Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA3117

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
13/01658
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA3117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. BOPZ. Verzoek machtiging voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis; art. 15 e.v. Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/312
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/01658

Mr. F.F. Langemeijer

26 april 2013

Conclusie inzake: (art. 80a RO)

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Nederland

1. Bij beschikking van 16 januari 2013 heeft de toenmalige rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, op verzoek van de officier van justitie een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van verzoekster tot cassatie in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 e.v. Wet Bopz). Namens betrokkene is tijdig cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Onderdeel I betreft de door de rechtbank aangenomen stoornis van de geestvermogens. De klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op het desbetreffende verweer mist feitelijke grondslag: zie de 2e en 5e overweging. In de redenering van de rechtbank kon nog niet de definitieve diagnose worden gesteld - de geneeskundige verklaring geeft als reden op dat betrokkene weigerde aan het diagnostisch onderzoek mee te werken -, maar is uit het psychiatrisch onderzoek wel voldoende duidelijkheid verkregen dát sprake is van een stoornis in de zin van art. 2 Wet Bopz. De voorlopige diagnose ("zwakbegaafdheid in combinatie met een stoornis op AS 1 en/of AS 2 van de DSM-IV") heeft de rechtbank, in elk geval wat betreft de zwakbegaafdheid en de stoornis op AS 1, ontleend aan de geneeskundige verklaring (blz. 2) en door verwijzing daarnaar toereikend gemotiveerd(1).

3. Onderdeel II klaagt dat de rechtbank in het licht van het verweer onvoldoende de vaststelling heeft gemotiveerd dat de geneeskundige verklaring tot stand is gekomen na een voorafgaand onderzoek waarbij de rapporterende psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert(2). M.i. faalt deze klacht: volgens de geneeskundige verklaring is het psychiatrisch onderzoek verricht door de geneesheer-directeur (eerste geneeskundige). Juist is dat de in rubriek 3 vermelde gedragingen van de patiënt en de in rubriek 4 vermelde incidenten aan de rapporterend psychiater zijn meegedeeld door de groepsleiding. De rechtbank heeft kennelijk gelet op de mededeling aan het slot van de geneeskundige verklaring dat diagnostisch onderzoek nog niet heeft kunnen plaatsvinden omdat cliënte dit weigert(3). Weliswaar is de rapporterende psychiater in zo'n situatie gehouden datgene te doen wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om betrokkene te spreken te krijgen(4), maar het middel klaagt niet over schending van deze laatste regel.

4. Onderdeel III bevat een motiveringsklacht over het door de rechtbank aangenomen gevaar. De rechtbank heeft het gevaar betrekkelijk uitgebreid omschreven. Volgens de klacht blijkt niet dat de rechtbank zich over de achtergronden van de conflicten heeft uitgelaten en deze aan het gevaar heeft gerelateerd. De klacht gaat niet op. Het in art. 15 lid 2 Wet Bopz bedoelde gevaar en het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar zijn uitdrukkelijk vastgesteld in de eerste overweging en in de 2e en 3e overweging door de rechtbank toegelicht met gronden die de beslissing kunnen dragen.

5. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, zodat toepassing kan worden gegeven aan art. 80a RO. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op die grond.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Vgl. rov. 3.2 van HR 4 oktober 1996 (LJN: ZC2166), NJ 1997/359 m.nt. JdB.

2 Zie voor dit vereiste o.m.: HR 21 februari 2003 (LJN: AF3450), NJ 2003/484 m.nt. JdB.

3 Zie ook de vijfde overweging van de rechtbank.

4 Vgl. conclusie voor HR 2 oktober 2009 (LJN: BJ1283), BJ 2009/46 m.nt. WD.