Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA0805

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
12/04986 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA0805
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. Art. 28.4 WOTS jo. 326.1 Sv. Het p-v tz. ontbreekt bij de aan de HR toegezonden stukken. N.a.v. een door de raadsman op de voet van art. IV.3 Procesregelement gedaan verzoek is bij de Rb nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat is verzuimd een p-v op te maken. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

S 12/04986 W

Mr. Aben

Zitting 23 april 2013

Conclusie inzake:

[De veroordeelde]

1. De rechtbank Haarlem heeft op 11 april 2007 de tenuitvoerlegging in Nederland van de in Duitsland gewezen rechterlijke beslissing van het "Landgericht Frankfurt am Main" van 24 mei 2003 toelaatbaar verklaard en verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf. De rechtbank heeft de veroordeelde ter zake het in de rechterlijke beslissing van het "Landgericht Frankfurt am Main", Duitsland, d.d. 24 mei 2003 ten laste van hem bewezen verklaarde feitencomplex een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd, en bevolen dat de tijd gedurende welke de veroordeelde in Duitsland en Monaco van zijn vrijheid beroofd is geweest, te weten 277 dagen, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Namens veroordeelde heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Haarlem, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, heeft namens veroordeelde een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3. Allereerst is aan de orde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Daarover kan twijfel rijzen aangezien niet eerder dan op 23 oktober 2012 cassatieberoep is ingesteld tegen het vonnis van 11 april 2007, terwijl het extract vonnis, dat zich eveneens bij de stukken bevindt, vermeldt dat het op tegenspraak is gewezen, en terwijl zich in het dossier een akte van uitreiking bevindt, kennelijk betreffende de oproeping voor de zitting van 28 maart 2007, waarop is vermeld dat de "bedoelde brief" is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon, zijnde de veroordeelde.

4. Overigens wordt die uitreiking 'in persoon' thans in cassatie betwist. Als bijlage bij de cassatieschriftuur is gevoegd een schriftelijke verklaring d.d. 1 maart 2013 van (naar ik begrijp) een neef van de veroordeelde, die naar zijn zeggen op 22 februari 2007 de betreffende oproeping in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend. De handtekening die is geplaatst onderaan op de akte van uitreiking vertoont inderdaad grote overeenkomsten met de ("oude") handtekening die de betreffende neef op de schriftelijke verklaring heeft aangebracht.

5. De in het eerste en tweede middel vervatte klachten houden rechtstreeks verband met de ontvankelijkheid van het beroep, zodat ik de bespreking daarvan direct aanvang. In de middelen wordt geklaagd dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken geen exemplaar bevindt van een afschrift van de oproeping voor de zitting van 28 maart 2007 (middel 1) en evenmin van het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2007 (middel 2).

6. Een afschrift van de oproeping voor de zitting van 28 maart 2007 evenals het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2007 bevinden zich inderdaad niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding.(1) Deze stukken houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

i. Bij faxbericht van 7 februari 2013 heeft de raadsman van de veroordeelde (mr. B.P. de Boer) overeenkomstig art. IV, derde lid, Procesreglement strafkamer Hoge Raad 2008 (Stcrt. 2008, 147) aan de rolraadsheer van de Hoge Raad verzocht hem de betekeningsstukken m.b.t. de zitting van 28 maart 2007 te doen toekomen.

ii. Een medewerkster van de strafgriffie van de Hoge Raad heeft op 14 februari 2013 een afschrift van de akte van uitreiking m.b.t. de zitting van 28 maart 2007 toegezonden naar mr. De Boer en hem voorts wat betreft de toezending van afschriften van processtukken gewezen op art. IV van het Procesreglement.

iii. Bij faxbericht van 18 februari 2013 heeft de raadsman van de veroordeelde overeenkomstig art. IV, derde lid, van het genoemde procesreglement de rolraadsheer verzocht in aanvulling op de eerder aan hem verstuurde stukken ook nog het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2007 te doen toekomen.

iv. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij faxbericht van 21 februari 2013 aan de rechtbank Haarlem verzocht het ontbrekende proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2007 aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen.

v. Bij faxbericht van 26 februari 2013 heeft de raadsman van de veroordeelde overeenkomstig art. IV, derde lid, van het procesreglement de rolraadsheer verzocht in aanvulling op de eerder door hem verzochte stukken een kopie van de oproeping voor de zitting van 28 maart 2007 (zo mogelijk ook van de evt. achterzijde) te doen toekomen.

vi. In reactie hierop heeft de griffier van de rechtbank Noord-Holland bij faxbericht van 27 februari 2013, gericht aan de Hoge Raad, onder verwijzing naar het ontbreken pv parketnummer 15/720008-07, de gevraagde verklaring verstuurd. Deze verklaring houdt in dat gebleken is dat van het verhandelde ter terechtzitting van 28 maart 2007 geen proces-verbaal meer voorhanden is en derhalve niet kan worden gevoegd in het dossier.

vii. Een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad heeft op 27 februari 2013 een afschrift van de aanvullende processtukken verstuurd naar mr. B.P. de Boer.

7. Op grond van de door de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen moet het ervoor worden gehouden dat zowel een afschrift van de oproeping voor de zitting van 28 maart 2007 als het proces-verbaal van de zitting van 28 maart 2007 in het ongerede zijn geraakt. Nu bedoeld proces-verbaal ontbreekt, valt niet na te gaan of de rechtbank er (achteraf bezien) ten onrechte van uit is gegaan dat de veroordeelde voor de zitting van 28 maart 2007 op behoorlijke wijze was opgeroepen en/of dat hij afstand had gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.(2)

8. Het eerste en het tweede middel slagen.

9. Het derde middel klaagt dat de rechtbank art. 64, tweede lid, WOTS jo. art. 6 EVRM, heeft geschonden omdat niet is gebleken dat aan de veroordeelde ambtshalve toevoeging had moeten plaatsvinden omdat ten aanzien van de veroordeelde een bevel tot gevangenneming is gevorderd.

10. De in de het tweede en derde middel genoemde vordering gevangenhouding en bevel gevangenhouding bevinden zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het middel faalt mitsdien bij gebrek aan feitelijke grondslag.

11. Het vierde middel klaagt over de strafmotivering.

12. Nu het eerste en het tweede middel slagen, behoeft naar het mij voorkomt het vierde middel geen bespreking. Indien Uw Raad mij daarin niet kan volgen, houd ik mij gereed voor het nemen van een aanvullende conclusie.(3)

13. Het eerste en het tweede middel slagen. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar de rechtbank Haarlem teneinde teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden afgedaan.(4)

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de stukken bevinden zich wat betreft het geding enkel het Wots-verzoek van 22 mei 2006 met aanvullende stukken, de vordering tot verlening van verlof tenuitvoerlegging ex art. 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van 24 januari 2007, een akte van uitreiking van de oproeping van de zitting van 28 maart 2007 van 22 februari 2007 aan de geadresseerde in persoon en voorzien van een handtekening, een schrijven van de griffier van 5 februari 2007 aan de veroordeelde dat hij op 28 maart 2007 zal worden gehoord, de conclusie ex art. 28, achtste lid, WOTS van 28 maart 2007, het 'vonnis' van de rechtbank Haarlem van 11 april 2007, het extractvonnis van de op tegenspraak gewezen uitspraak van 11 april 2007, het proces-verbaal van de mededeling uitspraak, waarbij de veroordeelde noch diens raadsman is verschenen, de mededeling uitspraak aan de veroordeelde op 12 april 2007, de mededeling aan Bureau Internationale Rechtshulp dat de uitspraak op 25 april 2007 in kracht van gewijsde is gegaan en de akte rechtsmiddel van 23 oktober 2012.

2 HR 9 april 2013, LJN BZ6516 en HR 6 november 2012, LJN BX8142.

3 Vgl. conclusie van AG Hofstee voor HR 2 april 2013, LJN BZ5960.

4 Art. 32, negende lid, WOTS. Zie ook Van Dorst, Cassatie in strafzaken,7de druk p. 151.