Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ9965

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-04-2013
Datum publicatie
15-07-2013
Zaaknummer
12/02529
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ9965, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huur. Opzegging; art. 7:228 lid 2 BW. Veroordeling tot ontruiming. Eindarrest dat voortbouwt op in cassatie vernietigd tussenarrest (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280, NJ 2012/411). Vernietiging van dat eindarrest in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/396
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 12/02529

Mr M.H. Wissink

Zitting: 26 april 2013

conclusie inzake

[eiser], h.o.d.n. [A],

wonende te [woonplaats], België,

eiser tot cassatie, verweerder in het incident

tegen

STICHTING BERREGRATTE,

gevestigd te Maastricht,

verweerster in cassatie, eiseres in het incident

In deze zaak wordt vernietiging gevorderd van een eindarrest, dat voortbouwt op een deelarrest waartegen met succes cassatie is ingesteld.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 De stichting Berregratte was hoofdhuurder van een terrein gelegen aan de [a-straat] te Maastricht. Vanaf 1997 was de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten (hierna: Natuurmonumenten) de (hoofd)verhuurder. Berregratte exploiteerde een deel van het terrein als speeltuin. Een ander deel was (onder)verhuurd aan [eiser], die daar onder de naam [A] outdoor-activiteiten organiseerde.

1.2 Bij brief van 28 juni 2007 aan [eiser] heeft Berregratte de huur per 31 augustus 2007 opgezegd. [eiser] heeft zich tot de kantonrechter te Maastricht gewend en onder meer gevorderd, kort gezegd, te bepalen dat de huuropzegging geen effect sorteert en Berregratte te veroordelen om [eiser] het rustig genot van het gehuurde te verschaffen. In reconventie heeft Berregratte gevorderd dat [eiser] zou worden veroordeeld tot ontruiming. De Rechtbank Maastricht, sector Kanton, heeft bij vonnis van 25 juni 2008 de vermelde vorderingen van [eiser] toegewezen en de overige vorderingen afgewezen.

1.3 Berregratte is in hoger beroep gegaan. Het hof heeft in een deelarrest van 14 december 2010 het vonnis vernietigd en de (meeste) vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen. Het hof heeft daartoe, met name, overwogen dat Berregratte op grond van artikel 7:228 lid 2 BW bevoegd was de huurovereenkomst door opzegging te beëindigen en dat dit slechts anders zou zijn indien geoordeeld zou moeten worden dat Berregratte misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid, waarvan naar het oordeel van het hof geen sprake is (rov. 4.5). De bij de opzegging vermelde opzeggingstermijn was echter te kort en het hof heeft beslist dat de huurovereenkomst geacht moet worden te zijn geëindigd op 31 december 2007 (rov. 4.6). De beslissing omtrent het ontruimingsverzoek van Berregratte heeft het hof aangehouden, omdat de vraag of ontruimd moest worden afhing van de uitkomst van een procedure tussen [eiser] en Natuurmonumenten over de vraag of tussen hen een huurovereenkomst tot stand was gekomen (rov. 4.7).

Op 14 maart 2011 heeft [eiser] cassatieberoep ingesteld tegen het deelarrest.

1.4 In een procedure tussen [eiser] en Natuurmonumenten heeft hof 's-Hertogenbosch bij arrest van 26 juli 2011 geoordeeld dat geen sprake was van een huurovereenkomst met Natuurmonumenten waaraan [eiser] het recht tot verder gebruik van het terrein kon ontlenen, de vorderingen van [eiser] in die procedure afgewezen en geoordeeld dat hij tot ontruiming moest overgaan.(2)

Op 25 oktober 2011 heeft [eiser] cassatieberoep tegen dat arrest ingesteld.

1.5 In de procedure tussen [eiser] en Berregratte heeft hof 's-Hertogenbosch vervolgens op 29 november 2011 het thans in cassatie bestreden eindarrest gewezen. Hierin is geoordeeld dat, gezien het arrest tussen [eiser] en Natuurmonumenten, [eiser] het terrein moest ontruimen (na betekening van het eindarrest). Dat er cassatieberoep was ingesteld in de procedure tussen [eiser] en Natuurmonumenten deed daar niets aan af, aldus het hof.

1.6 [eiser] heeft tijdig, bij cassatiedagvaarding van 1 februari 2012, cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest. Dat cassatieberoep is hier aan de orde. Op 22 juni 2012 heeft Berregratte geconcludeerd tot verwerping en een incidentele vordering ingesteld, die erop neerkomt dat het bestreden arrest door de Hoge Raad uitvoerbaar bij voorraad verklaard zou worden.

1.7 Ambtshalve voeg ik hieraan het volgende toe.

In de procedure tussen [eiser] en Berregratte heeft Uw Raad bij arrest van 29 juni 2012, LJN BW1280, NJ 2012/411, het bij 1.3 bedoelde deelarrest van het hof 's-Hertogenbosch van 14 december 2010 vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Arnhem ter verdere behandeling. Het oordeel van uw Raad kwam erop neer dat het hof in het deelarrest blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat bij de vraag of Berregratte mocht opzeggen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is.

In de procedure tussen [eiser] en Berregratte heeft Uw Raad bij arrest van 28 september 2012, LJN BX0358, het cassatieberoep van [eiser] tegen het bij 1.5 bedoelde arrest verworpen, waardoor tussen die partijen definitief vast kwam te staan dat tussen hen geen huurovereenkomst tot stand was gekomen.

1.8 Ter zitting van 10 augustus 2012 heeft de advocaat van [eiser] zich onttrokken, zoals aangekondigd in diens brief van 7 augustus 2012 aan uw Raad waarin ook vermeld staat dat de advocaat [eiser] heeft gewezen op de gevolgen van de onttrekking. Er heeft zich geen vervangende advocaat gesteld. Berregratte heeft haar standpunt nog schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Vooraf merk ik op dat de onttrekking van de advocaat van [eiser] in deze cassatieprocedure geen schorsing tot gevolg heeft. De onttrekking van de advocaat van een partij is naar vaste rechtspraak van uw Raad een die partij persoonlijk betreffende omstandigheid, zodat het redelijker is dat deze zelf in nieuwe procesvertegenwoordiging voorziet,(3) dan dat de wederpartij zich kosten en moeite moet getroosten om voortzetting mogelijk te maken en er vertraging kan ontstaan. Zo lang zich geen andere advocaat heeft gesteld, heeft dat tot gevolg dat de betreffende partij geen proceshandelingen meer kan verrichten.(4)

2.2 De cassatiedagvaarding bevat één middel, dat vier klachten bevat in de onderdelen 1.4, 1.5, 1.7 en 2.1.

2.3 Onderdeel 1.4 slaagt. Het bevel tot ontruiming bouwt onmiskenbaar voort op de beslissing in het deelarrest. De gedachtegang van het hof was dat ontruiming zou moeten plaatsvinden als [eiser] geen geldige titel meer zou kunnen ontlenen aan zijn rechtsverhouding met Berregratte en er (ook) geen huurovereenkomst zou bestaan met Natuurmonumenten. Dat laatste staat inmiddels onherroepelijk vast, maar zoals hiervoor bij 1.7 is vermeld, is het deelarrest in de onderhavige procedure vernietigd wat betreft het oordeel over het eindigen van de overeenkomst tussen [eiser] en Berregratte, met verwijzing.

De vernietiging van een uitspraak treft tevens de beslissingen die daarop voortbouwen, ongeacht of zij in dezelfde of een latere uitspraak zijn opgenomen.(5) Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een later, afzonderlijk arrest niet van rechtswege vervalt na vernietiging van een eerder arrest. De meest gerede partij dient cassatie in te stellen tegen het eindarrest om vernietiging te bewerkstelligen.(6) Dat is wat [eiser] heeft gedaan. Dat hij het cassatieberoep had ingesteld voordat het deelarrest was vernietigd, maakt dat niet anders. De strekking van onderdeel 1.4 is immers, dat bij vernietiging van het deelarrest, de grondslag aan (de beslissing tot ontruiming in) de einduitspraak zou ontvallen.

2.4 Onderdeel 1.7 bevat een voortbouwende klacht die ook slaagt. Onderdeel 1.5 dient gezien de uitkomst van het cassatieberoep in de zaak tussen [eiser] en Natuurmonumenten te falen. Onderdeel 2.1 behoeft geen behandeling.

2.5 De slotsom is dat gezien de uitspraak van Uw Raad van 29 juni 2012 ook het in deze cassatieprocedure bestreden eindarrest moet worden vernietigd. In verband daarmee is voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring van dit eindarrest geen plaats. De incidentele vordering dient dan ook te worden afgewezen.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het deelarrest in deze procedure van het hof 's-Hertogenbosch van 14 december 2010, LJN BQ2351, het thans in cassatie bestreden arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 29 november 2011 en de bij de cassatiedagvaarding gevoegde processtukken.

2 Het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 26 juli 2011 (zaaknr. 200.029.267) is bij akten van 30 augustus 2011 door beide partijen in het geding gebracht (het arrest is overigens gepubliceerd op www.rechtspraak.nl als LJN BQ9253, maar vermeldt daar als datum 21 juni 2011).

3 Inmiddels zijn circa acht maanden na de onttrekking verstreken. Ik meen dat [eiser] daarmee voldoende gelegenheid heeft gehad om een andere advocaat in de arm te nemen.

4 HR 1 maart 1974, LJN AB3384, NJ 1975/6 m.nt. WLH; HR 2 februari 2001, LJN AA9764, NJ 2002/372NJ 2002/372 m.nt. H.J. Snijders. Zie voorts de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent, nrs. 2.16-2.21 voor HR 10 februari 2006, LJN AU6519, NJ 2006/405; GS Burgerlijke Rechtsvordering (P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt), art. 226 Rv, aant. 4, met verdere verwijzingen. Dit geval wordt niet bestreken door art. 418a jo 226 Rv.

5 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 176.

6 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nrs. 69 en 176.