht, inhoudende dat - voor zover hier van belang - hij in de strafzaak niet ter terechtzitting in hoger beroep zal verschijnen omdat hij door zijn cliënt niet bepaaldelijk gevolmachtigd is om namens hem de verdediging te voeren.(9)

6. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat is voldaan aan het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv is gelet op voornoemde omstandigheden niet begrijpelijk. Het Hof had in die omstandigheden reden moeten zien om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen alsnog de verdediging te voeren. De omstandigheid dat de raadsman naar zijn zeggen in de strafzaak niet uitdrukkelijk gemachtigd was om de verdediging te voeren, maakt dit mijns inziens niet anders.

7. Het middel slaagt.

8. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

9. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld - te weten dat het cassatieberoep op 27 april 2010 zou zijn ingediend -, is blijkens de inhoud van de zich bij de stukken bevindende Akte rechtsmiddel en de daaraan gehechte schriftelijke volmacht van de raadsman van de betrokkene - welke volmacht blijkens een daarop gezet stempel op 27 april 2012 ter strafgriffie van het Gerechtshof Amsterdam is ingekomen - namens de betrokkene op 27 april 2012 beroep in cassatie ingesteld. Nu de stukken van het geding op 14 juni 2012 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, is de hier toepasselijke inzendtermijn van acht maanden niet overschreden. Het middel mist dus feitelijke grondslag, en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering, met dien verstande dat het middel onbesproken kan blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen (of verwezen).(10)

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde haar op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de toelichting op het middel wordt per abuis gesproken over het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2010, terwijl de terechtzitting in hoger beroep op 13 april 2010 heeft plaatsgevonden.

2 De drie exemplaren verschillen enkel wat de adressering betreft van elkaar.

3 De oproepingen zijn gedateerd op 25 februari 2010.

4 Zie voetnoot 2. De adresseringen zijn gelijk aan die welke op de in voetnoot 2 bedoelde oproepingen zijn vermeld.

5 Zie voetnoot 3.

6 Vgl. HR 14 november 2006, LJN AY9190. In die zaak ging het om twee vrijwel gelijkluidende brieven van het Hof, waarin datum en tijdstip van de behandeling van de zaak werden medegedeeld. Op de ene brief stond een paraaf van de Griffier en de mededeling "Exemplaar bestemd voor het dossier", en de andere brief bevatte een volledige handtekening van de Griffier en de mededeling "Dit formulier s.v.p. meenemen". In het bijzonder uit de aanwezigheid in het dossier van de laatstgenoemde brief vloeide volgens de Hoge Raad het ernstige vermoeden voort dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep - anders dan uit de aantekening op het dubbel van de dagvaarding was vermeld - niet aan de raadsman was verstrekt.

7 Blijkens de zich bij de gedingstukken bevindende last tot toevoeging d.d. 11 januari 2010 is mr. P.H.L.M. Souren in hoger beroep - evenals dat overigens in eerste aanleg het geval was - als raadsman aan de betrokkene toegevoegd.

8 Uit een van een paraaf voorziene aantekening op het dubbel van de dagvaarding in combinatie met een brief waarin mededeling wordt gedaan van de datum en het tijdstip waarop de behandeling van de zaak plaatsvindt kan, indien er geen aanknopingspunten zijn te ontwaren dat deze stukken niet aan de raadsman zijn toegezonden, dan wel hem niet zouden hebben bereikt, voldoende zijn. Zie HR 8 september 1998, LJN ZD1243 alsmede HR 30 september 2008, LJN BD4859, waarin een afschrift van een kennisgeving van de Advocaat-Generaal bij het Hof aan de raadsman van de verdachte was verstuurd, inhoudende de dag en het tijdstip van de zitting. Nu er geen aanknopingspunten waren voor een vermoeden dat deze kennisgeving niet aan de raadsman zou zijn toegezonden dan wel hem niet zou hebben bereikt, kon er, aldus de Hoge Raad, van worden uitgegaan dat de raadsman tijdig op de hoogte was gesteld van dag en tijdstip van behandeling van de zaak.

9 Hoewel op het faxbericht een stempel van binnenkomst ter strafgriffie ontbreekt en het faxbericht is gedateerd op 11 april 2010, kan uit de datum van verzending - 12 april 2010 - in samenhang met de hierboven onder 4 genoemde brief van de griffier worden afgeleid dat de zinsnede "ik morgen niet ter terechtzitting zal verschijnen" betrekking heeft op de terechtzitting van 13 april 2010. Voor het overige houdt dit faxbericht in dat de raadsman evenmin van zijn cliënt heeft vernomen dat deze zelf ter zitting zal verschijnen.

10 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.5.3), m.nt. Mevis.