Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA2539

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11/02678
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA2539
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring in h.b. Verontschuldigbare termijnoverschrijding? HR stelt de toepasselijke overweging uit HR LJN AO5706 voorop. Ttz. in h.b. is door de raadsman gesteld dat hij, nadat hij telefonisch en per faxbrief aan de Kantonrechter uitstel had verzocht en bij de griffie had geïnformeerd of de brief was ontvangen, hetgeen het geval was, door een griffiemedewerker is teruggebeld met de mededeling dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden. Op grond daarvan is aangevoerd dat verdachte en de raadsman in de veronderstelling mochten verkeren dat de behandeling van de zaak was aangehouden. Het Hof heeft geoordeeld dat het in de omstandigheden van het geval op de weg van verdachte en diens raadsman had gelegen om na afloop van de tz. te informeren of aanhouding was verleend en dat het voor eigen rekening en risico komt dat zij erop vertrouwden dat het gevraagde uitstel was verleend. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de weergave van de mededeling waarop verdachte zich heeft beroepen, onjuist is. Aan de omstandigheden “dat die mededeling niet bekend is en niet is na te gaan door wie de mededeling zou zijn gedaan”, kan die conclusie niet worden verbonden. Dat brengt, gelet op de vooropstelling, mee dat de bestreden uitspraak ontoereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/345
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/02678

Mr. Knigge

Zitting: 2 april 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 20 mei 2011 verdachte niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. H.K. ten Brake, advocaat te Heerhugowaard, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat sprake was van een verontschuldigbare overschrijding van de beroepstermijn ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. Op 22 november 2010 werd namens verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 7 oktober 2010. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2011 heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik heb in goed vertrouwen met de griffie van de rechtbank gebeld en uitstel van behandeling gevraagd. Ik heb eerst telefonisch om uitstel gevraagd en bovendien door middel van een brief. Ik heb nog dezelfde dag met de griffie gebeld om te vragen of de brief was ontvangen en dat was het geval. Ik ben toen teruggebeld met de mededeling dat de behandeling zou worden aangehouden. Ik ben van mening dat ik mocht uitgaan van die mededeling van een griffiemedewerker. Aan verdachte en aan mijzelf valt niet te verwijten dat verdachte niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Bovendien zijn de belangen van verdachte erg groot."

4.3. Het Hof heeft in de aantekening mondeling arrest het volgende overwogen:

"Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld.

Door en namens verdachte is aangevoerd dat er in het onderhavige geval sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding, omdat verdachte en diens raadsman op goede gronden in de veronderstelling verkeerden dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden.

Uit een zich in het dossier bevindende brief van de raadsman aan het arrondissementsparket te Leeuwarden d.d. 15 december 2010 blijkt, dat de raadsman telefonisch om aanhouding heeft verzocht. In antwoord daarop is medegedeeld dat dat verzoek op schrift zou moeten worden gesteld waarna de rechter zou beslissen of de zitting zou worden aangehouden. Als bijlage 4 bij die brief is overgelegd een brief gericht aan de rechtbank Leeuwarden t.a.v. de kantonrechter met een verzoek om aanhouding. De brief is per telefax verzonden. Er zit tevens een verzendcontrole rapport bij, inhoudende dat het bericht is verzonden op 6 oktober 2010 om 15:42 uur. Het telefax-nummer waarnaar het bericht is verzonden is echter niet het faxnummer van de rechtbank, maar van het arrondissementsparket. In aanmerking nemend dat in de brief is opgenomen dat een afschrift naar de officier van justitie werd gezonden is niet aan te nemen dat de ontvangst van de brief bij het parket heeft geleid tot doorzending aan de rechtbank. Gelet op het tijdstip van verzending van het bericht, de verkeerde adressering en de boodschap dat de rechter naar aanleiding van de brief zou beslissen, gaat het hof ervan uit, dat de behandelend kantonrechter niet in kennis gesteld van de brief, nu deze zich niet in het dossier bevindt. Ten aanzien van de inhoud van de telefonische mededeling, waaruit de raadsman heeft afgeleid dat de zaak zou worden aangehouden, is nader onderzoek niet mogelijk, nu de inhoud van die mededeling niet bekend is en niet is na te gaan door wie de mededeling zou zijn gedaan. In de omstandigheden van het geval, mede gelet op het tijdstip waarop de verhindering van de verdachte om ter zitting aanwezig te zijn manifest werd, had het op de weg van verdachte en diens raadsman gelegen om na afloop van de zitting te informeren of aanhouding was verleend. Dat zij erop vertrouwden dat het gevraagde uitstel was verleend, komt voor eigen rekening en risico. Derhalve is de termijn overschrijding niet verontschuldigbaar."

4.4. Vooropgesteld kan worden dat de termijnen waarbinnen een rechtsmiddel kan worden aangemeld van openbare orde zijn. In dit geval staat - terecht - niet ter discussie dat het appel te laat is ingesteld. In beginsel leidt dit tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep. Dat is echter anders als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn.(1) Voor deze zaak is van belang de categorie van gevallen waarin een gerechtvaardigde verwachting is gewekt. Daartoe behoort ook de situatie dat een aanhoudingsverzoek volgens een griffiemedewerker zal worden gehonoreerd.(2)

4.5. Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat de griffie de raadsman van verdachte heeft teruggebeld met de mededeling dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden. Het middel voert met juistheid aan dat het Hof de juistheid hiervan niet in het midden had mogen laten.(3) Voor zover het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, is het derhalve gegrond.

5. Het middel slaagt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie o.m. HR 7 september 2010, LJN BM6671, NJ 2010/488.

2 HR 4 mei 2004, LJN AO5706, NJ 2004, 462; HR 23 januari 2007, LJN AZ3592.

3 Zie o.m. HR 23 januari 2007, LJN AZ3592 en HR 10 oktober 2006, LJN AX8680.