Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA1268

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
12/05331
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA1268
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Faillissement. Verzoek gefailleerde tot ontslag curator op de voet van art. 73 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/340
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/05331

Mr. F.F. Langemeijer

26 april 2013

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

mr. D.A. Beck q.q.

1. In deze insolventiezaak wordt volstaan met een verkorte conclusie. Verzoeker (de schuldenaar) is bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 mei 2011 in staat van faillissement verklaard. Mr. D.A. Beck is benoemd tot curator in dit faillissement. Naar aanleiding van een verschil van mening over de voorgenomen verkoop van zijn woning, heeft de schuldenaar de rechtbank verzocht over te gaan tot ontslag van de curator (art. 73 Fw). Bij beschikking van 7 november 2012 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

2. Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 16 november 2012, heeft de schuldenaar tegen deze beslissing beroep in cassatie ingesteld(1). Het middel houdt in dat de beslissing volstrekt onvoldoende is gemotiveerd: in het destijds aan de schuldenaar en zijn advocaat toegezonden afschrift van de beschikking ontbreekt pagina 2; het resterende gedeelte van de overwegingen, op pagina 3, kan volgens de schuldenaar de beslissing niet dragen.

3. De klacht mist feitelijke grondslag. De behandeling in cassatie is aangehouden totdat de stukken waren overgelegd, hetgeen op 27 maart 2013 is gebeurd. In het - voor eensluidend afschrift gewaarmerkte - exemplaar in het procesdossier telt de beschikking van 7 november 2012 drie pagina's. De daarin neergelegde overwegingen kunnen de beslissing tot afwijzing van het ontslagverzoek dragen en behoefden geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Ten overvloede: wanneer de griffier van de rechtbank niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn een (compleet) afschrift van de beschikking aan een van de procespartijen heeft toegezonden, kan die procespartij binnen de wettelijke termijn beroep instellen en in het beroepschrift een voorbehoud maken tot aanvulling van het cassatiemiddel na een (compleet) afschrift te hebben ontvangen. Zo'n aanvullend verzoekschrift dient met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen - of zoveel korter als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending van het ontbrekende afschrift heeft te gelden(2). Van deze mogelijkheid is in deze zaak geen gebruik gemaakt. Er is niet een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt, noch is het cassatieverzoek aangevuld nadat (kennelijk op of omstreeks 13 januari 2013) door de griffier van de rechtbank voor de zekerheid alsnog een volledig afschrift van de beschikking aan de advocaat van de schuldenaar was toegestuurd. Toepassing van art. 81 RO kan in overweging worden genomen.

4. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Op grond van art. 85 Fw stond tegen de beslissing van de rechtbank geen hoger beroep open.

2 Zie onder meer: HR 23 december 2005 (LJN: AU3720), NJ 2006/31; HR 26 november 2004 (AR2784), NJ 2005/25; HR 28 november 2003 (LJN: AN8489) NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser; HR 19 nov 1982, NJ 1983/100. W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2011, blz. 91-92; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 208.