Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA0722

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-05-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
13/01376
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:50, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Verzoek tot wijziging kinderalimentatie; art. 1:401 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/358
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/01376

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 17 mei 2013

CONCLUSIE inzake art. 80a RO

[de man]

tegen:

[de vrouw]

1. Deze zaak betreft een verzoek van verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) tot wijziging van de door verzoeker tot cassatie (hierna: de man) verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen. Bij beschikking van 21 maart 2012 heeft de rechtbank het verzoek in zoverre toegewezen dat de man met ingang van 1 april 2011 € 126,- per kind per maand dient te betalen. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 18 december 2012 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De man heeft van deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt toelichten.

3. Voorop staat dat volgens vaste rechtspraak beslissingen van de feitenrechter tot vaststelling van (kinder)alimentatie in cassatie niet op juistheid maar slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst, waarbij in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van beslissingen die uitsluitend het vaststellen en wegen van door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte naar voren gebrachte omstandigheden betreffen.

4. Middelonderdeel 1 klaagt over een tekortschietende motivering van de oordelen van het hof in rov. 4.3:

- dat de man onvoldoende inzicht heeft verschaft in de financiële situatie van zijn onderneming;

- dat de man onvoldoende (met bescheiden) aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich sinds 2006 voldoende heeft ingespannen om inkomen uit arbeid te genereren;

- dat de man ten aanzien van de door hem gestelde slechte gezondheidssituatie weliswaar een medicijnenoverzicht en brief van de huisarts heeft overgelegd maar dat daaruit bij gemis van een nadere onderbouwing niet kan worden afgeleid dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie geen werkzaamheden (in loondienst) kan verrichten;

- dat het hof geen rekening houdt met de door de man opgevoerde lasten ter zake van zijn woning in Baarn nu het een eigen keuze is geweest om die woning niet met zijn huidige echtgenote te bewonen en hij onvoldoende informatie met betrekking tot de inkomsten uit verhuur heeft verschaft.

5. Deze oordelen zijn feitelijk van aard en alleszins naar behoren gemotiveerd. Het middelonderdeel verwijst naar een groot aantal feitelijke (en deels voor het eerst in cassatie opgeworpen) stellingen en vraagt daarmee in wezen om een hernieuwde vaststelling en weging van de factoren die de draagkracht van de man bepalen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Hierop stuiten de klachten af.

6. Middelonderdeel 2 klaagt tevergeefs dat het hof voorbij is gegaan aan de grieven V (betreffende de draagkracht van de man) en VI (betreffende de draagkracht van de vrouw) en de aan deze grieven ten grondslag gelegde stellingen. Daartoe diene het volgende.

Oordelende dat de man ten aanzien van zowel zijn inkomen als zijn lasten onvoldoende gegevens heeft verstrekt, heeft de rechtbank zijn (fictieve) draagkracht vastgesteld op de behoefte van de kinderen, zijnde € 759,87 (3 x € 253,29, zie p. 4 van de beschikking van 21 maart 2012). Uit de in cassatie bestreden beschikking (rov. 4.3) volgt dat het hof deze oordelen van de rechtbank heeft onderschreven. Dat brengt met zich dat het hof niet afzonderlijk behoefde te responderen op het betoog van grief V dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd van welk inkomen en welke lasten zij is uitgegaan bij de bepaling van de draagkrachtruimte van de man.

Volgens grief VI heeft de vrouw onvoldoende inkomensgegevens in het geding gebracht en niet de betaling en noodzaak aangetoond van (onder meer) de door haar als last opgevoerde premies uitvaartverzekering en lijfrenteverzekering. Deze in algemene bewoordingen gestelde grief heeft het hof - in het licht van de gedingstukken en hetgeen hiervoor onder 3 is opgemerkt - voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd verworpen door a) vast te stellen dat de vrouw een premie begrafenisverzekering van € 20,- per maand en een premie lijfrenteverzekering van € 1.036,- per jaar betaalt (beschikking, p. 3), en b) te oordelen dat de vrouw voldoende inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie en dat uit haar inkomensgegevens kan worden afgeleid dat zij thans niet meer inkomen kan genereren (rov. 4.4).

7. Middelonderdeel 3 bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat de vrouw in hoger beroep voldoende inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie en dat uit haar inkomensgegevens kan worden afgeleid dat zij thans niet meer inkomen kan genereren. Het onderdeel faalt op grond van het volgende.

Het bestreden oordeel is feitelijk van aard en gezien de gedingstukken geenszins onbegrijpelijk. In beginsel is het aan de feitenrechter om te beoordelen of een partij haar stellingen voldoende met stukken heeft onderbouwd. Het bepaalde in art. 2.1.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken (Stcrt. 2010, nr. 19246) brengt daarin geen verandering. Overigens blijkt uit de gedingstukken niet, zoals het middelonderdeel stelt, dat de man zich in hoger beroep op deze bepaling heeft beroepen (vgl. alinea 17 van het beroepschrift). Wat betreft de in het middelonderdeel betrokken stelling dat de vrouw over een zodanig vermogen beschikt dat zij niet in aanmerking komt voor een toevoeging verdient nog opmerking dat de man deze stelling niet aan zijn hoger beroep ten grondslag heeft gelegd.

8. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G