Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ9992

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
11/05007
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ9992
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Puttense moordzaak II. 1. Verwerping verweer. 2. Salduz. 3. Herhaald verzoek horen deskundigen. 4. Samenloop. Ad 1. Indien de aan het verweer en middel ten grondslag liggende stellingen dat de in 1994 in de DNA-databank opgenomen sporendragers volgens de destijds geldende regels verwijderd en vernietigd hadden behoren te zijn dan wel ten onrechte niet alle sporendragers zijn bewaard juist zijn, dan kan dat niet de gevolgtrekking dragen dat zulke een vormverzuim oplevert dat is begaan i.h.k.v. het voorbereidend onderzoek a.b.i. art. 359a Sv naar de in deze zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten. Ad 2. HR herhaalt HR ECLI BH3079. Het middel mist feitelijke grondslag v.zv. het middel klaagt dat het Hof de 1e, 2e en 3e verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd. Wat betreft de overige verklaringen van verdachte kan het middel niet tot cassatie leiden, nu het hof die verklaringen slechts heeft betrokken bij de beoordeling van verdachtes (niet aannemelijk bevonden) lezing van de gebeurtenissen, nog daargelaten dat verdachte die overige verklaringen heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en hem de cautie was gegeven. Ad 3. Het middel klaagt terecht dat he Hof geen beslissing heeft genomen t.a.v. het herhaalde verzoek. In aanmerking genomen dat het Hof eerder het verzoek gemotiveerd heeft afgewezen en bij het herhaalde verzoek niet is ingegaan op ’s Hofs motivering van de afwijzing en zonder dat een beroep is gedaan op nieuwe f&o heeft verdachte geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht. Ad 4. HR herhaalt HR ECLI AS5556 m.b.t. de samenloopbepalingen. Toepassing van de in dat arrest neergelegde overwegingen brengt met zich dat de maximaal op te leggen tijdelijke gvs i.v.m. eerdere veroordelingen i.c. (afgerond) 16 jr en 9 mnd kon bedragen. De HR doet de zaak zelf af en legt verdachte een gvs van 16 jr op, vermindert met een half jaar i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/05007

Mr. Aben

Zitting: 23 april 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 10 november 2011, in een zaak die ook wel bekend staat als "de Puttense moordzaak II", de verdachte wegens 1 primair "moord" en 2. "verkrachting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen voorwerp zoals in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. R.D.A. van Boom en M.L. Plas, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur (van 98 pagina's) veertien middelen van cassatie voorgesteld.

3. De achtergrond van de onderhavige zaak is als volgt. Op 9 januari 1994 is de toentertijd 23-jarige stewardess Christel Ambrosius verkracht en vermoord in de woning van haar oma in Putten. Aanvankelijk zijn [A] en [B] in hoger beroep bij arresten van het gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995, LJN AE1889 en LJN AE1892 voor deze feiten ter zake van medeplegen van doodslag en medeplegen van verkrachting beiden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Vervolgens heeft de Hoge Raad bij arrest van 26 juni 2001, LJN AA9800, NJ 2001/564 m.nt. Schalken de tegen deze onherroepelijke veroordelingen gerichte herzieningsaanvragen gegrond verklaard, (kort gezegd) omdat een belangrijke deskundige nadien is teruggekomen op zijn eerdere "verslepingstheorie". Daarna heeft het gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 24 april 2002, LJN AE1877 [A] en [B] vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Ten slotte is de verdachte in beeld gekomen, nadat zijn DNA-profiel op 9 april 2008 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en bij vergelijking van dit DNA-profiel een match is gevonden met het DNA-profiel van een bloedvlek die was aangetroffen aan de binnenzijde van de spijkerbroek van Christel Ambrosius.

4. Het eerste middel klaagt over de partijdigheid van het hof. De motivering van de afwijzing van verzoeken tot voeging van stukken, het horen van getuigen, het doen van onderzoek aan sporenmateriaal en de vergelijking van DNA-profielen, als ook andere feiten en omstandigheden leveren zwaarwegende aanwijzingen op dat het hof jegens de verdachte een vooringenomenheid heeft gekoesterd, althans dat de bij de verdachte dienaangaande ontstane vrees objectief gerechtvaardigd is, aldus de stellers van het middel.

5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.(1)

6. De stellers van het middel erkennen dat de enkele onwelgevalligheid van 's hofs (afwijzende) beslissingen op verzoeken tot de genoemde (onderzoeks)verrichtingen geen objectieve rechtvaardiging vormt voor de vrees van vooringenomenheid. Onder verwijzing naar de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank te Amsterdam van 22 oktober 2010 (toewijzing van het wrakingsverzoek in de Wilderszaak) voeren de stellers van het middel aan dat een rechterlijke beslissing dermate onbegrijpelijk kan zijn "dat voor die beslissing redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter."(2)

7. De stellers van het middel bouwen met hun argumentatie voort op de aangehaalde rechtsoverweging van de Amsterdamse rechtbank en leggen de vinger op overwegingen van het hof bij de tussenarresten van 4 maart 2010, 16 juni 2010, 10 december 2010 en van 22 juli 2011, alsmede bij het eindarrest. 's Hofs overwegingen motiveren telkens de afwijzing van verzoeken tot nader onderzoek ter staving van alternatieve scenario's. Naar 's hofs oordeel is in die stand van het geding, dat wil zeggen: nadat in het vooronderzoek reeds veel recherche is gedaan naar alternatieve scenario's, nader onderzoek naar alternatieve scenario's alleen aangewezen bij "sterke" c.q. "zeer ernstige aanwijzingen tegen andere personen dan de verdachte in een scenario dat niet alleen niet ondenkbaar is maar ook een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft."

Het hof zou op 10 december 2010 zijn oordeel al klaar hebben, aldus de stellers van het middel, namelijk het oordeel dat er geen sterke aanwijzingen zijn voor de ontlastende scenario's die de verdediging had benoemd c.q. nog naar voren had willen brengen. Daarmee zou het hof onaanvaardbaar vooruit zijn gelopen op het beslissingskader van de artikelen 348 en 350 Sv, aldus de klacht.

8. Wapperend met de wrakingsbeslissing in de Wilderszaak achten de stellers van het middel deze overwegingen van het hof - klaarblijkelijk - dermate onbegrijpelijk dat zij van vooringenomenheid blijk zouden geven. Ik meen echter dat de geciteerde passage uit de bedoelde wrakingsbeslissing de stand van het recht op dit punt niet juist weergeeft. De verklaring voor ernstige misslagen in de motivering van rechterlijke beslissingen hoeft niet per se gezocht te worden in vooringenomenheid jegens de verdachte. Voor de constatering van partijdigheid is meer nodig. Naar dat meerdere zoekt men tevergeefs in de toelichting op het middel, nog daargelaten de vraag of de onderwerpelijke motiveringen werkelijk zo onbegrijpelijk zijn.

9. Aldus hebben zich in het onderhavige geval - anders dan de stellers van het middel aanvoeren - geen uitzonderlijke omstandigheden voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het hof jegens de verdachte een vooringenomenheid koesterde en evenmin voor het oordeel dat een dienaangaande bij de verdachte bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

10. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op gestelde gebreken aangaande de onpartijdigheid van het hof die reeds aan de wrakingskamer van het hof zijn voorgelegd, miskennen de stellers van het middel dat in cassatie niet opnieuw een beroep kan worden gedaan op dergelijke vermeende gebreken. De wrakingskamer van het hof heeft bij beslissingen van 24 november 2010, 19 januari 2011 en 8 september 2011 immers welgeteld drie wrakingsverzoeken van de raadsman van de verdachte afgewezen, terwijl ingevolge art. 515, vijfde lid, Sv tegen wrakingsbeslissingen geen rechtsmiddel openstaat.(3)

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof - zonder in het bijzonder de redenen te hebben opgegeven die daartoe hebben geleid - is afgeweken van het in hoger beroep ingenomen "uitdrukkelijk onderbouwde standpunt"(4) van de raadsman van de verdachte strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens verzuim van vormen in het voorbereidende onderzoek.

13. Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Inleiding knotsgekke zaak")(5) heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging wegens verzuim van vormen die zijn begaan tijdens het voorbereidende onderzoek (p. 7-9; nr. 2). De raadsman heeft daartoe - kort gezegd - de volgende argumenten aangedragen. Er is sprake geweest van een schending het beginsel van "equality of arms" zoals bedoeld in art. 6 EVRM, nu de autoriteiten hebben geweigerd de verdediging een vergoeding toe te kennen voor de inzage van de stukken, de Raad voor Rechtsbijstand een tweede advocaat niet heeft vergoed, in eerste aanleg vele (ontlastende) stukken buiten het dossier zijn gehouden, het dossier ontoegankelijk is omdat geen digitale versie van de stukken is verstrekt aan de verdediging, justitie in hoger beroep inzage in ontbrekende stukken heeft geweigerd en de verdediging geen kennis heeft kunnen nemen van aan justitie bekende processtukken (p. 9-11; nr. 3). Voorts zijn verschillende processtukken niet gevoegd en zoek (p. 11-40; nr. 4). Bovendien is sporenmateriaal zoek geraakt, vernietigd en teniet gegaan (p. 50-90; nr. 6). Daarnaast is er sprake geweest van contaminatie (p. 90-103; nr. 7). Voorts is de "chain of custody" gebroken (p. 103-106; nr. 8). Daarnaast is er sprake geweest van een "trial by media" (p. 106-114; nr. 9). Ten slotte is er sprake geweest van een "tunnelvisie" (p. 114-124; nr. 10).

14. Het hof in reactie op dit verweer onder het kopje "verweren en verzoeken, overige verweren, het al dan niet bewaren van onderzoeksmateriaal" geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu niet aannemelijk is geworden dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het hof heeft daartoe overwogen dat het geen verbazing wekt dat - in het bijzonder wat betreft het "oude dossier" - stukken en enkele delen van het onderzoeksmateriaal niet altijd goed zijn geordend en wellicht enkele (delen van) stukken ontbreken. Het voorbereidende onderzoek is immers gestart op 9 januari 1994. Dit voorbereidende onderzoek is uiterlijk op het moment van het uitbrengen van de dagvaardingen tegen [B] en [A] geëindigd en na de vrijspraak van deze twee personen is in 2002 opnieuw een voorbereidend onderzoek gestart. Een (onrechtmatige) selectie zoals bedoeld door de raadsman is niet aannemelijk geworden, aldus 's hofs oordeel.

15. Het middel neemt blijkens de toelichting als uitgangspunt dat het hof is afgeweken van voornoemd verweer zonder dat het in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid. Dit uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en de overwegingen van het hof, zodat het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de hiervoor onder 14 weergegeven overwegingen heeft het hof immers met redenen omkleed beslist op het in het middel bedoelde verweer. Daarbij stond het het hof vrij om het verweer van de raadsman aldus uit te leggen dat het met name ziet op het niet (meer) beschikbaar zijn van processtukken en onderzoeksmateriaal, in aanmerking genomen dat de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter.(6) De resterende door de verdediging betrokken stellingen kunnen trouwens vrij evident niet tot cassatie leiden. Dat heeft het hof wat mij betreft überhaupt niet hoeven uit te leggen, en ik evenmin.

16. Anders dan de stellers van het middel betogen, behoefde het hof niet expliciet in te gaan op de in de toelichting op het middel aangevoerde onderdelen van de onderbouwing van het verweer van de raadsman.(7) De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv in verbinding met art. 358, derde lid, Sv ten aanzien een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de motiveringsplicht van art. 359a, derde lid, Sv ten aanzien van een beroep op vormverzuimen gaan immers niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(8)

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel komt op tegen 's hofs ongemotiveerde c.q. ontoereikend gemotiveerde afwijking van het tot niet-ontvankelijkheid c.q. bewijsuitsluiting strekkende "uitdrukkelijk onderbouwde standpunt"(9) dat de sporendragers ten onrechte niet zijn vernietigd en/of niet hadden mogen worden teruggevraagd van de nabestaanden, subsidiair dat ten onrechte niet alle sporendragers zijn bewaard. Deze op het eerste gezicht wat paradoxale standpunten verdienen enige toelichting.

19. Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Inleiding knotsgekke zaak")(10) heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging en subsidiair bepleit dat alle sporendragers (inclusief het daarop aanwezige celmateriaal) van het bewijs dienen te worden uitgesloten, onder meer(11) omdat sporenmateriaal zoek is geraakt, is vernietigd en teniet is gegaan (p. 50-90; nr. 6).

De raadsman heeft primair betoogd dat na de onherroepelijke veroordeling van [B] en [A] alle sporendragers hadden moeten worden vernietigd, althans niet hadden mogen worden teruggevraagd van de familie van Christel Ambrosius. Daartoe heeft hij onder verwijzing naar de van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot de inbeslagneming en het bewaren van onderzoeksmateriaal en jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM over dit onderwerp het volgende aangevoerd. Het bewaren van celmateriaal en DNA-profielen van (onbekende) niet-verdachte personen, terwijl een zaak reeds is opgelost, vormt een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven zoals bedoeld in art. 8 EVRM van deze onbekende donoren. Derhalve hadden het celmateriaal en de DNA-profielen in de onderhavige zaak na 16 september 1996 (de datum waarop de veroordeling van [B] en [A] onherroepelijk was geworden) niet mogen worden bewaard maar hadden deze moeten worden vernietigd (p. 69).

De raadsman heeft subsidiair - voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de sporendragers niet hadden moeten worden vernietigd - betoogd dat justitie dan alle sporendragers (al het daarop aanwezige celmateriaal en alle daarvan verkregen DNA-profielen) had moeten bewaren, hetgeen niet is gebeurd (p. 70). Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Justitie heeft er doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging voor gekozen slechts (zeer) selectief sporendragers te bewaren, terwijl (bijzonder) onzorgvuldig met (gegevens omtrent) sporenmateriaal is omgegaan. Op 26 januari 1996 zijn verschillende kledingstukken van Christel Ambrosius (spijkerbroek, bh, blouse, trui, waxcoat en laarsjes) door de politie teruggegeven aan haar moeder, terwijl er op dat moment geen verplichting tot teruggaaf was (p. 71). Op een later moment is een deel van die kleding door de moeder van Christel Ambrosius weer aan de politie gegeven. Daarbij is gebleken dat de bh door de moeder is gewassen, de waxcoat geheel is beschimmeld, de trui gedeeltelijk is beschimmeld en de laarsjes zijn verbrand (p. 71-73). Voorts is gebleken dat de riem van Christel Ambrosius wellicht ook is verbrand, de vaste vloerbedekking waarop het lichaam van Christel Ambrosius had gelegen uit de woning van haar oma is verwijderd en is verbrand, het nagelvuil is verdwenen, de sokken die Christel Ambrosius droeg toen zij dood werd aangetroffen zoek zijn geraakt en de slip van Christel Ambrosius is vernietigd (p. 74-78). Bovendien zijn de microscooppreparaten van de zaadcelhoudende sporen (de NFI-bemonsteringen en de ruwe data) zoekgeraakt, terwijl justitie weigert verantwoording af te leggen over het zoekraken van stukken (p. 80-83). Derhalve is er in deze zaak sprake van de meest vergaande inbreuk op art. 8 EVRM, terwijl er door de wijze waarop door justitie met het "bewijs" is omgegaan geen sprake meer is van een eerlijk proces (p. 84). Voorts is de match met het bloedvlekje op de spijkerbroek van Christel Ambrosius onrechtmatig, terwijl er zonder deze match in het geheel geen zaak tegen de verdachte was geweest (p. 85). Al met al heeft justitie door in deze zaak slechts selectief stukken te bewaren en voor het overige buitengewoon slordig om te gaan met de sporen en de administratie daarvan, welbewust het aanmerkelijke risico aanvaard dat (na een eventuele herziening) een toekomstige verdachte zich nooit meer "praktisch en effectief" zou kunnen verdedigen, waardoor doelbewust althans met grove veronachtzaming tekort is gedaan aan diens toekomstige recht op een eerlijk proces (p. 86). Ten slotte is er geen adequate compensatie meer mogelijk (p. 90).

20. Zoals bij de bespreking van het tweede middel reeds is weergegeven, heeft het hof in reactie op dit verweer onder het kopje "verweren en verzoeken, overige verweren, het al dan niet bewaren van onderzoeksmateriaal" geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu niet aannemelijk is geworden dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, en dat voor bewijsuitsluiting geen reden is. Het hof heeft daartoe zoals gezegd overwogen dat het geen verbazing wekt dat - in het bijzonder wat betreft het "oude dossier" - stukken en enkele delen van het onderzoeksmateriaal niet altijd goed zijn geordend en wellicht enkele (delen van) stukken ontbreken, aangezien het voorbereidende onderzoek is gestart op 9 januari 1994, dit voorbereidende onderzoek uiterlijk op het moment van het uitbrengen van de dagvaardingen tegen [B] en [A] is geëindigd en na de vrijspraak van deze twee personen in 2002 opnieuw een voorbereidend onderzoek is gestart. Een (onrechtmatige) selectie zoals bedoeld door de raadsman is echter niet aannemelijk geworden, aldus oordeelde het hof.

21. Indien het gaat om vormverzuimen begaan tijdens het voorbereidend onderzoek kan bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen als het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en voorts door de onrechtmatige bewijsgaring een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Zulks moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a, tweede lid, Sv en van de omstandigheden van het geval.(12)

22. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim of de vormverzuimen daarin bestaan dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.(13)

23. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op het eerste onderdeel van het verweer, inhoudende dat na de onherroepelijke veroordeling van [B] en [A] alle sporendragers hadden moeten worden vernietigd.

24. Ter onderbouwing van dit onderdeel van het in het middel bedoelde verweer heeft de raadsman primair aangevoerd dat na de onherroepelijke veroordeling van [B] en [A] op 16 september 1994(14) alle sporendragers in de zogeheten "Puttense moordzaak" hadden moeten worden vernietigd dan wel niet voor nader onderzoek hadden mogen worden teruggevraagd van de familie van het slachtoffer (aan wie na het einde van de zaak tegen [B] en [A] een aantal van de sporendragers waren geretourneerd). Meer specifiek heeft de raadsman betoogd dat in een strafzaak die reeds is opgelost het bewaren van celmateriaal en DNA-profielen van (onbekende) niet-verdachte personen een inbreuk vormt op artikel 8 EVRM.

25. Om te beginnen deel ik dat standpunt niet. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds referentiemateriaal, zoals een vingerafdruk of celmateriaal, dat door de justitiële autoriteiten rechtstreeks is afgenomen van de betrokken persoon en dat op zijn naam is bewaard en geregistreerd, en anderzijds sporenmateriaal, dat doorgaans (maar niet altijd) wordt veiliggesteld op de plaats van het delict en dat een relatie met het delict kan hebben waardoor onderzoek aan dit materiaal de toedracht van het delict kan ophelderen. In het geval van met name vingersporen en biologische sporen kan onderzoek hieraan een deskundige in staat stellen de bron ervan te individualiseren en eventueel uitspraken te doen over de wijze waarop die sporen zijn ontstaan. Met het veiligstellen van sporenmateriaal in de vorm van vingersporen en biologische sporen op de plaats van het delict wordt geen inbreuk gemaakt op het in art. 8 EVRM verankerde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een onbekende verdachte. Art. 8 EVRM beschermt met name niet het belang om gevrijwaard te blijven van de opheldering van delicten.(15)

26. Bovendien kan de aan voornoemd onderdeel van het verweer en aan de klacht ten grondslag liggende stelling dat het sporenmateriaal op 16 september 1994 volgens de (destijds) geldende regels vernietigd had moeten worden, indien juist, niet de gevolgtrekking dragen dat de bewaring van dit materiaal een vormverzuim oplevert dat is begaan in het kader van het voorbereidende onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv in verbinding met art. 132 Sv naar de delicten die in deze zaak zijn tenlastegelegd en bewezenverklaard. Dit (vermeende) verzuim is immers niet begaan in het onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem tenlastegelegde feiten waarover de rechter, die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen.(16)

27. Het in de hiervoor onder 20 weergegeven overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, is dus juist. De klacht die enkel betrekking heeft op het ontbreken van een (nadere) motivering van dit oordeel, stuit reeds hierop af.

28. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het van oordeel is dat voor bewijsuitsluiting geen reden is.

29. Deze klacht berust op het uitgangspunt dat het hof niet met redenen omkleed heeft beslist op het tweede onderdeel van het verweer, inhoudende dat ten onrechte niet alle sporendragers zijn bewaard, voor zover dat strekt tot bewijsuitsluiting. Dit uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en de overwegingen van het hof, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de hiervoor onder 20 weergegeven overwegingen heeft het hof immers geoordeeld dat voor bewijsuitsluiting geen reden is, nu het gelet op het tijdsverloop geen verbazing wekt dat stukken en enkele delen van het onderzoeksmateriaal niet altijd goed zijn geordend en wellicht enkele stukken ontbreken, en de door raadsman bedoelde onrechtmatige selectie niet aannemelijk is geworden.

30. Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat de motivering van het hof in reactie op het uitvoerige verweer van de raadsman op bepaalde onderdelen daarvan wel wat uitgebreider had mogen zijn. Desondanks kan worden geconcludeerd dat het eindoordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat voor bewijsuitsluiting geen reden is, gelet op hetgeen hiervoor onder 21 en 22 is vooropgesteld geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen hiervoor bij de bespreking van de eerste twee klachten van het middel is uiteengezet. Derhalve heeft het hof het in het middel bedoelde verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Ik voeg daaraan ten overvloede nog toe dat een schending van de door art. 8 EVRM gewaarborgde persoonlijke levenssfeer beslist niet zonder meer hoeft te leiden tot bewijsuitsluiting van het daardoor verkregen bewijsmateriaal.(17)

31. Aan de begrijpelijkheid van 's hofs oordeel doet bovendien niet af dat het hof bij de verwerping van het verweer - door te overwegen dat stukken en enkele delen van het onderzoeksmateriaal niet altijd goed zijn geordend en er wellicht enkele (delen van) stukken ontbreken - in het midden heeft gelaten of er al dan niet stukken en onderzoeksmateriaal ontbreken. Dat op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zonder meer zou vaststaan dat stukken en onderzoeksmateriaal ontbreken en welke stukken en welk onderzoeksmateriaal precies ontbreken, is namelijk niet evident. Voorts heeft het hof heeft in zijn tussenarrest van 10 december 2010 overwogen dat de advocaat-generaal op verschillende manieren heeft aangegeven dat hij alle stukken waarvan het hof de toevoeging heeft gelast aan het dossier heeft toegevoegd en dat de stukken waarvan de raadsman alsnog de toevoeging heeft verzocht er niet zijn, terwijl niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal stukken heeft achtergehouden en er in weerwil van de mededeling van de advocaat-generaal ook overigens geen aanwijzingen zijn dat de desbetreffende stukken er wel zouden zijn, hetgeen ook door de raadsman niet is betwist. Aldus begrepen heeft het hof kunnen overwegen zoals het heeft gedaan.

32. In de toelichting op het middel wordt bovendien geklaagd over de overweging van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een onrechtmatige selectie. De desbetreffende overweging, die van feitelijke aard is, acht ik niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de raadsman dienaangaande heeft aangevoerd. Het hof heeft immers - zoals hiervoor onder 31 is uiteengezet - in voornoemd tussenarrest vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal stukken heeft achtergehouden en dat er ook overigens geen aanwijzingen zijn dat de desbetreffende stukken er in strijd met de mededeling van de advocaat-generaal wel zouden zijn.

33. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, behoefde het hof niet expliciet in te gaan op de in de toelichting op het middel aangevoerde onderdelen van de onderbouwing van het verweer van de raadsman.(18) De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv in verbinding met art. 358, derde lid, Sv ten aanzien een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de motiveringsplicht van art. 359a, derde lid, Sv ten aanzien van een beroep op vormverzuimen gaan immers niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(19)

34. Het middel faalt.

35. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte strekkende tot bewijsuitsluiting van alle door de deskundige Eikelenboom gerapporteerde bevindingen, zijn conclusies en zijn verklaringen, in het bijzonder die ten aanzien van de afgeknipte nagelstukjes, zonder dat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, althans dat het hof dit verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

36. Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel IV technisch bewijs") heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de bevindingen van de deskundige Eikelenboom omtrent het nagelvuil c.q. de nagelresten niet mogen worden meegenomen in enige bewijsconclusie dan wel dat deze bevindingen niet kunnen discrimineren tussen de hypothese van justitie ("zondagmiddag") en de lezing van de verdachte ("zaterdagavond") (p. 57). De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het op 9 januari 1994 bemonsterde nagelvuil van Christel Ambrosius is zoek, waardoor aan dit nagelvuil geen onderzoek c.q. contra-expertise kan worden uitgevoerd (p. 64). De isolatie van de nagelstukjes en de DNA-analyse van de nagelstukjes is uitgevoerd door een niet-geaccrediteerd laboratorium, terwijl de gehanteerde isolatiemethode niet bekend is zodat de betrouwbaarheid en de beweerdelijke "bewijswaarde" van de uitkomsten uitdrukkelijk worden betwist. Bovendien moeten de "interpretaties" van Eikelenboom - niet alleen wat betreft zijn bevindingen en conclusies omtrent het nagelvuil maar ook wat betreft alle overige door hem gerapporteerde bevindingen en conclusies - buiten beschouwing blijven, nu Eikelenboom op geen enkele wijze voldoet aan de "schoenmakertest". Hij is namelijk niet onafhankelijk en hij is niet ter zake deskundig, terwijl zijn interpretaties niet voldoen aan de minimaal daaraan te stellen eisen (p. 72-73). Ten slotte zou de door Eikelenboom gehanteerde methode volgens professor De Knijff in ieder geval de uitkomsten van zijn onderzoek kunnen verklaren (p. 74).(20)

37. Onder het kopje "verweren en verzoeken, overige verweren, nagelvuil en afgeknipte nagels", heeft het hof dit verweer voor zover betrekking hebbende op de bevindingen en conclusies van de deskundige Eikelenboom verworpen. Het hof heeft daartoe overwogen dat in 1994 zowel nagelvuil als afgeknipte nagels van Christel Ambrosius werd veiliggesteld. De deskundige P.E. de Vreede heeft destijds vezelonderzoek verricht aan het nagelvuil. In 2004 heeft het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) vastgesteld dat de envelopjes, waarin het nagelvuil zich zou hebben bevonden, leeg waren, terwijl de afgeknipte nagels nog wel aanwezig bleken te zijn. In 2008 heeft IFS (Independent Forensic Services) in de persoon van de deskundige Eikelenboom de afgeknipte nagels onderzocht en daarover in rapporten van 30 januari 2009 en 8 juni 2009 verslag gedaan. Voorts betekent het feit dat het in 1994 bemonsterde nagelvuil niet meer aanwezig is, niet dat reeds daarom de resultaten van het in 2008 verrichte vergelijkende DNA-onderzoek aan de nog wel aanwezige afgeknipte nagels buiten beschouwing dienen te blijven, aldus het hof. Bovendien ziet het hof in navolging van de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door IFS gerapporteerde verhouding tussen de hoeveelheid celmateriaal van de verdachte en de hoeveelheid DNA-materiaal van Christel Ambrosius, nu Eikelenboom uit celmateriaal van de afgeknipte rechternagels van Christel Ambrosius een volledig autosomaal DNA-profiel heeft verkregen waarvan het hoofdprofiel overeenkomt met het autosomale DNA-profiel van de verdachte, en Eikelenboom ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij geen reden heeft om aan te nemen dat de verhoudingen van de aangetroffen profielen zouden zijn veranderd door een eventuele eerdere nagelvuilbemonstering en eerder verricht onderzoek.

38. Daarnaast heeft het hof in reactie op dit verweer, voor zover betrekking hebbende op alle door de deskundige Eikelenboom gerapporteerde conclusies en bevindingen, onder het kopje "verweren en verzoeken, overige verweren, IFS en Eikelenboom" geoordeeld dat het de rapporten en verklaringen van Eikelenboom op onderdelen voor het bewijs zal gebruiken. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen. Op verzoek van de officier van justitie dan wel de rechter-commissaris kan op basis van art. 7 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken een ander laboratorium dan het NFI worden aangewezen voor het verrichten van DNA-onderzoek, mits dat laboratorium is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie en deskundig is op het gebied van forensisch DNA-onderzoek. In de onderhavige zaak heeft IFS (in de persoon van Eikelenboom) in opdracht van de officier van justitie een aantal DNA-onderzoeken uitgevoerd, welke onderzoeken zijn aangevangen in maart 2008, terwijl IFS pas in juli 2008 door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd. Voorts blijkt uit de op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van Eikelenboom dat de werkwijze en de protocollen die door IFS vanaf het moment van accreditatie worden gehanteerd reeds vanaf het begin van het DNA-onderzoek in maart 2008 zijn gebruikt en nageleefd, terwijl in het kader van het verkrijgen van de accreditatie de onderhavige zaak door de Raad voor Accreditatie is beoordeeld, naar aanleiding waarvan geen zaaksinhoudelijke of procedurele aanpassingen hebben moeten plaatsvinden. Hoewel het wenselijk zou zijn geweest als IFS geaccrediteerd was geweest vanaf het begin van de uitvoering van het DNA-onderzoek in maart 2008, behoeven aan de omstandigheid dat IFS vier maanden voor het verkrijgen van de accreditatie reeds met het onderzoek was begonnen geen gevolgen te worden verbonden, nu er gedurende de periode dat IFS nog niet was geaccrediteerd op dezelfde wijze, volgens dezelfde normen en met dezelfde waarborgen is gewerkt als dat er sinds de accreditatie wordt gewerkt en op basis waarvan die accreditatie heeft plaatsgevonden. Bovendien kan op grond van de enkele omstandigheid dat Eikelenboom om advies was gevraagd door het politieteam, niet worden geconcludeerd dat Eikelenboom reeds daarom vooringenomen en niet onafhankelijk was. Voorts wil het enkele gegeven dat andere deskundigen op onderdelen kanttekeningen hebben geplaatst bij de bevindingen van Eikelenboom, volgens het hof nog niet zeggen dat Eikelenboom daarom niet ter zake kundig was. Ten slotte kan ten aanzien van de verantwoording van Eikelenboom van de wijze waarop het DNA is geïsoleerd bij het onderzoek van de afgeknipte nagels worden gewezen op het rapport van het IFS van 30 januari 2009, waarin ten aanzien van de verschillende stukken van overtuiging in het algemeen is beschreven hoe DNA-isolatie plaatsvindt, en op het verhoor van Eikelenboom ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij hij heeft geantwoord dat ten aanzien van de afgeknipte nagels een speciaal filter (Qiagen) - een speciale methode die gewoon onder de accreditatie van IFS valt - is gebruikt, aldus oordeelde telkens het hof.

39. Het hof heeft het deskundigenrapport IFS van R. Eikelenboom van 30 januari 2009 (bewijsmiddelen 6 en 14) en het deskundigenrapport NFI van R. Eikelenboom van 5 april 2002 (bewijsmiddel 9) inderdaad voor het bewijs gebezigd. Deze rapporten houden onder meer in dat Christel Ambrosius eerst is gestranguleerd, dat zij vervolgens is verkracht en dat zij daarna is gestoken in haar hals en in haar pols (bewijsmiddel 6); dat aan de binnenzijde van de spijkerbroek van Christel Ambrosius een bloedvlekje is aangetroffen (bewijsmiddel 9); en dat een match is gevonden tussen het DNA-profiel van de verdachte en het DNA-profiel van het bloedvlekje in de spijkerbroek van Christel Ambrosius, dat het DNA-profiel van het bloed dat is aangetroffen onder de nagels van Christel Ambrosius volledig overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte en dat het DNA-profiel van het sperma dat is aangetroffen op het bovenbeen van Christel Ambrosius volledig overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Daaruit kan worden afgeleid dat van de verdachte celmateriaal is achtergebleven op of onder de nagels van de rechterhand van Christel Ambrosius en dat spermacellen van de verdachte zijn aangetroffen in of bij haar vagina (bewijsmiddel 14).(21)

40. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(22)

41. Art. 359, tweede lid, Sv, zoals die bepaling luidt sedert 1 januari 2005, heeft daarin geen wijziging gebracht. Ook thans is de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal aan de feitenrechter voorbehouden. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien de verdediging ter zake van de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.(23)

42. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(24)

43. In de hiervoor onder 37 en 38 weergegeven overwegingen bezien in samenhang met de hiervoor 39 weergegeven inhoud van de voor het bewijs gebezigde deskundigenrapporten ligt als het oordeel van het hof besloten dat de door de deskundige Eikelenboom gerapporteerde bevindingen, zijn conclusies en zijn verklaringen - voor zover voor het bewijs gebruikt - ook ten aanzien van de afgeknipte nagelstukjes betrouwbaar zijn. Gelet op hetgeen onder 40 en 41 is vooropgesteld omtrent de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman van de verdachte dienaangaande naar voren is gebracht, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Bovendien is het hof in zijn hiervoor onder 37 en 38 weergegeven overwegingen uitgebreid ingegaan op het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer toereikend gemotiveerd verworpen. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, was het hof - gelet op hetgeen hiervoor onder 42 is vooropgesteld - niet gehouden tot een nadere motivering.

44. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden doen hieraan niet af. Volgens de stellers van het middel heeft de overweging van het hof dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de door IFS gerapporteerde verhouding tussen de hoeveelheid celmateriaal van de verdachte en de hoeveelheid DNA-materiaal van Christel Ambrosius, geen betrekking op datgene wat de raadsman in dit onderdeel van zijn verweer ter discussie heeft gesteld. De stellers van het middel voeren aan dat het erom ging dat de vermissing van het bemonsterde nagelvuil in de weg staat aan het gebruik van de resultaten van het IFS-onderzoek aan de nagels, zulks omdat door die vermissing niet meer kan worden nagegaan of resultaten van onderzoek aan het bemonsterde nagelvuil steun hadden kunnen opleveren voor de (door de verdediging ter zitting geschetste) alternatieve scenario's omtrent de toedracht van het misdrijf.

45. Deze redenering snijdt m.i. geen hout. Over de interpretatie van de resultaten van onderzoek aan de nagels van het slachtoffer kan van alles worden gezegd, maar dat ook maar enige interpretatie ervan achterwege behoort te blijven omdat ander materiaal niet is kunnen worden onderzocht, is een stelling die alleen kan zijn ingegeven door de onwelgevalligheid van de uitspraken van Eikelenboom. Dat het hof hierop niet uitdrukkelijk is ingegaan, acht ik geenszins onbegrijpelijk en het zou in elk geval overbodig zijn geweest als het hof dat wel zou hebben gedaan.

46. Voorts heeft het hof volgens de stellers van het middel in zijn beoordeling ten onrechte niet betrokken dat Eikelenboom voorafgaand aan zijn adviesrol reeds zijn mening omtrent de betrokkenheid van de verdachte had gevormd. Bovendien zou de niet mis te verstane kritiek van De Knijff alle resultaten en bevindingen van Eikelenboom raken, zodat het oordeel van het hof dat die kritiek slechts op onderdelen zou zien volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk is. De stellers van het middel voeren daarnaast nog aan dat Eikelenboom niet degene is die mag bepalen of hij voorafgaand aan de accreditatie voldeed aan de eisen van de accreditatie en dat uit de verklaring van Eikelenboom niet kan worden afgeleid welke isolatiemethode is gebruikt.

47. De stellers van het middel leggen m.i. met deze standpunten (alleen) aan een (hen onwelgevallige) deskundige eisen op die veel weg hebben van de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die aan de rechter (mogen) worden gesteld. Dergelijke eisen aan deskundigen vinden geen steun in het recht. Het hof heeft op goede gronden overwogen dat een eerdere conclusie van een deskundige hem niet ongeschikt maakt om nader te rapporteren. Dat deskundigen - in welke bewoordingen dan ook - met elkaar van mening verschillen brengt niet reeds op zichzelf mee dat de ene 'deskundige' niet meer als kundig mag worden aangemerkt en de andere wel.

Het is ook niet Eikelenboom die hier bepaalt of hij bevoegd is om op bepaalde wijze onderzoek te doen; het is het hof dat hier oordeelt dat gebrek aan accreditatie bij de aanvang van het onderzoek niet hoeft te leiden tot uitsluiting van de resultaten van onderzoek dat is verricht overeenkomstig de accreditatienormen en die zijn gerapporteerd na verkrijging van die accreditatie.

48. Bovendien heeft van de voor het bewijs gebruikte onderdelen van de deskundigenrapporten van R. Eikelenboom slechts een klein gedeelte (een subonderdeel van bewijsmiddel 14) betrekking op het onderzoek dat is verricht aan de nagels van Christel Ambrosius, terwijl het gevoerde verweer - mede gelet op de aanhef in de pleitnota ("nagelvuil") - met name daartegen was gericht. Voor zover deze rapporten betrekking hebben op de volgorde van de jegens Christel Ambrosius verrichte handelingen, vinden deze steun in bewijsmiddel 5 (een proces-verbaal van politie). Voor zover de rapporten betrekking hebben op de gevonden match tussen het DNA-profiel van de verdachte en het DNA-profiel van het bloedvlekje in de spijkerbroek van Christel Ambrosius, vinden deze steun in bewijsmiddel 11 (het deskundigenrapport NFI van H.N. Bauer van 16 april 2008). Derhalve kon het hof voornoemde bevindingen, conclusies en verklaringen voor het bewijs bezigen.

49. Het middel faalt.

50. Het vijfde middel behelst de klacht dat de verdachte voorafgaand aan zijn eerste drie verklaringen bij de politie niet is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen, terwijl zijn daarop volgende verklaringen als rechtstreekse (verboden) vrucht van de eerste drie verklaringen hebben te gelden, en dat de raadsman van de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om aanwezig te zijn bij de politieverhoren.

51. De stukken van het geding houden in dat de verdachte in de periode van 20 mei 2008 tot en met 17 juli 2008 in totaal 25 keer door de politie is verhoord. Uit de stukken blijkt niet dat de verdachte na zijn aanhouding voorafgaande aan de eerste drie verhoren door de politie in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te raadplagen. Blijkens het proces-verbaal van het derde verhoor van de verdachte door de politie op 20 mei 2008 is dit verhoor halverwege onderbroken om de verdachte in de gelegenheid te stellen met behulp van een aan hem uitgereikte mobiele telefoon met zijn raadsman te spreken. Vervolgens heeft de verdachte zich bij de hervatting van dat verhoor op advies van zijn raadsman op zijn zwijgrecht beroepen en heeft hij die verklaring en alle daarop volgende bij de politie afgelegde verklaringen niet ondertekend.(25) Bij zijn eerste twee verhoren door de politie heeft de verdachte - kort gezegd - verklaard dat hij tot het moment van haar overlijden een geheime seksuele relatie had met Christel Ambrosius, dat die relatie ongeveer zes à zeven maanden(26) heeft geduurd, dat zij seks hadden in het huis van zijn ouders en in het park, dat ze afspraken bij snackbar "[de snackbar]", dat hij aan zijn ouders nooit over deze relatie heeft verteld, dat hij met niemand heeft gesproken over zijn relatie met Ambrosius behalve met zijn toenmalige achterbuurjongen ([betrokkene 1]), dat hij eerder (kort na het overlijden van Ambrosius) bij de politie heeft aangegeven dat hij een relatie met haar had, maar dat de politie toen tegen hem heeft gezegd dat ze de daders al te pakken hadden, dat hij Ambrosius een dag voor de moord (op zaterdag 8 januari 1994) voor het laatst heeft gezien en dat ze toen seks met elkaar hebben gehad, dat hij op de dag van haar overlijden (op zondag 9 januari 1994) de deur niet is uit geweest, dat hij niet weet welke kleur ogen Ambrosius had en dat Ambrosius en hij hebben gesproken over samenwonen. De belangrijkste elementen van deze verklaringen heeft hij herhaald in zijn latere verklaringen, nadat hij wel in de gelegenheid was gesteld om een advocaat te raadplegen. Zo heeft hij bij zijn zesde, zevende en achtste verhoor door de politie op 26 mei 2008 verklaard dat hij verschillende keren seks met Christel Ambrosius heeft gehad in het huis van zijn ouders en in het park, dat hij op de zaterdagavond vóór de moord seks met Christel Ambrosius heeft gehad, dat hij de gehele zondag het huis niet uit is geweest en dat hij niet weet of zij moedervlekken en haar onder haar oksels had. Voorts heeft hij bij zijn dertiende politieverhoor op 4 juni 2008 verklaard dat hij Christel Ambrosius ontmoette bij "[de snackbar]". Bovendien heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2010 verklaard dat hij op zaterdagavond 8 januari 1994 seks heeft gehad met Christel Ambrosius, dat hij de zondag daarna de gehele dag de deur niet uit is geweest, dat hij zes à zeven maanden een seksrelatie met Ambrosius heeft gehad, dat Ambrosius in het huis van zijn ouders kwam als zijn ouders weg waren, dat Ambrosius en hij elkaar zagen bij cafetaria "[de snackbar]", dat hij zich kort na haar overlijden heeft gemeld bij een politiebureau en daar heeft aangegeven dat hij een seksuele relatie had met Christel Ambrosius waarna ze tegen hem zeiden dat dat niets uitmaakte omdat ze de dader of daders al hadden, dat hij aan niemand heeft verteld over zijn contact met haar, dat Ambrosius en hij hebben gesproken over samenwonen en dat hij niet met zekerheid iets kan zeggen over het okselhaar van Ambrosius maar dat hij zich wel kan herinneren dat zij donkere ogen had.(27)

52. Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel VII verklaring cliënt") heeft de raadsman van de verdachte - kort gezegd - aangevoerd dat wegens schending van het consultatierecht van de verdachte en schending van diens recht op aanwezigheid van een advocaat tijdens het politieverhoor op grond van de "Salduz-jurisprudentie" van het EHRM geen enkele bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte voor het bewijs kan worden gebruikt.(28)

53. Het hof heeft in reactie op dit verweer onder het kopje "verweren en verzoeken, overige verweren, Salduz" geoordeeld dat de eerste, de tweede en de derde verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet tot het bewijs zullen worden gebezigd, nu het hof er op basis van het dossier van uitgaat dat de verdachte voorafgaand aan deze verklaringen niet is gewezen op zijn recht om een raadsman te consulteren. Voorts heeft het hof geoordeeld dat alle andere verklaringen van de verdachte wel bruikbaar zijn voor het bewijs. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat het vrij is om voor zover door of namens de verdachte zelf ter ondersteuning van zijn lezing is geput uit de eerdere drie verklaringen, bij de beoordeling van de lezing van de verdachte uit diezelfde verklaringen te putten. Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat een aanwezigheidsrecht van de raadsman bij politieverhoren geen steun vindt in het Wetboek van Strafvordering, noch voortvloeit uit art. 6 EVRM.

54. Blijkens de toelichting klaagt het middel in de eerste plaats over het feit dat het hof ondanks een daartoe strekkend verweer van de raadsman van de verdachte, inhoudende dat de eerste drie verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet gebruikt mogen worden, die verklaringen toch heeft gebruikt, althans dat het hof dit verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

55. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken.(29)

56. Een dergelijk verzuim dient - behoudens ingeval van de twee hiervoor genoemde uitzonderingen - zonder meer tot bewijsuitsluiting te leiden. Doen die uitzonderingen zich niet voor dan zal de desbetreffende verklaring van de verdachte dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt en is er geen plaats meer voor een nadere afweging.(30)

57. Het hof heeft vastgesteld dat in deze zaak wat betreft de eerste, de tweede en de derde verklaring van de verdachte bij de politie sprake is van een vormverzuim zoals hiervoor bedoeld. Voorts heeft het hof geoordeeld dat deze verklaringen niet voor het bewijs gebezigd zullen worden, dat alle andere verklaringen van de verdachte wel bruikbaar zijn voor het bewijs maar dat het het hof vrijstaat om, voor zover door of namens de verdachte zelf ter ondersteuning van zijn lezing is geput uit de eerste drie verklaringen, bij de beoordeling van de lezing van de verdachte uit diezelfde verklaringen te putten. Dat oordeel berust kennelijk op de opvatting dat verklaringen van de verdachte die hij bij de politie heeft afgelegd zonder voorafgaande raadpleging van een advocaat in bepaalde gevallen toch door het hof zouden mogen worden gebruikt ter weerlegging van de lezing van de verdachte. Door het verweer op deze grond te verwerpen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.(31)

58. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu deze omstandigheid aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet. Blijkens de aanvulling bewijsmiddelen heeft het hof immers geen enkele van de door de verdachte afgelegde verklaringen als bewijsmiddel gebezigd. Bovendien hebben de stellers van het middel verzuimd om aan te geven welke onderdelen van de eerste drie bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte desondanks door het hof zouden zijn gebruikt. Dat klemt, nu blijkt uit de hiervoor onder 51 weergegeven stukken van het geding dat de verdachte de belangrijkste elementen van die verklaringen eenvoudigweg heeft herhaald nadat hij zijn raadsman had geraadpleegd (bij zijn overige verhoren door de politie) c.q. in aanwezigheid van zijn raadsman (ter terechtzitting in hoger beroep). Wat er ook zij van 's hofs oordeel, tot schending van art. 6 EVRM heeft het niet geleid.

59. Blijkens de toelichting bevat het middel voorts de klacht dat het oordeel van het hof dat het recht op rechtsbijstand tijdens politieverhoren niet voortvloeit uit art. 6 EVRM, gelet op uitspraken van het EHRM en de daarin door het EHRM gegeven uitleg onjuist en onbegrijpelijk is.

60. Volgens bestendige jurisprudentie leidt de Hoge Raad uit de "Salduz-rechtspraak" van het EHRM af dat de meerderjarige verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM enkel een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan volgens de Hoge Raad echter niet worden afgeleid dat de meerderjarige verdachte net als de aangehouden minderjarige verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.(32)

61. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld geeft het oordeel van het hof dat een aanwezigheidsrecht van de raadsman bij politieverhoren geen steun vindt in het Wetboek van Strafvordering noch voortvloeit uit art. 6 EVRM, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De in de toelichting op het middel aangehaalde uitspraak van het EHRM doet hieraan niet af. Voorts zie ik geen aanleiding mijn eerdere aarzelingen - zoals weergegeven in mijn conclusie voor HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, NJ 2012/176 - in de onderhavige zaak te herhalen.

62. Het middel faalt.

63. Het zesde middel behelst de klacht dat het hof bij tussenarrest van 4 maart 2010 en bij tussenarrest van 22 juli 2011 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het (herhaalde) verzoek van de raadsman van de verdachte tot het horen van de deskundigen Eskes, Brinkmann en Faugno heeft afgewezen.

64. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Namens de verdachte is op 22 oktober 2009 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 9 oktober 2009, waarbij de verdachte op tegenspraak is veroordeeld.

(ii) De raadsman van de verdachte (mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht) heeft bij appelschriftuur van 4 november 2009 zonder enige onderbouwing verzocht T.K.A.B. Eskes, B. Brinkmann en D. Faugno als deskundigen te horen.(33)

(iii) De advocaat-generaal bij het hof heeft in reactie op de appelschriftuur bij schrijven van 21 december 2009, gericht aan de raadsman van de verdachte, medegedeeld dat het verzoek tot het horen van de deskundigen (nadere) onderbouwing behoeft en dat hij zonder die onderbouwing niet in staat is naar behoren op het verzoek te reageren zodat hij niet anders kan dan zich daartegen verzetten.

(iv) De raadsman heeft naar aanleiding van deze reactie zijn verzoek bij schrijven van 26 januari 2010, gericht aan de advocaat-generaal, als volgt gemotiveerd. De verdediging wenst Eskes te horen omtrent zijn "aandeel" in de oude zaak (zoals zijn visie op versleping en de afwezigheid van sperma in de slip), zijn ogenschijnlijke "zwenk"(34) en (de inhoud van) zijn contacten met Peter R. de Vries en mr. G.J. Knoops voorafgaande aan zijn "zwenk". Voorts wenst de verdediging Brinkmann en Faugno te horen omdat zij blijkbaar over deskundigheid beschikken op het gebied van sperma en de wisselwerking daarvan met cervixslijm, terwijl de verdediging hen tevens wil horen ten aanzien van de vraag of in deze zaak een schone slip kon worden verwacht.

(v) De advocaat-generaal heeft in reactie op deze brief bij schrijven van 4 februari 2010, gericht aan de raadsman, bericht dat hem ondanks de nadere onderbouwing nog steeds niet duidelijk is waarom door het niet horen van deze personen de verdediging redelijkerwijs in haar belangen zou worden geschaad. Daarnaast heeft hij medegedeeld dat hij wel wat ziet in het horen van één of meer getuige-deskundigen ten aanzien van de - voor het scenario van de raadsman relevante - vraag of versleping dan wel uitpersing van een spermaspoor mogelijk is, dat hij het niet zinvol acht Eskes hierover opnieuw te horen nu hij later is teruggekomen op zijn eerder hierover ingenomen standpunt, en dat het hem veel nuttiger voorkomt om hierover één of twee andere getuige-deskundigen (gynaecologen) in te schakelen.

(vi) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010 heeft de raadsman het verzoek tot het horen van Eskes, Brinkmann en Faugno gehandhaafd. Ter motivering van het verzoek om Eskes te horen heeft de raadsman aangevoerd dat hij hem wil confronteren met hetgeen zij nu weten en met de vraag waarom hij van inzicht is gewijzigd, waarbij eerst de vraag moet worden gesteld hoe het met zijn gezondheid is nu hij inmiddels in de zeventig zal zijn. De raadsman heeft het verzoek tot het horen van Brinkmann en Faugno op deze terechtzitting niet nader onderbouwd.(35)

(vii) Bij tussenarrest van 4 maart 2010 heeft het hof het verzoek van de raadsman afgewezen op de grond dat het horen van deze deskundigen niet noodzakelijk is. Het hof heeft daartoe overwogen dat de raadsman onvoldoende heeft aangegeven waarom hij deze specifieke deskundigen wil horen en op welke punten hij de deskundigen met betrekking tot de tenlastegelegde feiten vragen wil stellen. Voorts heeft de raadsman niet dusdanige vragen geformuleerd waarvan de antwoorden relevant kunnen zijn voor enige in verdachtes strafzaak te nemen beslissing. Bovendien zijn over deze onderwerpen ter terechtzitting in eerste aanleg reeds meerdere deskundigen gehoord, aldus het hof.(36)

(viii) Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 door de raadsman overgelegde "op schrift gestelde verzoeken en toelichting" (bijlage 2) heeft de verdediging naar aanleiding van de inhoud van de "nieuwe stukken" (waaronder een selectie uit het "oude dossier") het verzoek tot het horen van al de bij appelschriftuur opgegeven getuigen [en deskundigen; DA] herhaald. Voor de motivering wordt verwezen naar de eerdere toelichting in de appelschriftuur, de gevoerde correspondentie, het zittingsverbaal en naar passages van het eerste wrakingsverzoek voor zover deze zien op die getuigen. In dat verband wordt verzocht die motivering als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen.(37)

(ix) Bij tussenarrest van 22 juli 2011 heeft het hof dit verzoek onder verwijzing naar zijn eerdere beslissing bij tussenarrest van 4 maart 2010 afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen dat de in de motivering van de raadsman genoemde omstandigheden onvoldoende noodzaak opleveren om de verzochte deskundigen alsnog te horen.

(x) Het tussenarrest van het hof van 22 juli 2011 houdt voorts nog het volgende in:

"Het verzoek tot het horen van een aantal deskundigen is bij tussenarrest van 4 maart 2010 afgewezen vanwege het ontbreken van de noodzakelijkheid van dat horen. Op dezelfde in dat tussenarrest weergegeven gronden wordt de verdachte door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging geschaad. Bovendien zijn geen punten naar voren gebracht waarover hij deze deskundigen had willen ondervragen en waarvan de beantwoording van belang is voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing en ook op grond daarvan dient het verzoek te worden afgewezen."

65. Blijkens de toelichting klaagt het middel in de eerste plaats over de afwijzing door het hof bij tussenarrest van 4 maart 2010 van het verzoek tot het (doen) horen van de deskundigen Eskes, Brinkmann en Faugno.

66. Het bij appelschriftuur van 4 november 2009 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om de deskundigen Eskes, Brinkmann en Faugno op te roepen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv in verbinding met art. 299, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat de deskundigen namens de verdachte bij appelschriftuur zijn opgegeven en de deskundigen niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris zijn gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek - voor zover hier van belang - ingevolge art. 288, eerste lid onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de deskundigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.(38)

67. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 64 sub vii is weergegeven - bij de afwijzing van voornoemd verzoek bij tussenarrest van 4 maart 2010 geoordeeld dat het horen van deze deskundigen niet noodzakelijk is, nu de raadsman onvoldoende heeft aangegeven waarom hij deze specifieke deskundigen wil horen en op welke punten hij de deskundigen met betrekking tot de tenlastegelegde feiten vragen wil stellen. In aanvulling hierop heeft het hof - zoals hiervoor onder 64 sub x is weergegeven - in zijn tussenarrest van 22 juli 2011 nog overwogen dat de verdachte door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging wordt geschaad. In het licht van deze aanvulling ligt in de overwegingen van het hof in zijn tussenarrest van 4 maart 2010 besloten dat het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft geoordeeld dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde deskundigen de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Aldus gelezen heeft het hof, anders dan de stellers van het middel betogen, de juiste maatstaf toegepast. De opvatting dat het hof in een later tussenarrest - en ruim voor het wijzen van het eindarrest - de motivering van een in een eerder tussenarrest opgenomen afwijzing van een verzoek van de verdediging niet zou mogen aanvullen, vindt geen steun in het recht.

68. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om Eskes te horen enkel aangevoerd dat hij hem wenst te horen omtrent zijn "aandeel" in "de Puttense moordzaak I", de vraag waarom hij van inzicht is gewijzigd en zijn contacten met Peter R. de Vries en mr. G.J. Knoops voorafgaande aan zijn gewijzigde inzicht. Voorts heeft de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek om Brinkmann en Faugno te horen slechts aangevoerd dat hij hen wenst te horen ten aanzien van de vraag of in deze zaak een schone slip kon worden verwacht en omdat zij blijkbaar over deskundigheid beschikken op het gebied van sperma en de wisselwerking daarvan met cervixslijm.

Bovendien zijn op de terechtzittingen in eerste aanleg de volgende personen als deskundigen gehoord: P. de Knijff (hoogleraar populatie en evolutiegenetica; op 8 en 24 juni en 8 juli 2009), R. Eikelenboom (forensisch onderzoeker; op 26 mei en 11, 16, 19 en 29 juni en 8 juli 2009), M.J. Blom (forensisch expert; op 8 juni en 8 juli 2009), J. Walker (forensisch wetenschapper; op 26 mei 2009), H.N. Bauer (wetenschappelijk onderzoeker; op 25 mei 2009), H.J.T. Janssen (wetenschappelijk ambtenaar; op 25 mei 2009), W.J. Schulte (technisch rechercheur bij de politie; op 11 en 20 mei 2009), C.A. de Bruijn (technisch rechercheur; 11 en 20 mei 2009), H. Bosch (criminaliteitsanalist; op 20 mei 2009) en D.A. Kloosterman (gerechtelijk deskundige; op 18 mei 2009). Daarnaast zijn op de terechtzittingen in hoger beroep de volgende personen als deskundigen gehoord: P.E. de Vreede (forensisch deskundige; op 25 januari 2011), E.J. Barten (uroloog; 2 juni 2010) en E.G. van Seumeren (gynaecoloog; 2 juni 2010), terwijl bij de verhoren van Barten en Van Seumeren is gesproken over cervixslijm. Doordat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een groot aantal andere deskundigenverzoeken van de raadsman wel zijn toegewezen, is in zoverre reeds tegemoet gekomen aan de onderzoekswensen van de verdediging.

Ten slotte is dit verzoek kennelijk gedaan in het kader van het door de raadsman in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt betreffende de alternatieve lezing van de verdachte (de verdachte zou een geheime seksuele relatie met Christel Ambrosius hebben gehad en hij zou op de avond voor de moord consensuele seks met haar hebben gehad) en strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten. Zoals bij de bespreking van het tiende, het twaalfde en het dertiende middel zal worden uiteengezet, heeft het hof dit standpunt op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen.

69. Gelet op hetgeen hiervoor onder 68 is uiteengezet, geeft het oordeel van het hof dat het horen van deze deskundigen niet noodzakelijk is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft onvoldoende aangegeven waarom hij deze specifieke deskundigen wil horen en op welke punten hij de deskundigen met betrekking tot de tenlastegelegde feiten vragen wil stellen. In eerste aanleg zijn reeds verscheidene deskundigen gehoord over deze onderwerpen, terwijl de raadsman niet dusdanige vragen heeft geëxpliciteerd waarvan de antwoorden relevant kunnen zijn voor enige in verdachtes strafzaak te nemen beslissing. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof dus niet gehouden tot een nadere motivering.

70. Blijkens de toelichting klaagt het middel voorts over de afwijzing door het hof bij tussenarrest van 22 juli 2011 van het verzoek tot het (doen) horen van de deskundigen Eskes, Brinkmann en Faugno.

71. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 herhaalde verzoek van de raadsman van de verdachte om de deskundigen Eskes, Brinkmann en Faugno op te roepen is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(39)

72. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 64 sub ix is weergegeven - bij de afwijzing van voornoemd verzoek bij tussenarrest van 22 juli 2011 geoordeeld dat het horen van deze deskundigen niet noodzakelijk is. Aldus heeft het hof, anders dan de stellers van het middel betogen, de juiste maatstaf toegepast. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, behoefde het hof dan ook niet het verdedigingsbelang te betrekken bij de beoordeling van dit verzoek.

73. Zoals bij de bespreking van de eerste klacht van dit middel reeds is uiteengezet, heeft het hof bij tussenarrest van 4 maart 2010 een eerder verzoek van de raadsman om de deskundigen te horen op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. Voorts heeft de raadsman ter onderbouwing van het hernieuwde verzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 enkel aangevoerd dat de verdediging naar aanleiding van de inhoud van "nieuwe stukken" uit het "oude dossier" het verzoek herhaalt en voor het overige verwezen naar de toelichting bij het reeds afgewezen verzoek. Derhalve is hetzelfde verzoek al eerder aan de orde geweest en afgewezen, terwijl de raadsman - afgezien van de niet nader gespecificeerde en niet nader onderbouwde verwijzing naar "nieuwe stukken" uit het "oude dossier" - geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan deze deskundigen alsnog zouden moeten worden gehoord. Ten slotte geldt ook voor dit herhaalde verzoek dat het kennelijk is gedaan in het kader van het door de raadsman in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt betreffende de alternatieve lezing van de verdachte en strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten, welk standpunt het hof op goede gronden en toereikend gemotiveerd heeft verworpen.

74. Gelet op hetgeen hiervoor onder 73 is uiteengezet, geeft het oordeel van het hof dat het horen van deze deskundigen niet noodzakelijk is omdat de in de motivering van de raadsman genoemde omstandigheden onvoldoende noodzaak opleveren om de verzochte deskundigen alsnog te horen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.(40)

75. Het middel faalt.

76. Het zevende middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 gedane verzoek van de raadsman van de verdachte tot het (nader) horen van de eerder toegewezen en gehoorde deskundigen Barten en Van Seumeren heeft afgewezen.

77. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De raadsman van de verdachte heeft bij appelschriftuur van 4 november 2009 zonder enige onderbouwing verzocht E.J. Barten en E.G.C.A. van Seumeren als deskundigen te horen.(41)

(ii) De advocaat-generaal bij het hof heeft in reactie op de appelschriftuur bij schrijven van 21 december 2009, gericht aan de raadsman van de verdachte, medegedeeld dat het verzoek tot het horen van de deskundigen (nadere) onderbouwing behoeft en dat hij zonder die onderbouwing niet in staat is naar behoren op het verzoek te reageren zodat hij niet anders kan dan zich daartegen verzetten.

(iii) De raadsman heeft naar aanleiding van deze reactie zijn verzoek bij schrijven van 26 januari 2010, gericht aan de advocaat-generaal, als volgt gemotiveerd. De verdediging wenst Barten en Van Seumeren te bevragen omtrent hun deskundigheid en hen te confronteren met de door andere deskundigen afgelegde verklaringen en met alle op dat moment bekende relevante feiten en omstandigheden, nu de rechtbank conclusies heeft getrokken omtrent hun deskundigheid op het gebied van tijdsbepaling e.d. aan de hand van 'koppen per gezichtsveld' (i.e. het aantal koppen van spermatozoa per gezichtsveld bij een bepaalde vergroting onder de microscoop, D.A.).

(iv) De advocaat-generaal heeft in reactie op deze brief bij schrijven van 4 februari 2010, gericht aan de raadsman, bericht dat hem ondanks de nadere onderbouwing nog steeds niet duidelijk is waarom door het niet horen van deze personen de verdediging redelijkerwijs in haar belangen zou worden geschaad. Daarnaast heeft hij medegedeeld dat hij wel wat ziet in het horen van één of meer getuige-deskundigen ten aanzien van de - voor het scenario van de raadsman relevante - vraag of versleping dan wel uitpersing van een spermaspoor mogelijk is, en dat het hem nuttig voorkomt om hierover één of twee andere getuige-deskundigen (gynaecologen) in te schakelen.

(v) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010 heeft de raadsman aldaar medegedeeld dat hij Barten en Van Seumeren beiden wil horen, omdat zij worden genoemd in het vonnis van de rechtbank.(42)

(vi) Bij tussenarrest van 4 maart 2010 heeft het hof het verzoek van de raadsman toegewezen, nu het hof het noodzakelijk acht dat Barten en Van Seumeren op een nadere terechtzitting als deskundigen worden gehoord. Op de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2010 heeft het hof bepaald dat deze verhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van 2 juni 2010.

(vii) De raadsman heeft bij faxberichten van 7 mei 2010(43) en 17 mei 2010(44), gericht aan het hof, verzocht om het geplande verhoor van de deskundigen Barten en Van Seumeren op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 geen doorgang te laten vinden, omdat de verdediging (vanwege het nog niet c.q. heel laat ontvangen hebben van het "oude dossier") vooralsnog niet in staat is om het verdedigingsbelang te bepalen bij het wel of niet stellen van bepaalde vragen zodat het onmogelijk is om bij de geplande verhoren op adequate en effectieve wijze rechtsbijstand aan de verdachte te bieden, terwijl ervan uit moet worden gegaan dat de verhoren van Barten en Van Seumeren hoe dan ook op een later moment zullen moeten worden voortgezet teneinde de verdediging in staat te stellen (nadere) vragen te stellen.

(viii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 heeft de griffier van het hof op 18 mei 2010 (kennelijk naar aanleiding van voornoemde faxberichten van de raadsman) telefonisch aan de raadsman doorgegeven dat op de terechtzitting van 2 juni 2010 Barten en Van Seumeren zullen worden gehoord en dat de raadsman na het verhoor van de deskundigen eventueel verzoeken kan doen. Vervolgens heeft de voorzitter van het hof op die terechtzitting - in reactie op de mededeling van de raadsman dat hij zich onthand voelt omdat het "oude dossier" pas op een laat tijdstip aan de verdediging is verstrekt en omdat hij bepaalde stukken mist die van belang kunnen zijn voor het verhoor van de twee deskundigen - de raadsman gewezen op de mogelijkheid om na het verhoor geen afstand te doen van de deskundigen en eventueel op een nadere terechtzitting aanvullende vragen aan de deskundigen te stellen.

(ix) Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 zijn Barten en Van Seumeren in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman gehoord en hebben zij uitgebreide verklaringen afgelegd. Daarbij is de raadsman in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan deze deskundigen, terwijl hij ook daadwerkelijk van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Na afloop van hun verhoor heeft de verdachte aangegeven geen vragen te hebben aan de deskundigen. De raadsman heeft geen afstand gedaan van de deskundigen.

(x) Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 door hem overgelegde "op schrift gestelde verzoeken en toelichting" (bijlage 2) heeft de raadsman op die terechtzitting wederom verzocht Barten en Van Seumeren te horen. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Hij wil hun eerder afgelegde verklaringen aanvechten en op betrouwbaarheid toetsen door hen te confronteren met alle feiten (uit het oude en het huidige dossier) die relevant kunnen zijn voor een eventueel "waarschijnlijkheidsoordeel" en met de bevindingen en de conclusies in het rapport "Bijkans Begrepen"(45) en het rapport van dr. Blom van 19 augustus 2010. Voorts zijn de deskundigen niet zo standvastig geweest in hun verklaring, met name niet omtrent de waarschijnlijkheid van de aanwezigheid van de substantie op het bovenbeen van Christel Ambrosius in relatie tot haar schone slip. Bovendien is van deze getuigen geen afstand gedaan, terwijl de raadsman zich op voorhand het recht heeft voorbehouden om hen nader te horen omdat de voorbereidingstijd voor de verdediging op 2 juni 2010 te kort is geweest en de raadsman na het eerdere verhoor nog vele stukken uit het NFI-dossier heeft ontvangen waarover hij aan hen nog wat te vragen heeft.(46)

(xi) Bij tussenarrest van 22 juli 2011 heeft het hof dit verzoek afgewezen, aangezien de verdachte door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof heeft daartoe overwogen dat de raadsman dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, nu hij geen enkele concrete vraag heeft genoemd die hij op grond van nieuwe of andere stukken (die niet bekend waren ten tijde van het verhoor van beide deskundigen op 2 juni 2010) nog aan deze deskundigen zou willen stellen en waarvan de beantwoording van belang is voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing.

78. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 herhaalde verzoek van de raadsman van de verdachte om de - op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 reeds gehoorde - deskundigen E.J. Barten (uroloog) en E.G.C.A. van Seumeren (gynaecoloog) op te roepen is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(47)

79. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 77 sub xi is weergegeven - bij de afwijzing van voornoemd verzoek bij tussenarrest van 22 juli 2011 geoordeeld dat de verdachte door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging wordt geschaad. In deze overweging ligt als het oordeel van het hof besloten dat de noodzaak tot het nogmaals horen van deze deskundigen niet is gebleken. Daarbij stond het het hof vrij om een ruimere maatstaf toe te passen, nu deze gunstiger is voor de verdediging. Aldus heeft het hof, anders dan de stellers van het middel betogen, de juiste maatstaf toegepast en behoefde het hof niet het verdedigingsbelang te betrekken bij de beoordeling van dit verzoek.(48)

80. Barten en Van Seumeren zijn naar aanleiding van het eerdere - op de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010 gedane - verzoek van de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 door het hof als deskundigen gehoord in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman. Beide deskundigen hebben toen een uitgebreide verklaring afgelegd, terwijl de raadsman bij die gelegenheid vragen aan hen heeft gesteld en ook de verdachte vragen aan de deskundigen heeft kunnen stellen (maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt).

Bovendien heeft de raadsman ter onderbouwing van het herhaalde verzoek om Barten en Van Seumeren te horen enkel aangevoerd dat deze deskundigen opnieuw moeten worden gehoord, omdat hij hun eerder afgelegde verklaringen wil aanvechten en op betrouwbaarheid wil toetsen door hen te confronteren met alle feiten die relevant kunnen zijn voor een eventueel "waarschijnlijkheidsoordeel" en met twee rapporten, de deskundigen niet zo standvastig zijn geweest in hun verklaring omtrent de waarschijnlijkheid van de aanwezigheid van de substantie op het bovenbeen van Christel Ambrosius in relatie tot haar schone slip, en van deze getuigen geen afstand is gedaan terwijl hij zich op voorhand het recht heeft voorbehouden om hen nader te horen vanwege de korte voorbereidingstijd en de na het eerdere verhoor nog te ontvangen stukken.

Voorts heeft het hof de op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 afgelegde verklaringen niet als bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd, doch enkel in zijn nadere bewijsoverwegingen een klein onderdeel van die verklaringen aangehaald ter onderbouwing van zijn overweging dat het ervoor moet worden gehouden dat de zaadcelsporen in en op het lichaam van Christel Ambrosius dateren van na zondagmiddag 9 januari 1995 omstreeks 16:15 uur en ter weerlegging van de stelling van de verdachte dat hij op zaterdagavond 8 januari 1994 in de woning van zijn ouders seksueel contact met haar heeft gehad.

Ten slotte geldt ook voor dit verzoek dat het kennelijk is gedaan in het kader van het door de raadsman in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt betreffende de alternatieve lezing van de verdachte en strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten, terwijl het hof dit standpunt op goede gronden en toereikend gemotiveerd heeft verworpen.

81. Gelet op hetgeen hiervoor onder 80 is uiteengezet, geeft het oordeel van het hof dat de verdachte door het niet horen van deze deskundigen niet in zijn verdediging wordt geschaad omdat de raadsman het verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en de raadsman geen enkele concrete vraag heeft genoemd die hij op grond van nieuwe of andere stukken nog aan deze deskundigen zou willen stellen en waarvan de beantwoording van belang is voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.(49)

82. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de raadsman van de verdachte voorafgaand aan het verhoor van Barten en Van Seumeren op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 heeft verzocht het geplande verhoor wegens onvoldoende gelegenheid tot voorbereiding voor de verdediging geen doorgang te laten vinden en dat de voorzitter van het hof in dat verband op die terechtzitting de raadsman heeft gewezen op de mogelijkheid om na het verhoor geen afstand te doen van de deskundigen en eventueel op een nadere terechtzitting aanvullende vragen aan de deskundigen te stellen.

83. Het middel faalt.

84. Het achtste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 gedane verzoek van de raadsman van de verdachte tot het (nader) horen van de deskundigen Barten en Van Seumeren.

85. Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel IV technisch bewijs") heeft de raadsman van de verdachte onder het kopje "herhaald verzoek tot nader horen van Barten en Van Seumeren" het verzoek tot het nader horen van de deskundigen Barten en Van Seumeren nogmaals herhaald, nu de verdediging nog steeds belang heeft bij het nader horen van deze deskundigen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de door Barten en Van Seumeren bij hun eerdere verhoor gegeven antwoorden niet volledig zijn weergegeven, terwijl hun verklaringen ruimte laten voor onduidelijkheid. Bij een niet welwillende lezing van hun verklaringen hebben zij nog geen antwoord gegeven op de vraag waar het om ging, te weten of het aantal koppen per gezichtsveld een betrouwbare maatstaf is voor de bepaling van de ouderdom van die "koppen". Bovendien gaat het niet om de ouderdom van de substantie op het bovenbeen van Christel Ambrosius maar om de ouderdom van de zaadcellen, aldus de raadsman.(50)

86. Dit op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 nogmaals herhaalde verzoek van de raadsman om Barten en Van Seumeren als deskundigen te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(51)

87. Het hiervoor bedoelde verzoek is een verzoek waaromtrent de rechter ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 noch het bestreden arrest houden een zodanige beslissing in. Het middel klaagt daarover terecht.(52)

88. Op grond van het navolgende behoeft dit evenwel niet tot cassatie te leiden. Barten en Van Seumeren zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 als deskundigen gehoord. Zoals bij de bespreking van het zevende middel is uiteengezet, heeft het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 herhaalde verzoek om Barten en Van Seumeren nogmaals te horen bij tussenarrest van 22 juli 2011 met toepassing van de juiste maatstaf, op goede gronden en toereikend gemotiveerd afgewezen. De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 voornoemd verzoek andermaal herhaald zonder dat hij is ingegaan op de door het hof in zijn tussenarrest van 22 juli 2011 aan diens beslissing gegeven motivering en zonder dat hij ter onderbouwing van het (voor de tweede keer) herhaalde verzoek een beroep heeft gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden. Gelet hierop heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij het honoreren van de klacht dat het hof in zijn einduitspraak niet (nogmaals) uitdrukkelijk heeft beslist omtrent het deskundigenverzoek van de raadsman, dat - ook wat betreft de gronden waarop het verzoek berust - louter een herhaling behelst van het bij tussenarrest van 22 juli 2011 (reeds) afgewezen verzoek.(53) Aan het ontbreken van antwoord op vragen naar de bekende weg hoeven geen gevolgen te worden verbonden.

89. Het negende middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, de op de terechtzittingen in hoger beroep van 25 en 26 november 2010 en 24 mei 2011 gedane en op de terechtzittingen in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011 herhaalde verzoeken van de raadsman van de verdachte tot het voegen van stukken, het horen van getuigen en het doen van nader onderzoek ter onderbouwing van alternatieve ontlastende scenario's heeft afgewezen.

90. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2010 overgelegde pleitnota "zitting 11 11 10 Voeging stukken OB" en de op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2010 overgelegde pleitnota "zitting 11 11 10 voeging NFI stukken" heeft de raadsman van de verdachte op die terechtzittingen verzocht diverse stukken aan het dossier toe te voegen ter onderbouwing van eventuele alternatieve ontlastende scenario's.

(ii) Bij tussenarrest van 10 december 2010 heeft het hof dit verzoek onder het kopje "beslissingskader van de beoordeling van verzoeken" en onder het kopje "toevoeging van stukken aan het dossier" afgewezen omdat het dit verzoek niet noodzakelijk acht, nu de raadsman de desbetreffende stukken slechts aan het dossier wil doen toevoegen voor onderzoek naar "eventuele, alternatieve, ontlastende scenario's". Het hof heeft daartoe overwogen dat de beslissing van het hof op het verzoek moet worden bezien in het kader van de in art. 348 Sv en art. 350 Sv vermelde vragen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting gaat het niet om de vraag wie het tenlastegelegde feit heeft begaan maar om de beantwoording van de vraag of kan worden bewezen dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, terwijl de vraag wie als verdachte kan worden aangemerkt behoort te worden onderzocht in het voorbereidende onderzoek, aldus het hof. Het verzoek van de raadsman dat is gemotiveerd met het argument dat de voeging van de verzochte stukken nodig is in verband met "een onderzoek naar eventuele, alternatieve, ontlastende scenario's", hoort derhalve thuis in het voorbereidende onderzoek en niet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Gelet op voornoemd beslissingskader lijdt het voorgaande slechts uitzondering, zo oordeelt het hof, indien er sterke aanwijzingen zijn dat een ander als verdachte van het strafbare feit kan worden aangemerkt. Bovendien heeft de advocaat-generaal op verschillende manieren aangegeven dat hij alle stukken waarvan het hof de toevoeging heeft gelast aan het dossier heeft toegevoegd en dat de stukken waarvan de raadsman alsnog de toevoeging heeft verzocht er niet zijn, terwijl niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal stukken heeft achtergehouden. Daarnaast zijn er behalve de mededeling van de advocaat-generaal ook overigens geen aanwijzingen dat de desbetreffende stukken er wel zouden zijn, hetgeen ook door de raadsman niet is betwist. Voorts wekt het geen verbazing dat de stukken - in het bijzonder wat betreft het "oude dossier" - niet altijd goed zijn geordend en dat wellicht enkele (delen van) stukken ontbreken, nu het onderzoek naar de dood van Christel Ambrosius reeds in 1994 is gestart en het dossier in de loop der tijd door vele instanties is bekeken. Ten slotte levert de enkele omstandigheid dat de advocaat-generaal wel kennis heeft kunnen nemen van stukken die niet tot de processtukken behoren, naar 's hofs oordeel geen schending op van het beginsel van "equality of arms".

(iii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 heeft de raadsman ten aanzien van "het scenario [C]" verzocht Peter R. de Vries, de vader en de moeder van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], de vader en de moeder van [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] als getuigen te horen, de moeder van [betrokkene 2] te vragen om DNA af te staan, na te vragen wat bekend is omtrent de doodsoorzaak van [betrokkene 2] en uit te zoeken of het directe DNA van [betrokkene 2] nog op enigerlei wijze kan worden verkregen. Voorts heeft de raadsman ten aanzien van "het scenario [B] en [A]" het verzoek tot voeging van stukken, welk verzoek het hof eerder bij tussenarrest van 10 december 2010 heeft afgewezen, herhaald onder verwijzing naar de op deze terechtzitting voorgedragen stukken. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van de scenario's "[E] en 8064" op dat moment geen verzoek tot het horen van getuigen gedaan. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat hij primair van mening is dat alle sporen moeten worden onderzocht om te kijken wat ze er nog mee kunnen, dat hij de verzoeken met betrekking tot het bandenspooronderzoek laat vallen en dat hij het verzoek tot completering van het dossier - waaronder het verzoek tot toevoeging van de telefoongesprekken - wel handhaaft.

(iv) Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 overgelegde "op schrift gestelde verzoeken en toelichting" (bijlage 2) heeft de raadsman verschillende verzoeken gedaan, waarbij het onder meer zou gaan om nog niet eerder gedane verzoeken die zijn opgekomen naar aanleiding van nieuwe stukken. Voorts heeft de raadsman blijkens de op die terechtzitting overgelegde "op schrift gestelde verzoeken en toelichting" (bijlage 7) diverse verzoeken gedaan tot het doen van nader onderzoek aan sporen c.q. sporendragers.

(v) Bij tussenarrest van 22 juli 2011 heeft het hof ten aanzien het verzoek tot het horen van getuigen onder het kopje "horen van getuigen omtrent de alternatieve scenario's" geoordeeld dat op dat moment geen beslissing kan worden genomen op het desbetreffende verzoek van de raadsman, nu de door de verdediging geschetste alternatieve ontlastende scenario's thuishoren in het pleidooi, zodat deze beslissing zal worden gedaan bij eindarrest als de raadsman dit verzoek handhaaft. Het hof heeft daartoe overwogen dat het verzoek moet worden beoordeeld met inachtneming van het toetsingskader, dat is weergegeven in zijn tussenarrest van 10 december 2010. Het hof kan in dit stadium van het geding echter niet beslissen op het gedane getuigenverzoek zonder tevens een waarde-oordeel te geven over de aangevoerde ontlastende alternatieve scenario's, waardoor het hof zich ook al zou uitlaten over de vragen van art. 348 Sv en art. 350 Sv, die echter eerst bij eindarrest na het requisitoir en het pleidooi dienen te worden beantwoord, aldus het hof. Dit klemt volgens het hof te meer daar de raadsman twee maal het hof heeft gewraakt - welke wrakingsverzoeken overigens zijn afgewezen - omdat volgens hem het hof vooringenomen was en bij de afwijzing van een aantal verzoeken op onaanvaardbare wijze vooruit was gelopen op een verweer dat de verdediging eerst bij pleidooi had willen voeren.

Voorts heeft het hof ten aanzien van het verzoek tot het voegen van stukken onder het kopje "horen van getuigen en toevoeging van stukken aan het dossier omtrent de samenstelling van het dossier" geoordeeld dat ook op dit verzoek bij eindarrest zal worden beslist op dezelfde grond als genoemd bij de beslissing op het verzoek tot het horen van de getuigen omtrent de alternatieve scenario's.

Daarnaast heeft het hof ten aanzien van het verzoek tot het doen van nader onderzoek onder het kopje "nader onderzoek naar sporen en sporendragers" geoordeeld dat de beslissing op dit verzoek zal worden aangehouden op dezelfde grond als genoemd bij de beslissing op het verzoek tot het horen van de getuigen omtrent de alternatieve scenario's.

(vi) Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel I herhaling verzoeken") heeft de raadsman alle getuigenverzoeken, alle verzoeken om stukken en alle verzoeken om onderzoek herhaald en alle verzoeken met betrekking tot het horen van getuigen rondom "het scenario [E]" alsnog uitdrukkelijk gedaan. De raadsman heeft ter onderbouwing van de getuigenverzoeken onder verwijzing naar HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis betoogd dat materieel aan het redelijkheidscriterium moet worden getoetst, nu voor het eerst in hoger beroep een enorme hoeveelheid stukken is gevoegd, terwijl de verdediging geacht moet worden substantiële tijd nodig te hebben gehad om op grond van deze stukken te bepalen welke verzoeken in het belang van de verdediging kunnen zijn.(54)

(vii) Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder het kopje "verweren en verzoeken, alternatieve scenario's" ten aanzien van de verzoeken, die door de raadsman zijn gedaan in het kader van de gepresenteerde alternatieve scenario's, geoordeeld dat nader onderzoek alleen is aangewezen bij zeer ernstige aanwijzingen tegen andere personen dan de verdachte in een scenario dat niet alleen niet ondenkbaar is maar ook een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft. Het hof heeft daartoe overwogen dat er na de onherroepelijke vrijspraak van [B] en [A] en voordat de verdachte in beeld kwam zeer uitgebreid onderzoek is gedaan naar de verkrachting en de dood van Christel Ambrosius, waarbij vele scenario's zijn onderzocht, een grootschalig DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden, vele getuigen en deskundigen zijn gehoord en sporen(dragers) zijn onderzocht.

Voorts heeft het hof ten aanzien van "het scenario [C] en [D]" geoordeeld dat de op dit scenario betrekking hebbende verzoeken worden afgewezen, nu de noodzaak van hetgeen is verzocht niet is gebleken, terwijl het hof zich voldoende geïnformeerd acht en van zeer ernstige aanwijzingen als hiervoor bedoeld geen sprake is. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, ligt er met betrekking tot dit scenario geen bekentenis doch slechts een bericht van een misdaadverslaggever. Uit het gegeven dat in het nieuwe dossier in de zaak tegen de verdachte en in de in hoger beroep toegevoegde "onderzoeksbibliotheek" weinig is te vinden over deze personen, volgt niet dat er geen onderzoek is gedaan, aangezien DNA-onderzoek is verricht bij [C], de vader van de overleden [D] heeft meegewerkt aan een DNA-onderzoek en een verklaring heeft afgelegd onder meer inhoudende een alibi voor zijn zoon, en de zaaksofficier van justitie aan de advocaat-generaal heeft medegedeeld dat er destijds maandenlang onderzoek is verricht naar dit scenario maar dat daaruit niets is gekomen. Dit scenario is niet aannemelijk geworden, nu zich in het dossier onvoldoende aanwijzingen bevinden voor de betrokkenheid van deze personen bij de verkrachting en de moord.

Daarnaast heeft het hof ten aanzien van "het scenario [E]" geoordeeld dat de op dit scenario betrekking hebbende verzoeken geen beslissing meer behoeven en dat het niet verder ingaat op dit scenario. Het hof heeft daartoe overwogen dat de raadsman op 24 mei 2011 verzoeken heeft gedaan tot nader onderzoek ten aanzien van voornoemd scenario, dat de raadsman aan het begin van zijn pleidooi van 12 oktober 2011 alle eerder gedane verzoeken heeft herhaald maar dat (later) uit datzelfde pleidooi blijkt dat de raadsman er niet meer vanuit gaat dat [E] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

Vervolgens heeft het hof ten aanzien van "het scenario [B] en [A]" geoordeeld dat de op dit scenario betrekking hebbende verzoeken worden afgewezen, nu de noodzaak van hetgeen is verzocht niet is gebleken, terwijl het hof zich voldoende geïnformeerd acht en - gelet op de onherroepelijke vrijspraak van [B] en [A] en de motivering daarvan door het gerechtshof te Leeuwarden - van zeer ernstige aanwijzingen als hiervoor bedoeld tegen hen geen sprake meer is. Het hof heeft daartoe overwogen dat [B] en [A] in 2002 onherroepelijk zijn vrijgesproken, dat de raadsman bij pleidooi in dit kader slechts heeft aangevoerd dat [B] en [A] in strijd met de waarheid hebben verklaard over hun aanwezigheid in het bos op zondagmiddag 9 januari 1994 en dat dit scenario niet aannemelijk is geworden.

Voorts heeft het hof geoordeeld dat er evenmin sprake is van zeer ernstige aanwijzingen in eerder bedoelde zin tegen (een) ander(en) dan de verdachte in één van de overige in het dossier voorkomende scenario's.

Bovendien heeft het hof ten aanzien van de verzoeken van de raadsman die het hof in zijn tussenarresten reeds eerder heeft afgewezen onder het kopje "verzoeken van de raadsman" geoordeeld dat het deze verzoeken wederom afwijst onder verwijzing naar die eerdere beslissingen, aangezien het geen aanleiding ziet om op die verzoeken thans anders te beslissen, nu de verdediging in haar pleitnotities geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de verzoeken thans wel zouden moeten worden toegewezen.

Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de verzoeken van de raadsman tot het horen van een aantal getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier, die primair zijn gedaan ter onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, onder het kopje "verzoeken van de raadsman" geoordeeld dat deze verzoeken worden afgewezen, nu de noodzaak van hetgeen is verzocht niet is gebleken en het hof zich ook in dit opzicht voldoende geïnformeerd acht. Het hof heeft daartoe overwogen dat de raadsman niet heeft aangegeven waarom toewijzing van deze verzoeken noodzakelijk is ter onderbouwing van het bij pleidooi gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer.

91. Blijkens de toelichting klaagt het middel in de eerste plaats over de afwijzing door het hof van het verzoek van de raadsman van de verdachte tot het voegen van stukken.

92. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2010 gedane verzoek van de raadsman om diverse stukken aan het dossier toe te voegen ter onderbouwing van eventuele alternatieve scenario's, is een verzoek als bedoeld in art. 414, eerste lid, Sv.

93. Ingevolge art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door het openbaar ministerie dan wel door of namens de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken.(55)

94. In de hiervoor onder 90 sub ii weergegeven overwegingen van het hof in zijn tussenarrest van 10 december 2010 ligt als diens oordeel besloten dat de beginselen van een behoorlijke procesorde niet noopten tot de voeging van de door de raadsman bedoelde stukken (indien zij zouden bestaan). Aldus verstaan heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman - anders dan de stellers van het middel aanvoeren - de juiste maatstaf aangelegd.

95. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek enkel aangevoerd dat hij de desbetreffende stukken aan het dossier wil doen toevoegen voor onderzoek naar eventuele alternatieve ontlastende scenario's. Voorts is dit verzoek gedaan in het kader van de door de raadsman in hoger beroep gepresenteerde alternatieve scenario's. Het hof heeft in de bestreden uitspraak op niet onbegrijpelijke wijze geoordeeld dat die alternatieve scenario's niet aannemelijk zijn geworden.

96. Zoals gezegd heeft het hof geoordeeld (i) dat de toewijzing van dit verzoek niet noodzakelijk is aangezien het verzoek thuis hoort in het voorbereidende onderzoek en niet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, (ii) dat het niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal stukken heeft achtergehouden, (iii) dat het (gelet op de ouderdom van de zaak) geen verbazing wekt dat de stukken niet altijd goed zijn geordend en dat wellicht enkele stukken ontbreken, en (iv) dat de enkele omstandigheid dat de advocaat-generaal wel kennis heeft kunnen nemen van stukken die niet tot de processtukken behoren geen schending oplevert van het beginsel van "equality of arms". Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

97. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 herhaalde en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 gehandhaafde verzoek van de raadsman tot completering van het dossier, is eveneens een verzoek als bedoeld in art. 414, eerste lid, Sv.

98. In de hiervoor onder 90 sub vii weergegeven overwegingen uit het bestreden eindarrest ligt als 's hofs oordeel besloten dat de beginselen van een behoorlijke procesorde niet noopten tot de voeging van de door de raadsman bedoelde stukken (indien zij zouden bestaan). Aldus verstaan heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman - anders dan de stellers van het middel betogen - de juiste maatstaf aangelegd.

99. Het oordeel van het hof dat de noodzaak van hetgeen is verzocht niet is gebleken, terwijl het hof zich voldoende geïnformeerd acht en geen sprake is van zeer ernstige aanwijzingen tegen andere personen dan de verdachte in een scenario dat niet alleen niet ondenkbaar is maar ook een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(56) De raadsman heeft ter onderbouwing van dit herhaalde verzoek immers geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de desbetreffende stukken alsnog zouden moeten worden overgelegd. Gelet daarop was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

100. Ik wil overigens wel toegeven dat het onderscheid dat het hof aanlegt tussen enerzijds het voorbereidend onderzoek, waarin ruimte is voor onderzoek naar alternatieve, ontlastende scenario's, en anderzijds het onderzoek ter terechtzitting, waarin volgens het hof alleen ruimte is voor dergelijk onderzoek naar de alternatieve scenario's "bij zeer ernstige aanwijzingen tegen andere personen dan de verdachte in een scenario dat niet alleen niet ondenkbaar is maar ook een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft", mij in deze algemene bewoordingen niet bijster aanspreekt. In mijn opvatting behelst het bewijsoordeel van de feitenrechter onder alle omstandigheden een weging van de bewijskracht van uiteenlopende scenario's en heeft het gewicht van slechts één scenario in die zin geen zelfstandige betekenis. Daaruit vloeit m.i. voort dat de feitenrechter altijd oog zal moet hebben voor de alternatieven en daarnaar zonodig en eventueel ambtshalve onderzoek zal moeten (doen) verrichten. Het primaat van het feitenonderzoek ligt immers bij de rechter ter terechtzitting. Het vooronderzoek strekt "slechts" ter voorbereiding van dat onderzoek.

Daar staat tegenover dat juist in de onderhavige zaak voorafgaand aan het desbetreffende onderzoek ter terechtzitting, naar volgt uit 's hofs in zoverre onbestreden vaststellingen (zie 90 sub vii), reeds buitengewoon veel onderzoek is verricht naar alternatieve scenario's, waaronder door de raadsman geopperde scenario's. Ik acht het onder die omstandigheden bepaald geen overspannen eis van het hof om nader onderzoek naar reeds omstandig onderzochte scenario's in deze zaak alleen toe te staan indien alsnog zeer sterke aanwijzingen rijzen die steun geven aan een alternatief scenario dat ook op zichzelf reeds een zekere mate van waarschijnlijkheid bezit. 's Hofs oordeel valt dus in deze zaak zonder meer te billijken.

101. Blijkens de toelichting klaagt het middel in de tweede plaats over de afwijzing door het hof van het verzoek van de raadsman van de verdachte tot het horen van getuigen.

102. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om Peter R. de Vries, de vader en de moeder van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], de vader en de moeder van [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] als getuigen te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en voornoemde getuigen niet bij appelschriftuur zijn opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van het verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv(57) of de noodzaak van het verzochte is gebleken.(58)

103. In de hiervoor onder 90 sub vii weergegeven overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat het horen van deze getuigen niet noodzakelijk is. Aldus verstaan heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman - anders dan de stellers van het middel betogen - de juiste maatstaf aangelegd.

104. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek enkel aangevoerd dat hij de desbetreffende getuigen wil horen voor onderzoek naar eventuele alternatieve ontlastende scenario's en meer in het bijzonder ten aanzien van "het scenario [C]". Voorts is dit verzoek gedaan in het kader van de door de raadsman in hoger beroep gepresenteerde alternatieve scenario's, terwijl het hof in de bestreden uitspraak op niet onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat die alternatieve scenario's niet aannemelijk zijn geworden.

105. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat de noodzaak van hetgeen is verzocht niet is gebleken, terwijl het hof zich voldoende geïnformeerd acht en geen sprake is van zeer ernstige aanwijzingen tegen andere personen dan de verdachte in een scenario dat niet alleen niet ondenkbaar is maar ook een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.(59) In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.(60)

106. Voor zover in de toelichting op het middel onder verwijzing naar HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis wordt betoogd dat het op 24 mei 2011 gedane getuigenverzoek is gedaan aan de hand van informatie die niet bekend was bij het indienen van de appelschriftuur en die pas bekend is geworden na ontvangst en bestudering van het "oude dossier" zodat ten aanzien van dit verzoek "materieel gezien het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is", geldt het navolgende.

107. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 19 juni 2007 LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.4.2 beschouwingen gewijd aan de uitleg van art. 414, tweede lid, Sv en art. 418, derde lid, Sv. In dat arrest is onder meer uiteengezet dat onder bepaalde omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk zal kunnen worden gevergd dat hij getuigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft en dat daarvan in de regel sprake is indien bij de uitspraak in eerste aanleg is volstaan met een verkort vonnis en de aanvulling niet tijdig binnen de voor het indienen van de appelschriftuur gestelde termijn voor de verdachte beschikbaar is. Voorts heeft de Hoge Raad bepaald dat zich gevallen kunnen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur. In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in voornoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het "noodzakelijkheidscriterium" de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het "verdedigingsbelang" zou worden bereikt.

108. In de hiervoor onder 90 sub vii weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat zich geen omstandigheden hebben voorgedaan als hiervoor onder 107 bedoeld. In aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte in zijn appelschriftuur heeft verzocht om in totaal maar liefst 67 deskundigen en 78 getuigen op te roepen en gelet op het feit dat de raadsman op de terechtzittingen in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat het voor hem zonder kennisneming van het "oude dossier" niet mogelijk was de in de klacht bedoelde personen als getuigen op te roepen, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.(61)

109. Blijkens de toelichting klaagt het middel in de derde plaats over de afwijzing door het hof van het verzoek van de raadsman van de verdachte tot het doen van nader onderzoek.

110. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om nader onderzoek te doen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(62)

111. In de hiervoor onder 90 sub vii weergegeven overwegingen van het hof in zijn eindarrest ligt als diens oordeel besloten dat het doen van nader onderzoek niet noodzakelijk is. Aldus verstaan heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman de juiste maatstaf aangelegd. Daarover klaagt het middel terecht niet.

112. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek ten aanzien van "het scenario [C]" enkel gespecificeerd dat zijn verzoeken behelzen de moeder van [betrokkene 2] te vragen om DNA af te staan, na te vragen wat bekend is omtrent de doodsoorzaak van [betrokkene 2] en uit te zoeken of het DNA-profiel van [D] nog op enigerlei wijze kan worden bepaald. Voorts heeft de raadsman ter onderbouwing van het verzoek enkel nog aangevoerd dat alle sporen moeten worden onderzocht om te kijken wat ze er nog mee kunnen en dat nader onderzoek moet worden gedaan aan sporen c.q. sporendragers. Bovendien is dit verzoek gedaan in het kader van de door de raadsman in hoger beroep gepresenteerde alternatieve scenario's, terwijl het hof in de bestreden uitspraak op niet onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat die alternatieve scenario's niet aannemelijk zijn geworden.

113. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat de noodzaak van hetgeen is verzocht niet is gebleken, terwijl het hof zich voldoende geïnformeerd acht en geen sprake is van zeer ernstige aanwijzingen tegen andere personen dan de verdachte in een scenario dat niet alleen niet ondenkbaar is maar ook een zekere mate van waarschijnlijkheid heeft, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(63) In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.(64)

114. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden betreffende "het scenario [C] en [D]" en "het scenario [B] en [A]" doen niet af aan de juistheid en de begrijpelijkheid van de 's hofs afwijzingen van de verschillende verzoeken. Bovendien is het oordeel van het hof dat de op "het scenario [E]" betrekking hebbende verzoeken geen beslissing meer behoeven omdat uit het pleidooi van de raadsman van 12 oktober 2011(65) blijkt dat hij er niet meer vanuit gaat dat [E] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de uitleg van verzoeken en verweren is voorbehouden aan de feitenrechter.(66) Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger van 13 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel VIII alternatieve scenario's") heeft de raadsman ten aanzien van dit scenario immers opgemerkt dat hij op grond van de feiten persoonlijk denkt dat [E] niet degene is geweest die Christel Ambrosius heeft gedood maar dat hij degene is geweest die haar als eerste dood heeft gevonden, (uit piëteit voor zijn oma) het onderlichaam van zijn zus netjes heeft toegedekt met de waxcoat en haar spijkerbroek, in de woning de hem bekende achterdeursleutel heeft aangetroffen en de sleutel na afsluiting van de achterdeur weer netjes heeft opgehangen op het spijkertje in de schuur.(67) Anders dan de stellers van het middel betogen, was het hof dan ook niet gehouden (nader) op deze verzoeken te beslissen.

115. Het middel faalt.

116. Het tiende middel (in de schriftuur aangeduid als "middel X a") behelst de klacht dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, althans dat het hof - zonder in het bijzonder de redenen te hebben opgegeven die daartoe hebben geleid - is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten.

117. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 09 januari 1994, in de gemeente Putten, opzettelijk en met voorbedachten rade C.C. Ambrosius van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk gewelddadig met een scherp voorwerp meermalen in het lichaam en in de hals en in de keel van die Ambrosius gestoken en/of gesneden, tengevolge van welke handelingen voornoemde Ambrosius is overleden."

118. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 09 januari 1994, in de gemeente Putten, door geweld C.C. Ambrosius heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Ambrosius, hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die Ambrosius gebracht, en bestaande dat geweld hierin dat verdachte (telkens) opzettelijk gewelddadig en dreigend

- die Ambrosius heeft vastgegrepen en/of vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- tegen het lichaam van die Ambrosius heeft geslagen en/of gestompt tengevolge waarvan Ambrosius ten val is gekomen en/of

- die Ambrosius tegen de grond heeft gewerkt en/of ten val heeft gebracht en

- de boven- en/of onderbroek van die Ambrosius heeft uitgetrokken en/of (aldus) voor die Ambrosius een bedreigende situatie heeft doen ontstaan."

119. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van deze feiten het volgende vastgesteld. Op zondag 9 januari 1994 is Christel Ambrosius omstreeks 16:15 uur naar de woning van haar oma ([betrokkene 11]) gelegen aan de [a-straat 1] in Putten gefietst (bewijsmiddel 2). Toen de oma van Christel Ambrosius omstreeks 17:15 uur thuis kwam, trof zij in de woonkamer van haar woning het stoffelijke overschot van haar kleindochter aan (bewijsmiddelen 1 en 2). Verbalisanten hebben Christel Ambrosius met een ontkleed onderlichaam ruggelings op de vloer gevonden met schuimend bloed op haar mond en verwondingen aan haar keel en aan haar hals (bewijsmiddel 2). Bij onderzoek van het lijk is gebleken dat er letsel is ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch snoerend geweld aan de hals, terwijl meerdere steek- c.q. snijverwondingen zijn geconstateerd aan de hals en op meerdere plaatsen van het lichaam (met name op het hoofd) huidkneuzingen zijn waargenomen (bewijsmiddel 3). Bij dit onderzoek is geconcludeerd dat het intreden van de dood kan worden verklaard door voornoemd uitwendig mechanisch snoerend geweld aan de hals en door de steek- c.q. snijverwondingen aan de hals, gepaard gaande met tekenen van verstikking (bewijsmiddel 3). Voorts is naar aanleiding van de aangetroffen sporen op de plaats van het delict geconcludeerd dat Christel Ambrosius eerst is gestranguleerd, dat zij vervolgens is verkracht en dat zij daarna is gestoken en gesneden in haar hals en in haar pols (bewijsmiddelen 5 en 6). Daarnaast is sperma aangetroffen in de vagina van Christel Ambrosius, in haar baarmoedermond, in haar anus en op haar bovenbeen, terwijl in haar slipje geen spermasporen zijn gevonden (bewijsmiddelen 7 en 8). Bovendien is aan de binnenzijde van de spijkerbroek van Christel Ambrosius een bloedvlekje aangetroffen, terwijl het DNA-profiel van dit bloedvlekje overeenkomt met het DNA-profiel van (de donor van) het sperma op het bovenbeen van Christel Ambrosius (bewijsmiddelen 9 en 10). Op 9 april 2008 is het DNA-profiel van de verdachte opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken (bewijsmiddel 11). Vervolgens is een match gevonden tussen het DNA-profiel van de verdachte en het DNA-profiel van het bloedvlekje in de spijkerbroek van Christel Ambrosius (bewijsmiddelen 11 en 14). Voorts is uit onderzoek gebleken dat het DNA-profiel van de verdachte volledig overeenkomt met het DNA-profiel van het sperma dat is aangetroffen in de vagina, in de baarmoedermond en in de anus van Christel Ambrosius (bewijsmiddelen 12 en 13). Ten slotte is tevens gebleken dat het DNA-profiel van het bloed dat is aangetroffen onder de nagels van Christel Ambrosius volledig overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte en dat het DNA-profiel van het sperma dat is aangetroffen op het bovenbeen van Christel Ambrosius volledig overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte celmateriaal heeft achtergelaten op of onder de nagels van de rechterhand van Christel Ambrosius en dat zijn sperma is achtergebleven in haar vagina (bewijsmiddel 14).

120. De verdachte en diens raadsman hebben in het kader van de aanwezigheid van DNA-houdend celmateriaal van de verdachte bepleit dat Christel Ambrosius niet door de verdachte maar door een ander is verkracht en om het leven is gebracht. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft tot de dood van Christel Ambrosius gedurende zes à zeven maanden een geheime (seksuele) relatie met haar gehad. Het aantreffen van de sporen van de verdachte kan worden verklaard door het feit dat hij en Christel Ambrosius op zaterdagavond 8 januari 1994 in de ouderlijke woning van de verdachte seksueel contact hebben gehad. Op zondag 9 januari 1994 is de verdachte zijn huis niet uit geweest, terwijl hij nooit op de plaats van het delict is geweest. Voorts heeft de verdachte tegen [betrokkene 1] opgeschept over de seks die hij met Christel Ambrosius had. Bovendien is de verdachte een paar weken na de dood van Christel Ambrosius naar een politiebureau gegaan om te zeggen dat hij een (seksuele) relatie met haar had gehad, waarna hij is weggestuurd met de mededeling dat ze de daders al hadden. Ten slotte dient uit het gegeven dat op de plaats van het delict geen zaadvloeistof van de verdachte is aangetroffen, te worden afgeleid dat de verdachte het delict niet kan hebben gepleegd.(68)

121. Het hof heeft onder het kopje "essentie van het arrest, de toedracht van het delict" geoordeeld dat uit de volgorde van de handelingen kan worden afgeleid dat Christel Ambrosius met voorbedachte raad om het leven is gebracht. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Christel Ambrosius is op de plaats van het delict eerst van achteren aangevallen, vervolgens is zij verkracht en daarna zijn haar gericht snij- en steekverwondingen toegebracht. Voorts was het geweld dat door de wurging is ingezet bedoeld om de verkrachting te kunnen plegen, terwijl Christel Ambrosius na haar verkrachting nog met een mes is bewerkt en bij haar snij- en steekverwondingen zijn toegebracht.

122. Vervolgens heeft het hof onder het kopje "essentie van het arrest, sporen van verdachte" geoordeeld dat het DNA-profiel van de verdachte overeenkomt met de zaadcellen in de druppel op het bovenbeen van Christel Ambrosius, met de zaadcellen in de uitstrijkjes van de vagina, de baarmoedermond en de anus van Christel Ambrosius, met de sporen in het nagelvuil van Christel Ambrosius en met het bloedvlekje dat is aangetroffen aan de binnenkant van de spijkerbroek van Christel Ambrosius, terwijl de aanwezigheid van dit DNA-materiaal vraagt om een verklaring van de verdachte.

123. Het hof heeft onder het kopje "essentie van het arrest, oordeel hof over verdachtes betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten" in reactie op het verweer van de verdediging betreffende de verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van zijn DNA geoordeeld dat het geen geloof hecht aan de door de verdachte gestelde relatie en het door hem gestelde seksuele contact op de avond van 8 januari 1994. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de verdachte - gelet op de omstandigheid dat op en rond het lichaam van Christel Ambrosius vier biologische sporen van hem zijn aangetroffen - verantwoordelijk is voor het feit dat Christel Ambrosius op de plaats van het delict eerst van achteren is aangevallen, vervolgens is verkracht en daarna met voorbedachte raad is gedood. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Geen van de - bij het uitgebreide onderzoek door de politie - gehoorde getuigen was op de hoogte van het bestaan van een (seksuele) relatie tussen de verdachte en Christel Ambrosius, terwijl niemand heeft verklaard hen op enig moment samen te hebben gezien en de schriftjes ("dagboeken") die Christel Ambrosius uitwisselde met een vriendin evenmin een aanwijzing bevatten voor zo'n relatie.

Voorts heeft [betrokkene 1] verklaard nooit iets van de verdachte te hebben gehoord over zijn seksleven, terwijl de ouders van de verdachte niet hebben kunnen bevestigen dat de verdachte op 9 januari 1994 de gehele dag thuis is geweest en de ouderlijke woning niet heeft verlaten.

Bovendien is het buitengewoon onwaarschijnlijk dat de (gestelde) melding van de verdachte bij een politiebureau een paar weken na 9 januari 1994 niet zou zijn aangegrepen voor verder onderzoek, nu in die periode nog geen aanhoudingen waren verricht in deze zaak en geen van de hierover gehoorde politieambtenaren zich kon herinneren dat er iemand met zo'n mededeling is gekomen.

Daarnaast wist de verdachte weinig van Christel Ambrosius en heeft hij zich bij vragen over haar vaak op de vlakte gehouden. Zo wist hij niet waar zij woonde, bij welke maatschappij zij als stewardess werkte, dat zij een broer had, wie haar vrienden en vriendinnen waren, of zij moedervlekken had, of zij haar oksels schoor, welke kleur ogen zij had en of en zo ja waarom ook zij hun relatie geheim wilde houden.

Voorts brengt de stelling van de verdachte dat hij een reden had om de relatie geheim te houden nog niet mee dat dit ook voor Christel Ambrosius zou gelden, aangezien Christel Ambrosius door haar familie is beschreven als iemand die open in de omgang was en zij in haar "dagboeken" melding heeft gemaakt van haar (andere) seksuele wederwaardigheden.

Bovendien is het niet aannemelijk dat Christel Ambrosius (een goed verzorgde en schone vrouw die zich vaak douchte en verkleedde) zich na de geslachtsgemeenschap op zaterdagavond niet heeft gewassen, waardoor de zaadcelsporen op zondagmiddag nog in en op haar lichaam zijn aangetroffen, terwijl zij na de vermeende geslachtsgemeenschap (op zaterdagavond) nog de gehele avond uit is geweest en op zondag nog heeft gefietst.

Daarnaast moet het er - mede gelet op de verklaringen van de deskundigen Barten (uroloog) en Van Seumeren (gynaecoloog) - voor worden gehouden dat de zaadcelsporen in en op het lichaam van Christel Ambrosius dateren van na het tijdstip waarop zij fietsend is gezien, te weten zondagmiddag 9 januari 1994 omstreeks 16:15 uur, nu er geen zaadcelsporen in de slip van Christel Ambrosius zijn gevonden.

Ten slotte kan uit het feit dat in de rapportages over de veiliggestelde sporen uit 1994 niet wordt gerept over al dan niet aangetroffen zaadvloeistof, niet de conclusie worden getrokken dat op de plaats van het delict geen zaadlozing kan hebben plaatsgevonden, aangezien de wijze waarop heden ten dage op de plaats van een delict sporen worden veiliggesteld aanzienlijk gedetailleerder is en met veel grotere voorzichtigheid wordt verricht dan in 1994 te doen gebruikelijk was en de sporen van de verdachte die wel op Christel Ambrosius zijn aangetroffen wijzen op de aanwezigheid van de verdachte op de plaats waar zij is aangetroffen.

124. Blijkens de toelichting neemt het middel als uitgangspunt dat het hof voor de betrokkenheid van de verdachte bij de feiten voor het bewijs uitsluitend gebruik zou hebben gemaakt van een deskundigenrapport IFS van 30 januari 2009 van R. Eikelenboom in samenhang met een deskundigenrapport FLDO van 18 augustus 2004 van P. de Knijff en dat het hof zou hebben geoordeeld dat het daderschap van de verdachte enkel volgt uit de biologische sporen van de verdachte. Dat uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en mist daardoor feitelijke grondslag. Het hof heeft naast het deskundigenrapport van R. Eikelenboom van 30 januari 2009 (bewijsmiddelen 6 en 14) en het deskundigenrapport van P. de Knijff van 18 augustus 2004 (bewijsmiddel 12) voor het bewijs immers ook gebruik gemaakt van een proces-verbaal van bevinding aantreffen stoffelijk overschot van Christel Charlotte Ambrosius (bewijsmiddel 1), een proces-verbaal technisch sporenonderzoek met bijlagen (bewijsmiddel 2), een deskundigenrapport van R. Visser van 3 maart 1994 (bewijsmiddel 3), een op 11 februari 2002 afgelegde verklaring van getuige-deskundige R. Visser (bewijsmiddel 4), een proces-verbaal over de volgorde van handelingen (bewijsmiddel 5), een deskundigenrapport van H.J.T. Jansen van 20 mei 1994 (bewijsmiddel 7), een proces-verbaal van politie (bewijsmiddel 8), een deskundigenrapport van R. Eikelenboom van 5 april 2002 (bewijsmiddel 9), een deskundigenrapport van A.D. Kloosterman van 19 maart 2002 (bewijsmiddel 10), een deskundigenrapport van H.N. Bauer van 16 april 2008 (bewijsmiddel 11) en een deskundigenrapport van P. de Knijff van 16 februari 2009 (bewijsmiddel 13). Voorts heeft het hof in de hiervoor onder 121, 122 en 123 weergegeven overwegingen eerst de volgorde van de handelingen vastgesteld (Christel Ambrosius is van achteren aangevallen, zij is verkracht en bij haar zijn snij- en steekverwondingen toegebracht), vervolgens vastgesteld dat vier biologische sporen van de verdachte op en rond het lichaam van Christel Ambrosius zijn aangetroffen (op haar bovenbeen, in haar vagina, baarmoedermond en anus, in haar nagelvuil en aan de binnenkant van haar spijkerbroek), en daarna geoordeeld dat en om welke (hiervoor onder 123 vermelde) redenen het geen geloof hecht aan de door de verdachte gegeven verklaring voor de aanwezigheid van cel-materiaal waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het zijne.

125. Het komt er dus op neer dat het hof in de eerste plaats heeft stilgestaan bij het scenario dat door de verdachte is geschetst en dat een verklaring zou kunnen bieden voor de aanwezigheid op het lichaam en de kleding van het slachtoffer van celmateriaal waarvan het DNA-profiel correspondeert met het zijne. Naar dat scenario ("de geheime relatie waarbinnen seks plaatshad op de avond vóór de moord") is uitvoerig onderzoek gedaan en op de gronden die ik hiervoor onder 123 heb samengevat heeft het hof dit scenario om niet onbegrijpelijke redenen kennelijk zeer onwaarschijnlijk geacht.

In de tweede plaats heeft het hof zich klaarblijkelijk afgevraagd hoe waarschijnlijk de bevindingen van de sporenonderzoeken en DNA-onderzoeken zijn in het licht van het door de verdachte geschetste scenario ten opzichte van het scenario waarin de verdachte de dader is van de moord en de verkrachting. Ofschoon niet uitgesloten is dat die onderzoeksbevindingen worden aangetroffen in het door het verdachte geschetste scenario, acht ik 's hofs kennelijke oordeel dat de resultaten van forensisch onderzoek veel meer in de richting van de schuld van de verdachte wijzen dan in de richting van de schuld van een of meer derden geenszins onbegrijpelijk. In die zin hebben deze onderzoeksbevindingen wel degelijk het vermogen te onderscheiden tussen de relevante scenario's. Het gaat er namelijk niet om of de onderzoeksbevindingen telkens afzonderlijk beschouwd mogelijk zijn onder de uiteenlopende scenario's, maar om de vraag naar de waarschijnlijkheid onder de uiteenlopende scenario's van de combinatie van alle onderzoeksbevindingen, met inbegrip dus van de aanwezigheid van het celmateriaal dat niet aan de verdachte kan worden gekoppeld. 's Hofs oordelen zijn in dit verband niet alleen duidelijk, zij zijn ook - verder reikt de cassatietoets niet - geenszins onbegrijpelijk.

Ten slotte heeft het hof deze conclusies in onderling verband beschouwd en kennelijk geoordeeld dat voorbij kan worden gegaan aan (i) minder waarschijnlijke bevindingen onder een (ii) op zichzelf reeds zeer onwaarschijnlijk scenario. Met name de samenhang van deze twee wegingen maakt dat 's hofs bewijsoordeel de cassatietoets (wat mij betreft: moeiteloos) kan doorstaan.

126. Kortom, gelet op de hiervoor onder 119 weergegeven vaststellingen heeft het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in samenhang bezien met 's hofs nadere bewijsoverwegingen (zie onder 123) kunnen afleiden dat de verdachte op 9 januari 1994 Christel Ambrosius eerst heeft verkracht (feit 2) en haar vervolgens heeft vermoord (feit 1). De bewezenverklaringen van feit 1 en feit 2 zijn derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.

127. Voor zover het middel nog de klacht bevat dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten zonder dat het in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de hiervoor onder 123 weergegeven overwegingen blijkt immers dat het hof uitgebreid heeft gemotiveerd dat en waarom het geen geloof heeft gehecht aan de door de verdachte gegeven verklaring voor de aanwezigheid van DNA-materiaal op en rond het lichaam van Christel Ambrosius waarvan het profiel overeenkomt met het zijne. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen.

128. Het middel faalt.

129. Het elfde middel (in de schriftuur aangeduid als "middel X b") bevat de klacht dat het hof - door te oordelen dat de vier biologische sporen van de verdachte vragen om een verklaring - de onschuldpresumptie zoals bedoeld in art. 6, tweede lid, EVRM heeft geschonden en dat het hof is afgeweken van het dienaangaande door de raadsman van de verdachte gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, zonder in het bijzonder de redenen te hebben opgegeven die tot die deze afwijking hebben geleid, althans zonder de redenen te hebben opgegeven die deze afwijking kunnen dragen.

130. Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel VII verklaring cliënt") heeft de raadsman van de verdachte - voor zover hier van belang - onder het kopje "is cliënt gehouden tot verklaring?" het volgende opgemerkt. Van de verdachte kan niet worden geëist dat hij zijn lezing aannemelijk maakt, terwijl het aan justitie is om de schuld van de verdachte te bewijzen en het aan de rechter is om bij redelijke twijfel vrij te spreken. Voorts heeft iedere verdachte het recht om te zwijgen, terwijl dit zwijgen niet tegen hem kan worden gebruikt. Ten slotte mag de rechter op grond van het ontbreken van een verklaring van de verdachte aannemen dat er geen ontlastende verklaring is, enkel en alleen als bepaalde belastende omstandigheden om een verklaring van de verdachte vragen en de verdachte er desondanks voor kiest om deze verklaring niet te geven.(69)

131. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder het kopje "verweren en verzoeken, overige verweren, slotoverweging" het volgende overwogen:

"Het mag gezegd worden: de raadsman heeft veel werk gemaakt van de zaak. Zijn verzoeken en pleidooi heeft hij gepaard doen gaan met uitvoerige schriftelijke stukken. Hetgeen daarin is verwoord is niet altijd even toegankelijk gebleken. De schriftelijke toelichting op de verzoeken gedaan op 24 mei 2011 behelst 356 pagina's en het pleidooi in hoger beroep bestaat uit 424 pagina's.

Soms lijken redeneringen ineens te stoppen en is niet duidelijk of, en zo ja welke conclusie door de raadsman daaraan verbonden wordt.

Andere dan de hiervoor besproken verweren, uitdrukkelijk onderbouwde standpunten of verzoeken heeft het hof daarin niet herkend."

132. Mede gelet op deze "slotoverweging" heeft het hof voornoemd standpunt van de raadsman, waarop het niet afzonderlijk heeft gerespondeerd, kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De raadsman van de verdachte heeft immers enkel in algemene zin zonder nadere onderbouwing opmerkingen gemaakt over de onschuldpresumptie, het zwijgrecht van de verdachte en een mogelijke uitzondering op dit zwijgrecht. Bovendien heeft de raadsman zijn opmerkingen niet voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.(70)

133. Het middel doelt voorts op hetgeen het hof - zoals hiervoor onder 122 is weergegeven - heeft overwogen onder het kopje "essentie van het arrest, sporen van verdachte". In die overweging heeft het hof vastgesteld dat vier biologische sporen van de verdachte op en rond het lichaam van Christel Ambrosius zijn aangetroffen en vervolgens overwogen dat de aanwezigheid van dit DNA-materiaal vraagt om een verklaring van de verdachte. Anders dan de stellers van het middel betogen, levert de enkele opmerking van het hof dat de aanwezigheid van het DNA-materiaal om een verklaring van de verdachte vraagt, geen schending van de onschuldpresumptie op. Bovendien heeft de verdachte zelf geheel vrijwillig zowel bij de politie als op de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2010 verklaard wat volgens hem de reden is van de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal (vrijwillig seksueel contact tussen hem en Christel Ambrosius op de avond voor de moord). In reactie daarop heeft het hof vervolgens uitgebreid gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het geen geloof heeft gehecht aan die lezing van de verdachte. Het hof heeft met andere woorden de lezing van de verdachte en die van het openbaar ministerie afgezet tegen alle resultaten van het vooronderzoek. In deze bewijsredenering heeft de in dit middel gewraakte overweging van het hof evident geen zelfstandige betekenis.

134. Het middel faalt.

135. Het twaalfde middel (in de schriftuur aangeduid als "middel X c") behelst de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op, althans is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte dat er geen sprake is van een "voorkomend geval" zoals bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010/314. Derhalve had het hof de alternatieve toedracht van de verdachte moeten weerleggen met aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden, hetgeen niet is gebeurd, aldus de stellers van het middel.

136. Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2011 overgelegde pleitnota ("Deel VII verklaring cliënt") heeft de raadsman van de verdachte onder het kopje "is cliënt gehouden tot verklaring?" betoogd dat het hof de door de verdachte gestelde "alternatieve toedracht" dient te weerleggen door uitsluiting met bewijsmiddelen, nu geen sprake is van een "voorkomend geval" zoals bedoeld in HR 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010/314. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de zogenaamde "Meer en Vaart-jurisprudentie" van de Hoge Raad volgt dat een "alternatieve toedracht" die wel verenigbaar is met de bewijsmiddelen maar niet met de bewezenverklaring dient te worden uitgesloten door wettig bewijs, tenzij sprake is van een "voorkomend geval". Er kan slechts sprake zijn van een "voorkomend geval", indien het bewijs gelet op de omstandigheden van het geval vraagt om een verklaring zonder welke de gevolgtrekking gerechtvaardigd is dat de verdachte de dader is. In het onderhavige geval is geen sprake van een "voorkomend geval", aangezien er geen bewijs is dat (bij gebreke van een alternatieve toedracht) een veroordeling kan dragen, aldus de raadsman.(71)

137. Wanneer de verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, dient de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken te weerleggen. Dat kan geschieden door de opneming van bewijsmiddelen of door de vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.(72)

138. Blijkens de toelichting neemt het middel als uitgangspunt dat het hof de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet zou hebben uitgesloten door opneming en vermelding van aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. Dat uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en mist daardoor feitelijke grondslag. Het hof heeft in zijn hiervoor onder 123 weergegeven nadere bewijsoverweging ter weerlegging van de aangedragen alternatieve gang van zaken immers uitgebreid gemotiveerd op basis van welke feiten en omstandigheden het van oordeel is dat de alternatieve lezing van de verdachte kan worden uitgesloten. Daarbij heeft het hof wel degelijk aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen het deze feiten en omstandigheden heeft ontleend. Zo heeft het hof ter ontzenuwing van de gestelde geheime seksuele relatie verwezen naar de verklaringen van de tijdens het uitgebreide politieonderzoek gehoorde getuigen, de "dagboeken" die Christel Ambrosius uitwisselde met een vriendin, de verklaring van [betrokkene 1], de verklaringen van de verdachte zelf en de verklaringen van de familie van Christel Ambrosius. Voorts heeft het hof ter ontkrachting van de stelling van de verdachte dat hij op zondag 9 januari 1994 zijn huis niet uit is geweest, verwezen naar de verklaring van de ouders van de verdachte. Daarnaast heeft het hof ter ontzenuwing van de gestelde melding bij een politiebureau verwezen naar de verklaringen van de hierover gehoorde politieambtenaren. Ten slotte heeft het hof ter ontkrachting van de stelling van de verdachte dat hij op zaterdagavond 8 januari 1994 in de woning van zijn ouders seksueel contact heeft gehad met Christel Ambrosius, verwezen naar de verklaringen van de deskundigen Barten en Van Seumeren. Aldus is het oordeel van het hof dat de alternatieve lezing van de verdachte kan worden uitgesloten, in het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter niet onbegrijpelijk.

139. Het middel steunt bovendien op de opvatting dat het hof de gestelde alternatieve lezing enkel had kunnen weerleggen onder verwijzing naar de - in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen - door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht en - zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 137 is vooropgesteld - met name niet in het door de stellers van het middel aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2010. Voor een dergelijke weerlegging is immers volgens die uitspraak toereikend dat het hof in een nadere bewijsoverweging feiten en omstandigheden vermeldt die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen, terwijl het hof ook kan volstaan met het oordeel dat de gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.

140. Het middel faalt.

141. Het dertiende middel (in de schriftuur aangeduid als "middel X d") bevat de klacht dat de door het hof gegeven toepassing van het begrip "alternatieve toedracht" zoals bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010/314 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is het hof afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte dat niet geoordeeld kan worden dat de door de verdachte geschetste alternatieve toedracht - inhoudende dat zijn biologische sporen moeten worden verklaard door vrijwillig (seksueel) contact voorafgaand aan het delict - niet geloofwaardig is, waarbij het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven die tot deze afwijking hebben geleid althans zonder dat het hof de redenen heeft opgegeven die deze afwijking kunnen dragen.

142. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip "alternatieve toedracht", nu bij de beoordeling van de alternatieve toedracht (het gestelde seksuele contact op zaterdagavond 8 januari 1994) de gestelde relatie buiten beschouwing had dienen te blijven.

143. Deze klacht keert zich tegen het volgende onderdeel van de bewijsoverweging van het hof, zoals opgenomen onder het kopje "essentie van het arrest, oordeel hof over verdachtes betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten":

"Op bovenstaande gronden hecht het hof geen geloof aan de door verdachte gestelde relatie en daarom [mijn cursivering; DA] evenmin aan het in dat kader gestelde seksuele contact op de avond van 8 januari 1994."

144. In diezelfde bewijsoverweging heeft het hof ook het volgende overwogen:

"Ook op grond van deze omstandigheden - zeker gezien in samenhang met bovengenoemde omstandigheid dat geen van de gehoorde getuigen verdachtes verhaal bevestigen - hecht het hof aan de lezing van verdachte geen geloof. Dit geldt zowel voor de heimelijke relatie als voor de lezing dat de zaadcelsporen van verdachte die op 9 januari 1994 op de plaats delict zijn aangetroffen afkomstig zouden zijn van seksueel contact op zaterdagavond 8 januari 1994 in het huis van verdachtes ouders en niet in het huis van de oma van Christel."

145. Deze klacht berust op het uitgangspunt dat het hof - door de in de hiervoor onder 143 weergegeven overwegingen opgenomen koppeling ("en daarom") - het gestelde seksuele contact op zaterdagavond 8 januari 1994 niet aannemelijk heeft geacht, omdat het de gestelde relatie niet aannemelijk heeft geacht. Dat uitgangspunt berust echter mede gelet op de hiervoor onder 144 weergegeven overwegingen van het hof op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en mist daardoor feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in reactie op het verweer van de verdediging betreffende de verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van zijn DNA geoordeeld dat het geen geloof hecht aan de door de verdachte gestelde relatie en evenmin aan het door hem gestelde seksuele contact op de avond van 8 januari 1994, terwijl het beide onderdelen van dit oordeel heeft gegrond op de hiervoor onder 123 opgesomde argumenten.

Bovendien heeft de verdachte zelf een verband gelegd tussen enerzijds de geheime, maandendurende relatie met het slachtoffer en anderzijds de door hem gestelde seksuele ontmoeting die in het kader van deze relatie de avond voor de moord zou hebben plaatsgevonden. Indien het eerste onwaarschijnlijk is, heeft dat ook implicaties voor de waarschijnlijkheid van het tweede. Dat het hof beide aspecten tot op bepaalde hoogte in samenhang heeft beschouwd, acht ik dus niet onbegrijpelijk.

146. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat het hof verschillende door de raadsman van de verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn oordeel over de ongeloofwaardigheid van de lezing van de verdachte.

147. Zoals hiervoor bij de bespreking van het tiende en het twaalfde middel is uiteengezet, heeft het hof het door de raadsman naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt betreffende de alternatieve lezing van de verdachte (geheime seksuele relatie en vrijwillig seksueel contact op zaterdagavond) en strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten, op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, behoefde het hof niet expliciet in te gaan op alle in de toelichting op het middel aangevoerde onderdelen van de onderbouwing van dit standpunt. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat immers niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(73)

148. Het middel faalt.

149. Het veertiende middel (in de schriftuur aangeduid als "middel XI") keert zich tegen de hoogte en de motivering van de opgelegde straf. Volgens de stellers van het middel heeft het hof door geen rekening te houden met de samenloopbepalingen een gevangenisstraf opgelegd die van een langere duur is dan het ten tijde van de feiten geldende absolute maximum van twintig jaren en wekt de duur van de opgelegde gevangenisstraf verbazing.

150. Blijkens de toelichting bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het hof de verdachte gelet op de reeds opgelegde straffen in strijd met art. 63 Sr heeft veroordeeld tot een straf van een langere duur dan wettelijk is toegestaan, nu de maximale duur van twintig jaren met ruim veertien maanden is overschreden.

151. Bij de stukken van geding bevinden zich uittreksels justitiële documentatie betreffende de verdachte van 27 maart 2011 en 10 mei 2011. Deze uittreksels houden in dat de verdachte na de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde, op 9 januari 1994 begane, misdrijven van art. 289 Sr (feit 1) en art. 242 Sr (feit 2) wat betreft misdrijven is veroordeeld tot de volgende gevangenisstraffen:

(i) Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden arrest van 15 februari 2005 ter zake van medeplegen van oplichting (meermalen gepleegd) en diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

(ii) De politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 8 januari 2004 ter zake van diefstal (meermalen gepleegd) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

(iii) De politierechter in de rechtbank te Arnhem heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 november 2003 ter zake van gekwalificeerde diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

(iv) Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden arrest van 23 augustus 2002 ter zake van gekwalificeerde diefstal, overtreding van de Wet milieugevaarlijke stoffen (meermalen gepleegd) en overtreding van de Wet milieubeheer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken.

(v) De politierechter in de rechtbank te Zutphen heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 22 maart 2002 ter zake van poging tot diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

(vi) De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 januari 1999 ter zake van poging tot gekwalificeerde diefstal en gekwalificeerde diefstal (meermalen gepleegd) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk.

(vii) De rechtbank in Zutphen heeft de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 juli 1996 ter zake van gekwalificeerde diefstal (meermalen gepleegd) en diefstal (meermalen gepleegd) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

152. Het hof heeft onder het kopje "toepasselijke wettelijke voorschriften" art. 63 Sr aangehaald en onder het kopje "oplegging van straf en/of maatregel" overwogen dat de verdachte sinds 9 januari 1994 weliswaar enkele malen is veroordeeld ter zake van voornamelijk vermogensdelicten maar dat deze veroordelingen niet zo zwaar wegen dat zij op de voet van art. 63 Sr bij de strafoplegging gewicht in de schaal leggen.

153. Voor de beoordeling van deze klacht zijn de volgende wetsartikelen, zoals deze luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, van belang:

- Art. 10 Sr:

"1. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

2. De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren.

3. Zij kan voor ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van de rechter zijn gesteld, en in die waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijftien jaren wordt overschreden.

4. Zij kan in geen geval de tijd van twintig jaren te boven gaan."

- Art. 57 Sr:

"1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.

2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum."

- Art. 63 Sr:

"Indien iemand, na veroordeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeling gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting van toepassing."

- Art. 242 Sr:

"Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie."

- Art. 289 Sr:

"Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie."

154. Voornoemde wettelijke regeling brengt volgens de Hoge Raad mee dat in een geval als het onderhavige

a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter reeds beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl

b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en

c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.(74)

Recentelijk nog heeft Uw Raad volhard in deze jurisprudentie, mede in het licht van het voornemen van de minister van Veiligheid en Justitie om het thema van de meerdaadse samenloop en van art. 63 Sr te herzien.(75)

155. Toepassing van de door Uw Raad geformuleerde regels op het onderhavige geval leidt tot de volgende slotsom. De rechter kon ter zake van de bewezenverklaarde feiten geïsoleerd beschouwd een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren (het in art. 10, vierde lid, (oud) Sr genoemde maximum) opleggen. Voorts had de rechter in geval van voeging van alle hiervoor onder 151 vermelde feiten met de bewezenverklaarde feiten eveneens maximaal een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaren mogen opleggen. De verdachte is intussen ter zake van de hiervoor onder 151 sub i tot en met sub vii vermelde feiten veroordeeld tot (afgerond) 39 maanden gevangenisstraf.(76) Uitgaande van de maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaren, kon het hof dus slechts een tijdelijke gevangenisstraf van (afgerond) zestien jaren en negen maanden opleggen.(77)

156. Door aan de verdachte een tijdelijke gevangenisstraf van achttien jaren op te leggen, heeft het hof de hiervoor onder 154 vermelde regels niet in acht genomen. Het stond het hof weliswaar vrij om in plaats van de resterende tijdelijke gevangenisstraf van zestien jaren en negen maanden een levenslange gevangenisstraf op te leggen, en binnen die grens is de strafoplegging van het hof ruimschoots gebleven, doch juist door te kiezen voor een tijdelijke gevangenisstraf ontstaat de enigszins paradoxale situatie dat het hof zich gesteld had moeten zien voor een strafmaximum dat is verlaagd met de duur van de onder 151 opgesomde, eerder opgelegde vrijheidsstraffen, ook voor zover die straffen zijn opgelegd in voorwaardelijke vorm, en ook al worden die straffen niet aaneensluitend ten uitvoer gelegd.

157. Mocht Uw Raad mij hierin volgen, dan zal deze klacht moeten leiden tot vernietiging van het arrest, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging. Het hof waarnaar Uw Raad de zaak in dat geval zal verwijzen voor het bepalen van de hoogte van de straf wegens de bij het bestreden arrest bewezenverklaarde feiten, zal dan moeten beoordelen of alsnog (bijvoorbeeld uit het oogpunt van bescherming van de samenleving) een levenslange gevangenisstraf is aangewezen, dan wel een tijdelijke gevangenisstraf, en alleen in dat laatste geval overeenkomstig Uw jurisprudentie maximaal voor de duur van (afgerond) zestien jaren en negen maanden.

158. Blijkens de toelichting behelst het middel voorts de klacht dat de door het hof opgelegde gevangenisstraf van achttien jaren verbazing wekt gelet op de eerder aan [B] en [A] voor hetzelfde feitencomplex opgelegde gevangenisstraffen van tien jaren en de door het hof genoemde strafverzwarende omstandigheid betreffende het onderzoek dat de politie heeft moeten doen in het persoonlijke leven van C.C. Ambrosius en haar naaste familie en kennissenkring.

159. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering.(78) Bovendien kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.(79) Alleen wanneer de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en daardoor onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.(80)

160. De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de moord op en de verkrachting van C.C. Ambrosius dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. Vervolgens heeft de rechtbank de verdachte ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat de verdachte ter zake van dezelfde feiten dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren. Tenslotte heeft het hof de verdachte ter zake van de feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren.

161. Het hof heeft in de motivering van de opgelegde straf een uiteenzetting gegeven van de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en daarbij gerefereerd aan de omstandigheid dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan één van de ernstigste levensmisdrijven en één van de ernstigste zedenmisdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, dat de rechtsorde door deze feiten ernstig is geschokt, en dat aan de naaste familie van Christel Ambrosius onnoemelijk veel en onherstelbaar leed is toegebracht en dat in haar vrienden- en kennissenkring een gat is geslagen door het gemis van Christel Ambrosius. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en daarbij in het nadeel van de verdachte gerefereerd aan het feit dat de oma van Christel Ambrosius het half ontklede en ernstig verminkte dode lichaam van haar kleindochter in haar woning heeft gevonden en dat deze huiveringwekkende vondst haar de rest van haar leven moet hebben begeleid. Bovendien heeft het hof bij de strafoplegging de persoon van de verdachte in aanmerking genomen, waarbij het hof heeft gerefereerd aan de omstandigheid dat er over zijn persoon niet veel bekend is geworden omdat hij niet heeft willen meewerken aan een onderzoek door het Pieter Baan Centrum en dat het hof de verdachte ten volle verantwoordelijk houdt voor de tenlastegelegde feiten.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat het wettelijke strafmaximum voor beide feiten in 1994 een tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaren was en dat gedurende de laatste jaren voor verkrachting gemiddeld een gevangenisstraf van twee jaren en voor moord gemiddeld een gevangenisstraf van veertien à vijftien jaren pleegt te worden opgelegd.

Daarnaast heeft het hof als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking genomen dat de verdachte heeft volgehouden dat hij een geheime (vooral seksuele) relatie met Christel Ambrosius heeft gehad, waardoor politie en justitie in het persoonlijke leven van Christel Ambrosius en haar naaste familie en kenniskring hebben moeten wroeten, terwijl het voor haar familie zeer pijnlijk moet zijn geweest dat door de verdachte een beeld van Christel Ambrosius is geschetst dat niet bij haar paste. Het hof heeft eveneens als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking genomen dat door de proceshouding van de verdachte de familie van Christel Ambrosius in het ongewisse blijft over wat er precies is gebeurd en waarom, en dat de verdachte duidelijk heeft gemaakt geen verantwoordelijkheid te nemen voor de verkrachting van en de moord op Christel Ambrosius.

Voorts heeft het hof overwogen dat het - anders dan de advocaat-generaal - het feit dat [B] en [A] wegens het stilzwijgen van de verdachte lange tijd ten onrechte in gevangenschap hebben gezeten niet aanmerkt als een omstandigheid die strafverzwarend behoort te werken, maar dat er geen strafverminderende omstandigheden zijn. Bovendien heeft het hof in de strafmotivering overwogen dat de verdachte sinds 9 januari 1994 weliswaar enkele malen is veroordeeld ter zake van voornamelijk vermogensdelicten, maar dat deze veroordelingen niet zo zwaar wegen dat zij op de voet van art. 63 Sr bij de strafoplegging gewicht in de schaal leggen. Ten slotte heeft het hof nog opgemerkt dat het in het feit dat de misdrijven bijna achttien jaren geleden hebben plaatsgevonden geen aanleiding ziet tot matiging van de op te leggen straf, nu het tijdsverloop in belangrijke mate aan de houding van de verdachte moet worden toegeschreven.

162. Aldus heeft het hof geoordeeld dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming voor de duur van achttien jaren meebrengt. Deze strafoplegging is mede gelet op de in de strafmotivering aangehaalde strafverzwarende omstandigheden voldoende gemotiveerd. Anders dan de stellers van het middel betogen, wekt de door het hof opgelegde straf - gelet op de in eerste aanleg gevorderde en opgelegde straf, de in hoger beroep gevorderde straf, het wettelijke strafmaximum voor beide feiten en de straffen die (in recente vergelijkbare zaken) voor dergelijke delicten plegen te worden opgelegd - geen verbazing, terwijl de motivering daarvan evenmin onbegrijpelijk is. In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte geen strafmaatverweer is gevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

163. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, doet aan de begrijpelijkheid van de strafmotivering niet af dat [A] en [B] bij arresten van het gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995 wegens hetzelfde feitencomplex ter zake van medeplegen van doodslag en medeplegen van verkrachting beiden zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Nog daargelaten dat de verdachte ter zake van moord (en niet voor doodslag) en verkrachting is veroordeeld, kan de zwaarte van bepaalde feiten door verschillende rechters verschillend worden gewaardeerd.

164. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, stond het het hof - gelet op de hiervoor onder 159 vooropgestelde keuzevrijheid van de feitenrechter ten aanzien van de factoren die van belang zijn te achten voor de strafoplegging - vrij om bij de strafoplegging als strafverzwarende omstandigheden in aanmerking te nemen dat politie en justitie door de procesopstelling van de verdachte in het persoonlijke leven van Christel Ambrosius, haar naaste familie en haar kennissen hebben moeten wroeten en dat door de verdachte een beeld van Christel Ambrosius is geschetst dat niet bij haar paste. Dat een deel van het (familie-)onderzoek reeds zou zijn gedaan voordat de verdachte in beeld was gekomen en dat niet de verdachte zelf maar diens raadsman een overzicht heeft gegeven van verklaringen van vrienden van Christel Ambrosius, maakt dat niet anders.

165. Het middel faalt in zoverre, doch zoals gezegd moet de eerste klacht, te weten die ten aanzien van de toepassing van art. 63 Sr, slagen.

166. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte, die zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 10 november 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In het onderhavige geval behoeft de Hoge Raad evenwel niet ambtshalve te onderzoeken of de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.(81)

167. Het achtste middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. De eerste klacht van het veertiende middel leidt tot vernietiging van de strafoplegging. De overige middelen falen en kunnen met uitzondering van het derde middel en de eerste klacht van het vijfde middel worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

168. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 12 oktober 2010, LJN BN0526, NJ 2011/537 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3.2, HR 21 september 2010, LJN BM9141, NJ 2010/520, rov. 2.5, HR 2 juni 2009, LJN BH9920, NJ 2009/278, rov. 2.5.1, HR 25 maart 2008, LJN BC3785, NJ 2008/211, rov. 3.3, HR 22 januari 2008, LJN BC1311, NJ 2008/193 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, HR 14 oktober 1997, LJN ZD0819, NJ 1998/187 m.nt. Knigge, rov. 5.2 en HR 26 mei 1992, NJ 1992, 676 m.nt. 't Hart, rov. 6.4.

2 Zie rechtbank Amsterdam 22 oktober 2010, LJN BO1532.

3 Vgl. de jurisprudentie inzake het gesloten stelsel van rechtsmiddelen: HR 7 september 2004, LJN AP2257, NJ 2004/608, rov. 3.3 (beslissing rechter-commissaris als bedoeld in art. 59a Sv), HR 22 juni 2004, LJN AO8320, NJ 2004/561 m.nt. Mevis, rov. 4.3 (beschikking raadkamer inzake voorlopige hechtenis), HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.4.2 (bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris) en HR 8 mei 2001, LJN AB1566, NJ 2001/587 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3 (verzuimen bij aanhouding en inverzekeringstelling).

4 De stellers van het middel wekken de indruk te doelen op de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, nu in de schriftuur de term "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" wordt gebezigd. Het gaat hier echter om een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (waarvoor de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv in verbinding met art. 358, derde lid, Sv geldt) dan wel om een beroep op vormverzuimen (waarop de motiveringsplicht van art. 359a, derde lid, Sv van toepassing is). De term "verweer" zou derhalve meer op zijn plaats zijn geweest.

5 In de schriftuur aangeduid als "Deel IX".

6 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 202-203.

7 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de raadsman heeft betoogd dat diverse vormen in het vooronderzoek zijn verzuimd maar dat het hof ten aanzien van de afzonderlijke gestelde vormverzuimen geen beslissing heeft genomen.

8 Vgl. ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

9 Zie mijn eerdere opmerking in noot 4 bij het tweede middel ten aanzien van het gebruik van de term "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt".

10 In de schriftuur aangeduid als "Deel IX".

11 Daarnaast heeft de raadsman ter onderbouwing van het verweer ook de bij de bespreking van het tweede middel weergegeven (andere) argumenten aangedragen. Het derde middel heeft enkel betrekking op het argument van het zoekraken, vernietigen en tenietgaan van sporenmateriaal.

12 Vgl. HR 19 februari 2013, LJN BY5322, rov. 2.4.2 en HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.6.4.

13 Vgl. HR 29 november 2011, LJN BT7104, NJ 2012/146 m.nt. Borgers, rov. 2.4 en HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.6.5.

14 De Hoge Raad heeft op 16 september 1994 de cassatieberoepen tegen de arresten van het gerechtshof te Arnhem, inhoudende de veroordelingen van [B] en [A], verworpen.

15 Vgl. HR 4 januari 2011, LJN BM6673, NJ 2012/145 m.nt. Borgers, rov. 3.2.2. en 3.5.

16 Vgl. HR 29 januari 2013, LJN BY2814, rov. 2.3.2, HR 29 januari 2013, LJN BY0816, rov. 3.4.1 en HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.4.2.

17 HR 19 februari 2013, LJN BY5321 en LJN BY5322, HR 29 januari 2013, LJN BY0816 en BY2814.

18 In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof in zijn beoordeling ten onrechte niet heeft betrokken dat door de raadsman is aangevoerd dat buitengewoon slordig is omgegaan met de wel bewaarde sporen en de administratie daarvan en dat door het vernietigen en het zoekraken van diverse stukken en onderzoeksmateriaal er geen mogelijkheid meer is voor nader onderzoek met de nieuwste onderzoekstechnieken en voor een contra-expertise.

19 Vgl. ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

20 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel IV technisch bewijs", p. 54-88 ("nagelvuil").

21 Voor een volledige uiteenzetting van de bewijsconstructie verwijs ik kortheidshalve naar de bespreking van het tiende middel.

22 Vgl. HR 31 januari 2012, LJN BU6064, rov. 3.3, HR 1 april 2003, LJN AF3121, NJ 2003/553, rov. 3.3 en HR 27 juni 2000, LJN ZD1915, NJ 2000/580, rov. 4.4.

23 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.1.

24 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

25 De verdachte heeft ook zijn eerste verklaring niet ondertekend omdat hij zijn advocaat eerst de gelegenheid wil geven om het dossier te bekijken, terwijl hij zijn tweede verklaring niet heeft ondertekend aangezien hij eerst overleg met zijn advocaat wilde.

26 In het eerste politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat de relatie tussen hem en Christel Ambrosius negen à tien maanden heeft geduurd, terwijl hij in het tweede politieverhoor heeft verklaard dat de intieme relatie tussen hem en Christel ongeveer zes à zeven maanden heeft geduurd.

27 Op de terechtzittingen in eerste aanleg heeft de verdachte afgezien van zijn laatste woord geen verklaring afgelegd.

28 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel VII verklaring cliënt", p. 18-25 (nr. 5.1-5.2).

29 Vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 m.nt. Schalken, rov. 2.7.2.

30 Vgl. HR 13 september 2011, LJN BQ8907, NJ 2011/556 m.nt. Schalken, rov. 2.5.

31 Vgl. HR 2 oktober 2012, LJN BX5111, rov. 3.5.

32 Vgl. HR 22 januari 2013, LJN BY7886, NJ 2013/71, rov. 2.5, HR 12 juni 2012, LJN BW6864, NJ 2012/463 m.nt. Reijntjes, rov. 2.3.1, HR 15 mei 2012, LJN BU8773, NJ 2012/398 m.nt. Van Kempen, rov. 3.4 en HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 m.nt. Schalken, rov. 2.5.

33 Deze appelschriftuur is blijkens een daarop geplaatste stempel op 5 november 2009 bij de rechtbank te Zutphen ingekomen. Het verzoek is opgenomen in de aan de appelschriftuur gehechte "getuigenlijst ten behoeve van hoger beroep Puttense zaak". Deze lijst bevat het verzoek om in totaal 67 deskundigen en 78 getuigen op te roepen.

34 In de toelichting op het middel wordt verduidelijkt dat hiermee wordt gedoeld op de herziening van zijn deskundigenoordeel [onder meer op basis waarvan de herzieningsaanvraag in "de Puttense moordzaak I" gegrond is verklaard; DA].

35 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010, p. 9.

36 Het hof heeft het verzoek tot het horen van de deskundigen E.G.C.A. van Seumeren (gynaecoloog) en E.J. Barten (uroloog) wel toegewezen.

37 De "op schrift gestelde verzoeken en toelichting" (bijlage 2) van 24 mei 2011, p. 32 (nr. 14).

38 Vgl. HR 4 maart 2008, LJN BC3678, NJ 2008/157, rov. 3.5.1.

39 Vgl. HR 12 mei 2009, LJN BG9964, rov. 2.4 (ten aanzien van een op de zitting herhaald getuigenverzoek) en HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.3.1.

40 Vgl. zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, LJN BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

41 Zoals bij de bespreking van het zesde middel in noot 34 reeds is opgemerkt, is deze appelschriftuur blijkens een daarop geplaatste stempel op 5 november 2009 bij de rechtbank te Zutphen ingekomen. Het verzoek is opgenomen in de aan de appelschriftuur gehechte "getuigenlijst ten behoeve van hoger beroep Puttense zaak". Deze lijst bevat het verzoek om in totaal 67 deskundigen en 78 getuigen op te roepen.

42 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010, p. 9.

43 Dit faxbericht is blijkens een daarop geplaatste stempel op 11 mei 2010 bij de griffie van het hof ingekomen.

44 Dit faxbericht is blijkens een daarop geplaatste stempel op 26 mei 2010 bij de griffie van het hof ingekomen.

45 Bedoeld wordt: J.W. de Keijser, H. Elffers, R.M. Kok & M.J. Sjerps, Bijkans begrepen? Feitelijk en vermeend begrip van forensische deskundigenrapportages onder rechters, advocaten en deskundigen, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009.

46 De "op schrift gestelde verzoeken en toelichting" (bijlage 2) van 24 mei 2011, p. 13-15 (nr. 10.2).

47 Vgl. HR 12 mei 2009, LJN BG9964, rov. 2.4 (ten aanzien van een op de zitting herhaald getuigenverzoek) en HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.3.1.

48 Vgl. HR 14 december 2010, LJN BO2966, NJ 2011/313 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3.1, HR 25 maart 2008, LJN BC6007, NJ 2008/210, rov. 3.3 en HR 14 maart 2000, LJN ZD1879, NJ 2000/519, rov. 3.7.

49 Vgl. zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, LJN BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

50 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel IV technisch bewijs", p. 41 (nr. 14.9).

51 Vgl. HR 12 mei 2009, LJN BG9964, rov. 2.4 (ten aanzien van een op de zitting herhaald getuigenverzoek) en HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.3.1.

52 Vgl. HR 28 juni 2011, LJN BQ3742, rov. 2.4, HR 13 april 2010, LJN BL4055, rov. 3.4, HR 30 juni 2009, LJN BI4073, rov. 2.6, HR 9 juni 2009, LJN BI0505, rov. 2.4, HR 24 juni 2008, LJN BD0429, rov. 3.3, HR 16 oktober 2007, LJN BB2968, NJ 2007/570, rov. 5.3, HR 17 april 2007, LJN AZ7120, NJ 2007/251, rov. 3.3 en HR 31 januari 2006, LJN AU5632, rov. 3.3.

53 Vgl. HR 16 november 2010, LJN BN0008, NJ 2011/355 m.nt. Buruma, rov. 2.4, HR 13 januari 2009, LJN BG4829, NJ 2009/60, rov. 2.5, HR 11 maart 2008, LJN BC4460, NJ 2008/174, rov. 3.4, HR 5 juli 2005, LJN AT5727, NJ 2005/366, rov. 3.6, HR 9 september 2003, LJN AF8779, NJ 2003/726, rov. 3.7, HR 12 maart 2002, LJN AD8903, NJ 2002/448, rov. 5.4 en HR 3 juli 2001, LJN ZD2788, NJ 2001/535, rov. 3.3.

54 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel I herhaling verzoeken", p. 2-4.

55 Vgl. HR 22 mei 2012, LJN BW6199, NJ 2012/349, rov. 2.3, HR 5 juli 2011, LJN BQ6562, NJ 2011/328, rov. 3.4, HR 31 mei 2011, LJN BO6332, NJ 2011/275, rov. 3.4 en 3.5, HR 11 januari 2011, LJN BO1287, NJ 2011/45, rov. 2.4, HR 11 januari 2011, LJN BO1590, rov. 2.4, HR 29 juni 2010, LJN BL7709, NJ 2010/409, rov. 2.3 en 2.4, HR 16 november 2004, LJN AR3202, rov. 4.3 en HR 16 november 1999, LJN ZD1451, NJ 2000/214 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3.

56 Dit oordeel heeft betrekking op het verzoek voor zover dit is gedaan ten aanzien van "het scenario [C] en [D]" en "het scenario [B] en [A]". Voor zover het verzoek is gedaan ten aanzien van "het scenario [E]" heeft het hof op niet onbegrijpelijke wijze geoordeeld dat het geen beslissing meer behoeft.

57 Ten aanzien van het verzoek om Peter R. de Vries als getuige te horen is de grondslag van de maatstaf ("het noodzakelijkheidscriterium") art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. Dit betreft immers een herhaald verzoek, nadat het hof het initiële verzoek (bij appelschriftuur gedaan en op de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2010 gehandhaafd) bij tussenarrest van 4 maart 2010 heeft afgewezen.

58 Vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.2.5 en 3.3.

59 Dit oordeel heeft betrekking op het verzoek voor zover dit is gedaan ten aanzien van "het scenario [C] en [D]" en "het scenario [B] en [A]". Voor zover het verzoek is gedaan ten aanzien van "het scenario [E]" heeft het hof op niet onbegrijpelijke wijze geoordeeld dat het geen beslissing meer behoeft.

60 Vgl. zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, LJN BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

61 Vgl. HR 23 september 2008, LJN BD3900, NJ 2008/524, rov. 3.4 en HR 16 september 2008, LJN BD3654, NJ 2008/514, rov. 3.5.

62 Vgl. HR 15 januari 2008, LJN BA7888, NJ 2008/609 m.nt. Mevis, rov. 4.3.

63 Dit oordeel heeft betrekking op het verzoek voor zover dit is gedaan ten aanzien van "het scenario [C] en [D]" en "het scenario [B] en [A]". Voor zover het verzoek is gedaan ten aanzien van "het scenario [E]" heeft het hof op niet onbegrijpelijke wijze geoordeeld dat het geen beslissing meer behoeft.

64 Vgl. de in noot 50 reeds aangehaalde zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, LJN BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

65 Uit het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011 blijkt dat het desbetreffende onderdeel van het pleidooi op 13 oktober 2011 door de raadsman is voorgedragen.

66 Vgl. ten aanzien van de uitleg van verweren A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 202-203.

67 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel VIII alternatieve scenario's", p. 15-16 (nr. 8).

68 De samenvatting van dit verweer is ontleend aan de weergave daarvan zoals opgenomen in het arrest van het hof onder het kopje "essentie van het arrest, verklaring van verdachte".

69 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel VII verklaring cliënt", p. 7-8 (nr. 2.1 t/m 2.3).

70 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

71 Pleitnota in hoger beroep van 12 en 13 oktober 2011, "Deel VII verklaring cliënt", p. 8-10 (nr. 2.5 t/m 2.7).

72 Vgl. HR 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010/314, rov. 2.5.

73 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

74 Vgl. HR 19 februari 2013, LJN BX9407, rov. 4.4.1, HR 29 november 2005, LJN AU2227, NJ 2006/176 m.nt. Mevis, rov. 3.6 en HR 19 april 2005, LJN AS5556, NJ 2006/10 m.nt. Mevis, rov. 3.5 en 3.6.

75 Zie nogmaals HR 19 februari 2013, LJN BX9407, rov. 4.4.1, alsook de lezenswaardige vordering tot cassatie in het belang der wet van mijn ambtgenoot Machielse, die aanleiding gaf tot deze uitspraak. Machielse noemt het - kort gezegd - "opvallend" dat in art. 63 Sr geen uitzondering is gemaakt voor het geval waarin (zoals in casu) de eerder opgelegde straffen niet aaneengesloten worden geëxecuteerd met de onderhavige.

76 3 maanden + 4 weken + 3 weken + 12 weken + 1 maand + 21 maanden + 9 maanden = 34 maanden en 19 weken = 34 maanden en 133 dagen (19 weken x 7 dagen) = 34 maanden en 4 maanden en 13 dagen = (naar boven afgerond) 39 maanden. Hierbij zij aangetekend dat ook (deels) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen volledig zijn meegeteld.

77 20 jaren -/- 39 maanden = 20 jaren -/- (3 jaren en 3 maanden) = 16 jaren en 9 maanden.

78 Vgl. HR 21 november 2006, LJN AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, LJN AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, NS 2004, 18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 287.

79 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 285.

80 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 286-288, G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 772-773, HR 2 juni 2009, LJN BH8313, NJ 2009/283 en HR 17 oktober 2006, LJN AY0190, NJ 2006/578.

81 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.