Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:CA0362

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
12/04641
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY4821
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA0362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Schadevordering jegens rechtsbijstandverlener ter zake van conflict met voormalig werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/268
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04641

mr. J. Spier

Zitting 22 februari 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.

(hierna: DAS)

1. Inleiding

1.1 Dit is een trieste zaak. Ondanks de niet onaanzienlijke hoeveelheid papier, is niet erg duidelijk geworden wat de inzet van de procedure is. De Rechtbank heeft bewonderenswaardig en m.i. vrij trefzeker geprobeerd om de grondslag van de vordering van [eiseres] te omlijnen. Vanaf dat moment is de zaak goeddeels op een dood spoor beland. Het valt niet licht om goede zin te geven aan de memorie van grieven. Het Hof voelde zich kennelijk niet geroepen door de grieven heen te kijken en een poging te doen om het geschil ten gronde te beoordelen, wat in zoverre valt te begrijpen dat inderdaad niet geheel duidelijk is wat het geschil ten gronde nauwkeurig is. Aan de klachten valt nauwelijks goede zin te geven. Men kan zich zelfs de vraag stellen of deze voldoen aan de (minimale) eisen van art. 407 lid 2 Rv.

1.2 Cassatietechnisch is de gemakkelijkste weg om de zaak af te doen hetzij met een niet-ontvankelijkverklaring omdat het middel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. voldoet, dan wel om het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO af te werken. Hoewel ik, als gezegd, aarzel of de klachten de toets van art. 407 lid 2 Rv. kunnen doorstaan, acht ik een ontkennende beantwoording van die vraag niet volstrekt vanzelfsprekend.

1.3 Niet zonder aarzeling heb ik ervoor gekozen om de klachten vrij uitvoerig te behandelen. Immers rijst uit deze zaak het volgende beeld op:

a. een rechtsbijstandverzekeraar die zéér ernstig tekortschiet, want volhardt in langdurig stilzitten. Ter vermijding van misverstand: dit tekortschieten is klaarblijkelijk niet de basis waarop de vordering stoelt;

b. een (ex)-werkneemster die buiten haar schuld en - in haar visie - door toedoen van (toenmalige) haar werkgever in moeilijkheden is geraakt. Daarbij ga ik er - ten dele veronderstellenderwijs(1) - vanuit dat de hele gang van zaken in elk geval voor een deel valt te herleiden tot een, naar later is gebleken ongefundeerd, strafrechtelijk onderzoek. In deze gedachtegang, die men in de stukken moet willen inlezen, is weliswaar objectief sprake van een overreactie, maar deze komt niet zonder meer (geheel) voor rekening en risico van [eiseres]. De moeilijkheid met deze benadering is evenwel dat - voorzichtig uitgedrukt - zeer de vraag is of het geding zoals dat in feitelijke aanleg is vorm gegeven een voldoende basis biedt om deze kwestie te beoordelen;(2)

c. een Hof dat de zaak wel wat formeel heeft afgehandeld. Ik geef graag toe dat [eiseres] in appel weinig nuttigs te berde heeft gebracht. Maar het was m.i. niet onmogelijk geweest om de zaak wat welwillender te bekijken. Ook een comparitie had daartoe mogelijk een nuttige bijdrage kunnen leveren, maar deze is door de Raadsheer-Commissaris afgelast (zie rov. 1 van het bestreden arrest). Ik kan het ook wat duidelijker zeggen: voor mij staat niet als een paal boven water dat [eiseres] in deze procedure materieel recht is gedaan.

1.4 Ik voel mij niet geroepen om te gaan speculeren over de vraag of deze zaak, indien adequater behandeld, tot een voor [eiseres] gunstige(r) uitkomst had kunnen leiden. Ik volsta ermee aan de vergetelheid te ontrukken dat zij in haar memorie van grieven heeft doen optekenen dat zij DAS heeft meegedeeld dat zij "klaar was met de politie" (onder 21), wat niet gemakkelijk valt te verzoenen met haar wens om te worden gere-integreerd.

1.5 Al met al denk is dat de meest voor de hand liggende afhandeling is afwerking op de voet van art. 81 lid 1 RO. In dat scenario is hetgeen volgt ten dele overbodig.

2. Feiten

2.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.(3)

2.2 [Eiseres] was in de rang van hoofdagent als rechercheur werkzaam voor de politie Rotterdam-Rijnmond (hierna: de Politie). In november 2003 is bij de Politie een melding binnengekomen die betrekking had op [eiseres]. De strekking van de melding was dat geheime informatie vanuit politieregisters door [eiseres] verstrekt zou zijn aan derden. Het Bureau Interne Zaken (hierna: het BIZ) van de Politie heeft hiernaar onderzoek gedaan. Op 6 januari 2004 is [eiseres] gehoord door het BIZ.

2.3 Bij brief van 9 februari 2004 heeft het Openbaar Ministerie aan [eiseres] bericht dat zij ten onrechte als verdachte is aangemerkt en dat geen strafrechtelijke vervolging zal worden ingesteld.

2.4 Op 29 juli 2004 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. Zij is vervolgens wegens psychische klachten volledig arbeidsongeschikt geweest tot januari 2005. Vanaf 11 januari 2005 heeft [eiseres] haar werkzaamheden hervat voor driemaal twee uur per week, waarbij zij een aantal werkzaamheden, zoals het afnemen van verhoren, niet behoefde te verrichten. De werkhervatting is vervolgens steeds verder uitgebreid.

2.5 Bij brief van 4 maart 2005 heeft het hoofd van het BIZ aan [eiseres] onder meer meegedeeld dat het verloop van het naar haar verrichte onderzoek de toets der kritiek niet kan doorstaan. In deze brief heeft het BIZ hiervoor excuses aangeboden.

2.6 Bij e-mailbericht van 9 maart 2005 heeft [betrokkene 1] van de Politie Vakbond Rijnmond aan [eiseres] bericht dat hij de zaak van [eiseres] wilde aanmelden bij DAS. [Eiseres] heeft op 26 mei 2005 in haar eerste contact met DAS telefonisch verzocht om actie te ondernemen "richting de Politie" vanwege het handelen van het BIZ in strijd met de van toepassing zijnde protocollen. Zekere [betrokkene 2] heeft dit verzoek namens DAS bij brief van 27 mei 2005 aan [eiseres] bevestigd.

2.7 In september 2006 is [eiseres], nadat zij naar een ander dienstonderdeel was overgeplaatst, weer volledig uitgevallen. Uit het door de bedrijfsarts ingevulde formulier Medische informatie WIA van 19 september 2006 blijkt dat vanwege blijvende beperkingen op het werk, de begeleiding van [eiseres] is hervat in januari 2006. Op het formulier staat verder dat in juni 2006 wederom begeleiding van de bedrijfsarts is gestart en dat [eiseres] toen is verwezen naar de psycholoog van KLM Health Services, waarbij met de Politie een tweesporenbeleid is afgestemd, gericht op re-integratie enerzijds en op het zoeken van een passende functie binnen de organisatie anderzijds. Via het Loopbaanadviescentrum, later IMO geheten, is gezocht naar een andere, passende functie, evenwel zonder succes. [Eiseres] is op een aantal interne sollicitaties afgewezen en heeft daarnaast een aantal aangeboden functies van de hand gewezen.

2.8 [Eiseres] heeft zich begin 2007 tot het advocatenkantoor Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen gewend (hierna: Holland Van Gijzen). Bij brief van 14 maart 2007 heeft mr. J.A. Faber van Holland Van Gijzen aan [betrokkene 2] gevraagd of het mogelijk is dat hij wordt aangesteld als de vertegenwoordiger van [eiseres] en dat DAS de daarmee gepaarde kosten voldoet. In de brief staat ook vermeld dat indien dit niet mogelijk is, [betrokkene 2] wordt verzocht de zaak van [eiseres] met spoed te behandelen. De inschakeling van Holland Van Gijzen heeft er uiteindelijk toe geleid dat [betrokkene 2] heeft toegezegd dat zij de zaak zal oppakken.

2.9 Op 27 juli 2007 heeft [betrokkene 2] namens [eiseres] een brief gezonden aan de Politie. In deze brief is de Politie aansprakelijk is gesteld voor door [eiseres] geleden schade als gevolg van het handelen van het BIZ.

2.10 Met ingang van 1 januari 2008 is de omvang van het dienstverband van [eiseres] op haar eigen verzoek gewijzigd van 38 naar 27 uur per week.

2.11 Per 1 april 2008 is de behandeling van het dossier binnen DAS overgenomen door [betrokkene 3]. Deze [betrokkene 3] heeft vervolgens namens [eiseres] bij brief van 23 april 2008 aan OVO, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Politie, de aansprakelijkstelling van de Politie nader toegelicht. Bij brief van 17 juni 2008 heeft [betrokkene 3] aan OVO verzocht om antwoord op zijn brief van 23 april 2008. Bij brief van 6 augustus 2008 heeft [betrokkene 3] aan OVO stukken toegezonden, gevraagd of de aansprakelijkheid erkend wordt en voorgesteld om een gesprek te laten plaatsvinden.

2.12 Bij brief van 16 oktober 2008 heeft mr. J.S. Pastink van Holland Van Gijzen (hierna: Pastink) namens [eiseres] aan DAS meegedeeld dat DAS de zaak niet naar behoren behandelt en dat DAS aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres] lijdt en nog zal lijden. Pastink heeft vervolgens in een brief van 24 november 2008 aan DAS laten weten dat [eiseres] ervoor heeft gekozen om haar zaak verder door Holland Van Gijzen te laten behandelen.

2.13 De verhouding tussen [eiseres] en de Politie is sinds het najaar van 2008 steeds verder verslechterd. Op 22 oktober 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en haar leidinggevenden, waarbij onder meer is gesproken over een mogelijke functie voor [eiseres] bij de zeehavenpolitie. De bedrijfsarts heeft [eiseres] op 5 november 2008 in staat geacht om werkzaamheden te verrichten, rekening houdend met een aantal beperkingen. Nadien heeft de Politie [eiseres] meermalen een dienstbevel opgelegd om haar werkzaamheden te hervatten. Er heeft echter telkens "een terugval" plaatsgevonden, waarbij [eiseres] zich weer ziek heeft gemeld.

2.14 In 2009 hebben vruchteloos twee "mediationtrajecten" tussen de Politie en [eiseres] plaatsgevonden. Uiteindelijk hebben [eiseres] en de Politie eind 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is de dienstbetrekking van [eiseres] geëindigd en heeft [eiseres] aan de Politie finale kwijting verleend, ook voor de door DAS namens [eiseres] gestelde vordering met betrekking tot de schade als gevolg van het handelen van het BIZ in 2004.

3. Procesverloop

3.1 [Eiseres] heeft DAS op 8 juni 2010 gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam. Zij heeft daarbij vergoeding gevorderd van schade die zij geleden heeft ten gevolge van een misgelopen carrière (nader op te maken bij staat), van schade ten gevolge van werktijdvermindering tijdens ziekte (€ 30.336,86), van advocatenkosten (€ 23.841,73), van gemaakte kosten voor een coach (€ 16.243,50) en van toekomstige kosten voor een coach (€ 15.000,00 exclusief btw).

3.2 DAS heeft erkend dat zij tot april 2008 niet met de voortvarendheid heeft gehandeld die van haar verwacht mocht worden. DAS heeft zich in dat kader bereid verklaard om € 1.076,61 aan [eiseres] te voldoen.(4) Dit bedrag ziet op de in 2007 door Holland Van Gijzen aan [eiseres] in rekening gebrachte kosten.

3.3 De Rechtbank heeft DAS bij vonnis van 2 maart 2011 veroordeeld tot betaling van € 1.076,61 aan advocatenkosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De Rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd. Kort samengevat berust deze afwijzing hierop dat [eiseres] DAS niet heeft gevraagd haar te begeleiden "bij het re-integratietraject", terwijl er voor DAS geen grond bestond om zonder een daartoe strekkend verzoek de werkgever te benaderen "teneinde de re-integratieverplichtingen beter op te pakken" (rov. 4.3 en 4.4).

3.4 [Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam. In zijn arrest van 12 juni 2012 heeft het Hof heeft het bestreden vonnis vernietigd voor zover daarbij de proceskosten gecompenseerd zijn; voor het overige heeft het Hof dat vonnis bekrachtigd.

3.5 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep doen bezorgen door mr P. de Water, volgens de cassatiedagvaarding advocaat te Katwijk aan Zee. DAS heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO, althans verwerping. Op 26 oktober 2012 is beslist dat deze zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van art. 80a RO. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk toegelicht, waarna DAS nog heeft gedupliceerd.

4. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1 Zoals aangestipt onder 3.5 vermeldt de cassatiedagvaarding dat [eiseres] in cassatie wordt vertegenwoordigd door mr P. de Water (zo lees ik de dagvaarding maar). De namens haar bezorgde s.t. vermeldt als advocaat mr P.J.W. de Water.

4.2 Voor zover ik kan nagaan bestond ten tijde van het uitbrengen van de cassatiedagvaarding geen advocaat in Katwijk aan Zee die de naam P. de Water droeg. Aldus is het beroep niet ingesteld door een (cassatie)advocaat. Het is mitsdien niet-ontvankelijk. Ik erken dat dit een wat formele benadering is, maar de voorgedragen cassatieklachten vragen daar als het ware om.

5. Bespreking van de cassatiemiddelen voor zover nodig

Middel 1

5.1 De onderdelen 8 t/m 10 richten zich tegen rov. 2.5 van het bestreden arrest. Deze rechtsoverweging luidt:

"2.5 Grief 2 klaagt dat het bestreden vonnis onvoldoende is gemotiveerd doordat de rechtbank onder rov. 3.3 heeft volstaan met de overweging: 'DAS voert verweer', zonder het gevoerde verweer nader weer te geven. Het is echter niet de taak van de appelrechter om te beoordelen of het vonnis van de eerste rechter lijdt aan een motiveringsgebrek. Het is in dit geval de taak van het hof om aan de hand van de grieven te beoordelen of de vordering, voor zover de rechtbank die heeft afgewezen, alsnog moet worden toegewezen. De beslissing van de rechtbank steunt overigens niet op haar rov. 3.3. In zoverre faalt de grief.

[Eiseres] heeft bij grief 2 geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [eiseres] het tekortschieten van de Politie bij de reïntegratie moet bewijzen. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft zich niet uitgesproken over de vraag bij wie de bewijslast ter zake van dat gestelde tekortschieten ligt. Ook in zoverre faalt grief 2.

Op hetgeen [eiseres] bij grief 2 (onder 10) heeft ingebracht tegen diverse verweren van DAS, komt het hof hieronder terug na de bespreking van grief 6."

5.2 De onderdelen 8 en 9 klagen dat 's Hofs overweging dat het niet de taak van de appelrechter is om te beoordelen of het vonnis in prima lijdt aan een motiveringsgebrek, in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Volgens het middel miskent het Hof met deze overweging bovendien de motiveringsplicht ex art. 30 Rv.

5.3.1 Deze klachten falen reeds omdat zij ieder belang missen. Met juistheid heeft het Hof immers aangegeven dat een eventuele tekortkoming van de Rechtbank op dit punt in appel zal worden geremedieerd.

5.3.2 Overigens is feitelijk onjuist dat uit het vonnis in prima niet valt af te leiden welk verweer DAS heeft gevoerd. Ik moge verwijzen naar rov. 4.2 van het eindvonnis.

5.4.1 Onderdeel 10 klaagt dat het Hof verzuimd heeft om zijn oordeel ten aanzien van de verwerping grief 2 te motiveren. Volgens het onderdeel stelt het Hof in rov. 2.5 een oordeel in het vooruitzicht, om vervolgens in rov. 2.19 zonder nadere motivering te overwegen dat het Hof dat oordeel niet meer van belang acht.

5.4.2 Het Hof zou bovendien voorbijgaan aan "de punten 11 en 12 van de memorie van grieven, aan de hand waarvan [eiseres] het geschil heeft omkaderd: het falen van DAS in de rechtsbijstandverlening ten behoeve van [eiseres] bij het conflict met haar werkgever."

5.5 De onder 5.4.1 weergegeven klacht faalt. In aanvulling op hetgeen het Hof in rov. 2.5 ten aanzien van grief 2 heeft overwogen, vermeldt het Hof in rov. 2.19 dat [eiseres] in het kader van grief 2 kritiek heeft geleverd op enige verweren van DAS. Uit rov. 2.19, gelezen in samenhang met rov. 2.18, blijkt dat en waarom het Hof deze kritiek niet meer van belang acht: dat is namelijk in de voorafgaande rechtsoverwegingen reeds uit de doeken gedaan. Tegen dat laatste oordeel is geen (begrijpelijke) klacht gericht.

5.6 De onder 5.4.2 vermelde klacht is geen beter lot beschoren. Op zich is juist dat het Hof niet uitdrukkelijk is ingegaan op hetgeen in de mvg onder 11 en 12 is geëtaleerd. Dat kan het Hof m.i. niet euvel worden geduid. Ik licht dat kort toe.

5.7 Onder 11 wordt vermeld dat niet wordt toegelicht welk gewicht wordt toegekend aan de tekortkoming van DAS. Lezing van het arrest wijst uit dat het Hof tot de conclusie is gekomen dat DAS niet is tekortgeschoten. Daarmee was de stelling onder 11 behandeld.

5.8 Ook hetgeen in de mvg onder 12 te berde wordt gebracht - een weinig helder exposé - scharniert om een pretense tekortkoming van DAS. Het doet om de onder 5.7 vermelde reden niet ter zake.

5.9.1 Onderdeel 11 richt zich tegen 's Hofs oordeel in rov. 2.17. Deze overweging luidt:

"2.17 Grief 5 bevat de klacht dat de rechtbank de aard en omvang van de aan DAS verstrekte opdracht heeft miskend. In hetgeen hiervoor in rov. 2.8-2.14 is overwogen, ligt een verwerping van die grief reeds besloten. De omstandigheid dat DAS de Politie niet heeft aangesproken op de reïntegratieverplichting en haar niet heeft gesommeerd zich als een goed werkgever te gedragen, levert geen tekortkoming op in de zorgplicht van een goed opdrachtnemer, binnen de omvang en de strekking van de opdracht zoals DAS die mocht begrijpen. Indien DAS in die zorgplicht is tekortgeschoten door gedurende te lange tijd te weinig activiteiten te verrichten en onvoldoende voortvarendheid te betrachten, leidt dat niettemin niet tot toewijzing van enig deel van het gevorderde, nu onvoldoende is gesteld om te kunnen aannemen dat de gevorderde schade geheel of gedeeltelijk daardoor is veroorzaakt."

5.9.2 Aldus heeft het Hof twee zelfstandige gronden onder zijn oordeel geschoven:

a. er is geen tekortkoming van DAS en

b. ware dat al anders, dan is onvoldoende gesteld om een causaal verband te kunnen aannemen met (een deel van) de gevorderde schade.

5.10 Onderdeel 11 stelt voorop dat het Hof in rov. 2.17 geoordeeld heeft dat de omstandigheid dat DAS de Politie niet heeft aangesproken op de re-integratieverplichting en de Politie niet gesommeerd heeft om zich als een goed werkgever te gedragen, binnen de omvang en de strekking van de opdracht zoals DAS die mocht begrijpen, geen tekortkoming oplevert in de nakoming van de zorgplicht van een goed opdrachtnemer. Het acht dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd omdat rov. 2.8 - 2.14, waar het Hof in dit verband naar verwijst, niet aansluiten op de inhoud van grief 5.

5.11 Onderdeel 12 en middel 5 (onderdelen 48 t/m 51) richten zich tegen het onder 5.9.2 onder b weergegeven oordeel van het Hof. Omdat middel 5, naast enkele aanvullende klachten, de klachten van onderdeel 12 herhaalt, beperk ik me tot de door middel 5 naar voren gebrachte klachten. Deze komen erop neer dat het Hof voorbijgaat aan hetgeen [eiseres] in de dagvaarding heeft gesteld (in het bijzonder op p. 19 t/m 24 van de inleidende dagvaarding). [Eiseres] zou in de dagvaarding (onder 40) onder meer betoogd hebben dat bij adequate rechtshulp door DAS geen advocatenkosten gemaakt zouden zijn en dat deze advocatenkosten pas gemaakt zijn nadat DAS in de gelegenheid was gesteld om deze kosten te voorkomen door de zaak zelf goed op te pakken. De overige schadeposten - "gederfde inkomsten wegens misgelopen carrière en misgelopen overwerk, wegens werktijdverkorting, kosten coach" - moeten volgens het middel gezien worden in het licht van het feit dat DAS in deze cruciale periode van drie en een half jaar [eiseres] juridisch niet heeft bijgestaan, "althans niet op zodanige wijze dat in een eerder stadium de situatie had kunnen de-escaleren".

5.12 's Hofs in rov. 2.17 neergeslagen oordeel doelt kennelijk op een (eventueel) tekortschieten van DAS 'in de zorgplicht van een goed opdrachtnemer' (vgl. rov. 2.17, derde volzin). Deze overweging dient gelezen te worden in samenhang het hetgeen het Hof vlak daarvoor in rov. 2.14 en 2.15 heeft overwogen:

"2.14 Uit grief 1 leidt het hof af dat [eiseres] DAS ook verwijt dat zij in de periode van 9 maart 2005 tot 16 oktober 2008 onvoldoende activiteiten heeft verricht en onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, zoals hiervoor in rov. 2.4 nader is omschreven.

2.15 Dit verwijt kan slechts tot toewijzing van (enig deel van) de vordering leiden, indien [eiseres] concretiseert welke verdere activiteiten DAS had moeten verrichten en langs welke weg die verdere activiteiten en/of een meer voortvarend tempo ertoe zou(den) hebben geleid dat de gevorderde schade geheel of ten dele zou zijn voorkomen. Bij de toelichting op grief 6 heeft [eiseres] gesteld dat DAS de Politie had moeten sommeren om zich als een goed werkgever te gedragen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe een sommatie met een zo algemene strekking de gevorderde schade had kunnen voorkomen. Voor het overige heeft het hof geen stellingen van [eiseres] aangetroffen die concreet aanwijzen welke (verdere) activiteiten in welk tempo DAS naar haar mening had moeten ondernemen en hoe die de gevorderde schade geheel of ten dele hadden kunnen voorkomen.

De stelling van [eiseres] dat het geschil tussen [eiseres] en de Politie niet of minder zou zijn geëscaleerd indien DAS snellere en betere rechtsbijstand zou hebben verleend, is te algemeen en daarom ontoereikend."

5.13.1 Erg overtuigend kan ik 's Hofs redengeving in rov. 2.15 niet vinden. Probleem is evenwel dat in cassatie niet tegen rov. 2.15 wordt opgekomen. Tegen die achtergrond bezien, kan 's Hofs voortbouwende oordeel in rov. 2.17 de toets der kritiek m.i. doorstaan.

5.13.2 Ten overvloede merk ik hierbij op dat m.i. overvraagd is dat [eiseres] nauwkeurig aangeeft wat DAS had moeten doen én waarom dat zou hebben geleid tot minder schade. Dat is immers nogal speculatief. Als zou moeten worden aangenomen dat DAS niet alleen tergend traag, maar ook onzorgvuldig zou hebben gehandeld, dan zou het aan deze tekortkoming liggen dat niet meer met enige zekerheid valt aan te geven wat bij een behoorlijke behandeling van de zaak zou zijn gebeurd. Zou de stelplicht en de bewijslast in volle zwaarte bij [eiseres] liggen, dan zou het een wanpresterende rechtsbijstandverzekeraar té gemakkelijk worden gemaakt. Bovendien heeft [eiseres] weliswaar lapidair, maar niet in het oog springend ontoereikend, aangegeven waardoor de schade volgens haar is ontstaan: te weten onder meer onnodige escalatie van het conflict (inleidende dagvaarding onder 35).

5.13.3 Ik zeg hiermee zeker niet dat in rechte van een causaal verband tussen een eventuele tekortkoming van DAS en de pretense schade zonder meer zou moeten worden uitgegaan. Zou Uw Raad op dit punt het bestreden arrest vernietigen, dan zal na verwijzing onder meer op het op deze kwestie toegesneden verweer van DAS(5) moeten worden ingegaan.

5.14 Nu 's Hofs zelfstandig dragende grond als vermeld onder 5.9.2 onder b niet met vrucht wordt bestreden, doet niet meer ter zake of sprake is van een tekortkoming van DAS. Voor het geval Uw Raad wél aan dat thema toekomt, een enkel woord over onderdeel 11.

5.15 [eiseres] heeft met grief 5 betoogd dat de Rechtbank de aard en de omvang van de door [eiseres] aan DAS verstrekte opdracht miskend heeft (zie rov. 2.17). Naar het oordeel van het Hof volgt uit hetgeen in rov. 2.8 t/m 2.14 is overwogen reeds dat deze grief verworpen dient te worden (zie rov. 2.17). Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Ik volsta hier met de constatering dat het Hof in rov. 2.10 geoordeeld heeft dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [eiseres] DAS verzocht heeft om de Politie aan te spreken op haar re-integratieverplichting en dat in rov. 2.11 en 2.12 wordt geoordeeld dat evenmin gebleken is van een andere grond op basis waarvan DAS gehouden zou zijn geweest om de Politie op die re-integratieverplichting aan te spreken.

Middel 2

5.16.1 De onderdelen 19 t/m 25 klagen dat het Hof de inhoud en strekking van grief 4 heeft miskend. Het middel stelt dat grief 4 uitsluitend betoogt dat de Rechtbank op onjuiste gronden vastgesteld heeft dat niet ter discussie staat dat [eiseres] niet aan DAS verzocht heeft om haar te begeleiden en te adviseren bij de re-integratie. Het Hof zou de inhoud en de strekking van deze grief hebben miskend door de grief in rov. 2.7 af te doen met de overweging: "Uit de toelichting op deze grief maakt het hof op dat [eiseres] dit verwijt wel aan DAS maakt, maar daarnaast ook andere verwijten." Het Hof zou bovendien ten onrechte zijn ingegaan op de in rov. 2.8 vermelde vragen. Onderdeel 20 voert daarenboven nog aan dat [eiseres] in appel wel degelijk heeft aangevoerd dat zij de re-integratie ter sprake heeft gebracht.

5.16.2 Ter staving van deze laatste bewering beroept [eiseres] zich, als ik het goed zie, op aantekeningen van [betrokkene 2] die als volgt luiden:

"Bedrijfsartsen steeds weer anderen, P&O ook steeds anderen. Navragen ambtenarenrecht: hoe omgaan > 2 jaar ziek. Nog steeds 1% ziek! Herplaatsingsstatus gekregen. Loopbaanpersp + cursussen misgelopen --> ontwikk carriere "

5.17 Zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, is (mij) niet duidelijk waarom uit de onder 5.16.2 weergegeven aantekeningen zou blijken dat [eiseres] de re-integratieproblematiek bij DAS aan de orde heeft gesteld.

5.18 Als ik het goed begrijp dan komen de (overige) klachten erop neer dat [eiseres] meent dat zij wél op afdoende wijze heeft aangegeven dat zij wilde dat DAS zich zou inzetten voor haar re-integratie. Nog daargelaten dat deze stelling zich niet verdraagt met haar uitdrukkelijke hierboven onder 1.4 vermelde stelling dat zij DAS te kennen heeft gegeven dat ze "klaar was met de politie", zien de klachten eraan voorbij dat het Hof in rov. 2.9 uitvoerig op deze kwestie is ingegaan, voordat afrondend in rov. 2.10 wordt overwogen dat [eiseres] DAS niet heeft gevraagd "de Politie aan te spreken op haar reintegratieverplichtingen". Tegen 's Hofs redengeving is geen (begrijpelijke) klacht gericht, wat er van dat oordeel verder ook zij. Daarmee is het lot van deze klachten bezegeld.

Middel 3

5.19 De litanie van het derde middel is niet gemakkelijk te doorgronden. Voor zover het niet in herhalingen valt, komt het er, naar ik begrijp en naar de kern genomen, op neer dat het Hof heeft miskend dat DAS zich niet kon verschuilen achter hetgeen [eiseres] haar (nadrukkelijk) zou hebben gevraagd. DAS had zich actiever kunnen en moeten opstellen omdat zij wist, althans behoorde te begrijpen, dat [eiseres] DAS wilde inschakelen in verband met een arbeidsrechtelijke kwestie.

5.20 Ik zou zeker niet willen uitsluiten dat DAS meer had moeten doen dan het weinige dat ze heeft gedaan. Maar het Hof heeft uitvoerig geschetst waarom dat in zijn visie niet het geval was. 's Hofs oordeel komt er, heel kort samengevat, op neer dat DAS dacht en mocht denken dat [eiseres] de re-integratiekwestie aankaartte als onderdeel van de schade die zij had geleden als gevolg van de onder 2.2 genoemde kwestie (de, naar later bleek, onterechte verdenking); zie rov. 2.9 derde alinea. Verderop wijst het Hof op een conceptbrief van [betrokkene 2] en de reactie daarop van [eiseres]. In de context gelezen, kon DAS, volgens het Hof, uit de reactie van [eiseres] op het concept niet afleiden dat het [eiseres] ook te doen was om re-integratie. Tegen die achtergrond oordeelt het Hof, naar ik begrijp, dat DAS niet uit zich zelf de re-integratie-problematiek behoefde aan te kaarten. Op (al) deze oordelen valt m.i. wel een en ander af te dingen, maar het middel doet dat niet op een ook maar enigszins begrijpelijke wijze. Daarop lopen de klachten stuk.

Middel 4

5.21 De onderdelen 43 t/m 47 kanten zich tegen 's Hofs oordeel in rov. 2.17 dat de omstandigheid dat DAS de Politie niet heeft aangesproken op de re-integratieverplichting en de Politie niet gesommeerd heeft om zich als een goed werkgever te gedragen, mede gezien de omvang en de strekking van de opdracht zoals DAS die mocht begrijpen, geen tekortkoming oplevert in de nakoming van de zorgplicht van DAS. De onderdelen monden uit in het verwijt dat het Hof bepaalde stellingen die [eiseres] heeft aangevoerd in het kader van grief 5, niet mocht afdoen "met de woorden dat het feit dat DAS niet heeft gehandeld op een wijze die in de rede lag, geen tekortkoming oplevert in de zorgplicht van een goed opdrachtnemer binnen de omvang van de opdracht zoals DAS die mocht begrijpen."

5.22 Mij is niet goed duidelijk wat de klachten proberen aan de orde te stellen. Met name ook niet waarom het Hof zou hebben gezondigd tegen de in art. 7:401 BW neergelegde aansprakelijkheidsmaatstaf, wat onderdeel 45 vermoedelijk tot uitdrukking wil brengen. Voor zover het middel niet in herhalingen valt, voldoet het m.i. niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Middel 5, voor zover nog niet behandeld

5.23 Onderdeel 51 verwijt het Hof het bewijsaanbod in de inleidende dagvaarding onder 46 "buiten spel" te hebben gezet. Dit bewijsaanbod behelst het volgende:

"46. Eiseres is van mening dat zij haar stellingen met de daartoe benodigde bewijsmiddelen heeft onderbouwd. Deze bewijsmiddelen bestaan onder meer uit de overgelegde stukken. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de ingebrachte bewijzen nadere aanvulling behoeven of dat de stellingen van eiseres nadere bewijsvoering behoeven, dan biedt eiseres alle medewerking hiertoe aan met alle daarvoor beschikbare middelen, waaronder doch niet beperkt tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waarbij in concreto zal worden ingegaan op de slechte bereikbaarheid van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], de toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van het werk door het niet signaleren van de juridische kanten van het dossier (arbeidsrecht en bestuursrecht) en door het niet uitvoeren van werkzaamheden die op dat moment vereist waren."

5.24 Het Hof heeft in rov. 2.10 geoordeeld dat [eiseres] in appel geen voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan ter staving van haar stelling dat zij DAS wél heeft gevraagd "de Politie aan te spreken op haar reïntegratieverplichting". Dat oordeel wordt niet bestreden. Het kan 's Hofs oordeel dragen. Bij die stand van zaken kan blijven rusten of het onder 5.23 geciteerde bewijsaanbod voldoende specifiek is.

5.25 Daar komt nog bij dat de klacht een opmerkelijke draai geeft aan het geschil. Het zwaartepunt lijkt te verschuiven van de re-integratiekwestie naar de trage behandeling. Die is in confesso, maar deze was - volgens de eigen stellingen van [eiseres] - niet waarom het haar te doen is in deze procedure, nog daargelaten dat op dit punt in 's Hofs - tevergeefs bestreden - visie het causaal verband ontbreekt.

6. Afronding

6.1 Op grond van al het bovenstaande kom ik tot een voor [eiseres] negatief oordeel over de gegrondheid van de klachten. Ik vermeldde al er niet van overtuigd te zijn dat het Hof een erg bevredigende uitkomst heeft bereikt. Binnen de smalle marges van het cassatiestelsel zie ik evenwel geen mogelijkheden om de helpende hand te bieden, nog daargelaten of [eiseres] daar uiteindelijk garen bij zou spinnen. Maar misschien ziet Uw Raad wel mogelijkheden om [eiseres] te hulp te snellen.

6.2 Vaststaat dat DAS ernstig tekort is geschoten door deze zaak met de grote vertraging ter hand te nemen. Volgens haar - verdedigbare - opvatting zou de zaak rijp zijn geweest voor toepassing van art. 80a RO (cva onder 5). Daarvan uitgaande, meen ik dat het, de wijze waarop zij [eiseres] heeft bejegend mede in aanmerking genomen, alleszins redelijk zou zijn om de kosten die zij heeft gemeend te moeten maken voor het voeren van (een in haar eigen visie niet noodzakelijk)(6) verweer voor haar eigen rekening te laten. Art. 419 lid 4 Rv. biedt daartoe de mogelijkheid.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres], dan wel - als zij in haar cassatieberoep kan worden ontvangen - tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De hierna onder 2.6 vermelde feitenvaststelling wijst in die richting.

2 Daarom kan ook blijven rusten of juist is de bewering van DAS dat [eiseres] voor deze beweerde schade niet (meer) bij DAS kan aankloppen (s.t. onder 1.23).

3 Ontleend aan rov. 2.2.1 t/m 2.2.16 van het bestreden arrest.

4 Maar met betaling heeft zij kennelijk gewacht tot de veroordeling.

5 O.m. cva onder 41 e.v.

6 Zou de zaak zo simpel zijn als DAS meent, dan had zij met een gerust hart verstek kunnen laten gaan.