Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3293

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
11/03077
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3293
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in h.b. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2007/170 m.b.t. aanwenden rechtsmiddel door verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid. I.c. doet een dergelijk geval zich niet voor, nu het hoger beroep niet is ingesteld tegen een vonnis waarin verdachte op andere wijze dan bij name is aangeduid. In aanmerking genomen dat namens X h.b. is ingesteld tegen het vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon zich noemende X, en dat de t.tz. in h.b. verschenen verdachte aldaar heeft verklaard dat hij degene is ten wiens laste het vonnis is gewezen, leidt de enkele omstandigheid dat het Hof niet beschikt over aanwijzingen dat de personalia die verdachte in h.b., verklarende te zijn genaamd Y, heeft opgegeven, onjuist zijn, niet zonder meer tot de n-o van het ingestelde beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03077

Mr. Harteveld

Zitting 16 april 2013

Conclusie inzake:

[verdachte] alias [A]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 23 juni 2011 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Mr. J. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld, en heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat zulks is geschied onder opgave van valse personalia, althans dat die beslissing onvoldoende is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is.

3.2. Het bestreden arrest houdt in, voor zover hier van belang:

"Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

De raadsvrouw van de verdachte in eerste aanleg heeft op 25 augustus 2009 namens de verdachte [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hoger beroep ingesteld tegen het op 18 augustus 2009 tegen de verdachte [A] voormeld gewezen vonnis.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni heeft de verschenen verdachte opgegeven te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986. De verdachte heeft verklaard dat hij als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg bij de behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest.

Het hof beschikt niet over aanwijzingen dat de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven personalia onjuist zijn.

De wet bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn een openstaand rechtsmiddel dient te worden aangewend. Die bepalingen zijn van openbare orde. Het hoger beroep is door de raadsvrouw namens de verdachte binnen de wettelijke termijn ingesteld, doch dit is geschied onder opgave van valse personalia.

De verdachte dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep. Daaraan doet niet af dat na het verstrijken van het voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn de verdachte alsnog zijn identiteit ter terechtzitting in hoger beroep bekend heeft gemaakt. Evenmin kan de omstandigheid dat tijdens de termijn voor het instellen van hoger beroep de identiteit van de verdachte kennelijk niet bekend was bij de verdediging, noch de omstandigheid dat het in stand blijven van het veroordelend vonnis in eerste aanleg negatieve gevolgen kan hebben voor de procedure met betrekking tot de door verdachte indiende aanvraag tot asiel, tot een ander oordeel leiden.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat niet wordt ingegaan op hetgeen overigens ter zitting namens verdachte is aangevoerd met betrekking tot zijn zaak."

3.3. Het gaat hier om de vraag of de verdachte in zijn hoger beroep kon worden ontvangen, in verband met de problematiek die bekend staat als het aanwenden van rechtsmiddelen door anonieme verdachten. De uitkomst van de aan de orde zijnde (rechts)vraag kan ook consequenties hebben voor de ontvankelijkheid van het ingestelde cassatieberoep, vergelijk HR 12 december 2006, LJN AZ3287, NJ 2001, 13. Op dat punt zal ik later nog terugkomen.

Eerst bespreek ik de in het middel aangesneden kwestie.

3.4 Voor de noodzakelijke precisie wijs ik er op dat het in eerste aanleg tegen de verdachte gewezen vonnis is gewezen ten name van "een persoon zich noemende [A]".

De akte hoger beroep houdt in:

"Op 25 augustus 2009 kwam ter griffie van deze rechtbank

mr K.G. Witteman

advocaat te Haarlem

die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring, en verklaarde namens

naam [A]

voornamen [voornamen A]

geboren [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]

wonende te

adres Z.V.W.O.V.H.T.L.

thans verblijvende: PI Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere PREV

Beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 18 augustus 2009"

Het arrest van het hof vermeldt als tenaamstelling:

"een persoon zich noemende [A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

zich ter zitting noemende

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986"

Deze door het hof gebezigde aanduiding van de verdachte is letterlijk overgenomen in de akte instellen cassatieberoep.

3.4 De diverse varianten die zich voordoen rond het aanwenden van rechtsmiddelen door verdachten (of, wat ook voorkomt, een geheel ander persoon dan degene die van het strafbare feit verdacht worden) die in enig stadium van het strafproces hun identiteit in het geheel niet, of juist wel, maar dan valselijk, bekendmaken zijn uitgebreid in kaart gebracht door A-G Knigge in zijn conclusie voor HR 4 september 2012, LJN BX4153. Hij maakt ook melding van het feit dat de argumentatie om anonieme verdachten het recht op hoger beroep te ontzeggen niet iedereen heeft kunnen overtuigen (par. 4.10). Kort gezegd houdt de rechtsregel die de Hoge Raad hanteert in dat uit de art. 449-452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. Gelet daarop kan een rechtsmiddel slechts worden aangewend onder bekendmaking, binnen de appeltermijn, van de persoonsgegevens van de verdachte, waarbij het, aldus de Hoge Raad, vanzelf spreekt dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen.(1)

3.5 Het hof heeft kennelijk gelet op de bovengenoemde jurisprudentie en aannemende dat de verdachte in het onderhavige geval bij het aanwenden van het hoger beroep zijn ware persoonsgegevens niet heeft genoemd, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep. Van een onjuiste rechtsopvatting lijkt dat op het eerste gezicht niet te getuigen.

3.6. De uitkomst wringt echter toch in de onderhavige zaak. Een eerste punt van twijfel betreft de toepasselijkheid van het uit de jurisprudentie van de Hoge Raad te destilleren uitgangspunt. Gaat het in het onderhavige geval wel om een verdachte, te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid? Het vonnis van de rechtbank is gewezen ten name van "een persoon, zich noemende [A]". Een naam is dus wel genoemd, zij het dat deze is gekoppeld aan 'een persoon' . Dat wijst er op dat bij de rechtbank kennelijk geen zekerheid bestond over de identiteit van de verdachte. En dat er op zijn minst twijfel bestond over de door verdachte zelf genoemde naam is wel te begrijpen, aangezien de rechtbank bewezenverklaard achtte dat de verdachte in het bezit was van een vals reisdocument. Echter, uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt wel deze valsheid (het schutblad en het in het paspoort opgenomen visum zijn als vals aangemerkt, net als een inreisstempel in Italiƫ), maar niet van een andere naam of identiteit dan vermeld in het vervalste paspoort. Is die te signaleren twijfel aan de identiteit van de verdachte voldoende om te spreken van het op andere wijze dan bij name aangeduid zijn? Aan te knopen valt bij HR 12 december 2006, LJN: AZ3287 waarin sprake was van een persoon aangeduid met NN, zich noemende (X) waarna door het hof (onomstotelijk) werd vastgesteld dat deze NN niet degene was wiens naam (X) hij had genoemd. Bij die stand van zaken nam de HR aan dat "de verdachte als anonymus moet worden aangemerkt". Het cassatieberoep was vervolgens ingesteld onder dezelfde valse naam. En dat cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte had nagelaten zijn persoonsgegevens te noemen, aangezien '(h)et van zelf (spreekt) dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen'. Die laatste frase uit het arrest van 2006 is, zo lijkt het, een zelfstandig leven gaan leiden. Het bedoelde arrest is echter ook zo te leggen dat het bij een verdachte, die weigert zijn naam te noemen en overigens ook geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit, niet anders komt te liggen als hij stelt Pietje Puk of Willie Wortel te heten, of, zoals in het besproken arrest uit 2006, de naam van zijn neef noemt. Wie onder zo'n evident bedrieglijke naam een rechtsmiddel aanwendt wordt met een anonymus gelijkgesteld en kan op het punt van de ontvankelijkheid van het onder die naam ingestelde rechtsmiddel worden gelijkgesteld met de 'echte' NN-verdachte. Die situatie is hier niet in die zin aan de orde. De aanvankelijke opgave door verdachte van mogelijk onjuiste persoonsgegevens lijkt mij ook niet los gezien te kunnen worden van het aan de verdachte tenlastegelegde bezit van een vals reisdocument waarin diezelfde persoonsgegevens waren vermeld. Door en namens hem is in eerste aanleg voorts betoogd dat hij dat reisdocument heeft gebruikt om te kunnen vluchten naar Nederland, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van art. 31 Vluchtelingenverdrag zou kunnen betekenen dat hem dat bezit niet mag of kan worden tegengeworpen. Dat zou kunnen uitdraaien op niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie - een uitkomst waartoe overigens door de advocaat-generaal bij het hof is gerequireerd. Het noemen van mogelijk valse persoonsgegevens is aldus sterk verweven met de beoordeling van het strafbare feit zelf en de proceshouding die de verdachte op dat punt (althans in eerste aanleg) ingenomen heeft. Daarin verschilt de situatie wezenlijk van die in het genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2006, waarin - net als bij de 'gewone' anonieme verdachten - de kennelijke wens tot frustreren van de autoriteiten bij de opsporing en vervolging van een geheel ander strafbaar feit voorop leek te staan. Het voetspoor van A-G Knigge in zijn conclusie bij HR 4 september 2012, LJN: BX4153 (par. 4.10) volgend, lijkt in de wens dergelijk 'onwenselijke' procesgedrag tegen te gaan de overwegende rechtvaardiging te liggen voor de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn rechtsmiddel. Daartegenover staat dat het verlies aan verdedigingsrechten - waaronder ook ten onzent kan worden gerekend het in beginsel toegekende recht op hoger beroep bij veroordeling ter zake van misdrijven - beperkt zou moeten blijven. En eerlijk gezegd zie ik in een geval als het onderhavige geen enkel nuttig effect ontstaan, afgezien van beperking van de werklast van de appelrechter hetgeen in dit verband geen argument zou mogen zijn. Naar mijn mening zou ook gelet op de veronderstelde ratio van de jurisprudentie van de Hoge Raad een geval als het onderhavige niet onder de categorie van NN-verdachten dienen te worden geschaard.

Primair stel ik me dus op het standpunt dat de vaststelling door het hof dat in het onderhavige geval sprake is van een vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon die niet bij name is aangeduid, en waarop dus de NN-jurisprudentie is toegepast, niet zonder meer begrijpelijk is.

3.7 Het tweede punt van twijfel betreft de vaststelling dat de verdachte bij het aanwenden van het rechtsmiddel zich van onjuiste persoonsgegevens heeft bediend. Het bestreden arrest houdt hieromtrent het volgende in:

"Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni heeft de verschenen verdachte opgegeven te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986. De verdachte heeft verklaard dat hij als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg bij de behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest.

Het hof beschikt niet over aanwijzingen dat de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven personalia onjuist zijn."

De vaststelling van de identiteit van de verdachte heeft het hof, zoals blijkt, enkel gegrond op verdachtes eigen opgave van andere persoonsgegevens ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft aangenomen dat die laatstgenoemde persoonsgegevens de juiste of 'ware' zijn en daaruit geconcludeerd dat de verdachte bij het aanwenden van het hoger beroep zijn ware persoonsgegevens niet heeft genoemd. De sprong die het hof hierbij maakt lijkt mij niet verantwoord. Tegen de achtergond vande op de voorzitter van het hof rustende taak, zoals omschreven in art. 273, in verbinding met art. 27a Sv, om de identiteit van de verschenen verdachte 'vast te stellen' lijkt het hof wat erg kort door de bocht te zijn gegaan. Tegelijkertijd heeft het hof niet getwijfeld aan het feit dat de verschenen verdachte dezelfde persoon was die in eerste aanleg was veroordeeld. Aan de geconstateerde verschillen in de opgave van persoonsgegevens in eerste aanleg en in hoger beroep heeft het hof vervolgens de genoemde consequenties verbonden ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het is de vraag of mede gelet op die processuele gevolgen niet een verdergaande onderzoeksverplichting geldt. De van toepassingverklaring van art. 27a, tweede volzin Sv maakt (onder meer) een onderzoek naar vingerafdrukken mogelijk. Nader onderzoek had in de rede gelegen nu aangenomen moet worden dat de verdachte geen identiteitsdocumenten kon overleggen. Aldus is de vaststelling door het hof dat de verdachte met opgave van onjuiste persoonsgegevens hoger beroep heeft ingesteld onvoldoende gemotiveerd. Dat zo zeggende besef ik dat nadere pogingen de identiteit van betrokkene te achterhalen vruchteloos kunnen blijken, gelet op de context van de vluchtelingenproblematiek. Daarom heb ik de voorkeur voor het aanhouden van de lijn die ik hierboven, onder 3.4 heb uiteengezet en die neer komt op een verdere explicatie dan wel verfijning van de opvatting van de Hoge Raad omtrent het aanwenden van rechtsmiddelen door anonieme verdachten.

3.8 Als gezegd besteed ik nog aandacht aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De akte aanwenden rechtsmiddel vermeldt als persoonsgegevens:

"een persoon zich noemende [A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

zich ter zitting noemende

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986"

In de door mij aangehouden opvatting kan ook bij twijfel omtrent de juistheid van de bij het aanwenden van het rechtsmiddel opgegeven naam het cassatieberoep ontvankelijk worden geacht.

3.9. Mijns inziens dient het middel dus te slagen.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam dan wel verwijzing naar een ander hof, teneinde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. bijv. HR 12 december 2006, LJN: AZ3287, NJ 2007,13 en HR 13 maart 2007, LJN: AZ6694 NJ 2007, 170, maar ook HR 27+ februari 2001, LJN: AB0259, NJ 2001, 499 en HR 24 juni 2003, LJN: AF8570, NJ 2003, 543.