Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ9961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-05-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
12/00394
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ9961, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Nakoming vaststellingsovereenkomst gemeente. Inspanningsverplichting verlening bouwvergunningen? Uitleg grondslag vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/372
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/00394

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 3 mei 2013

CONCLUSIE inzake:

1. T.S. Agro Beheer B.V.,

2. T.S. Agro Onroerend Goed B.V. in liquidatie,

3. T.S. Agro Products Im- Export B.V. in liquidatie,

4. [eiser 4],

eisers tot cassatie

tegen:

Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,

verweerster in cassatie

Deze zaak betreft in cassatie de vraag of de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals door het hof zijn vastgesteld in rov. 3 t/m rov. 13 van zijn arrest van 17 augustus 2010.(1) Samengevat - en voor zover in cassatie nog relevant - gaat het om de volgende feiten.

1.1.1 Verweerster in cassatie (hierna: De Gemeente) heeft op 22 juli 1991 en 8 juli 1992 overeenkomsten gesloten met eisers tot cassatie (hierna: T.S. Agro c.s.) ter zake van de ontwikkeling en realisatie van een golfterrein, gelegen op gronden in Hendrik-Ido-Ambacht die T.S. Agro c.s. in eigendom hadden verworven. De Gemeente heeft in dat kader aan T.S. Agro c.s. een vergunning verleend ingevolge de Wet milieubeheer ('milieuvergunning') en het bestemmingsplan "Golfbaan" vastgesteld. De golfbaan is (gedeeltelijk) in gebruik genomen. Vervolgens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zowel de milieuvergunning als het goedkeuringsbesluit betreffende het bestemmingsplan vernietigd, de milieuvergunning alsnog geweigerd en de goedkeuring aan het bestemmingsplan Golfbaan alsnog onthouden. T.S. Agro c.s. hebben de exploitatie van de golfbaan dientengevolge gestaakt.

1.1.2 Op 23 december 1999 hebben T.S. Agro c.s. de Gemeente gedagvaard en schadevergoeding gevorderd.(2)

1.1.3 Blijkens een gespreksverslag van 6 november 2000(3) is in een bespreking tussen de Gemeente en T.S. Agro c.s. het volgende onderwerp aan de orde geweest:

"3. Bouwvergunningen.

De bedoeling van [eiser 4] is op de achterliggende percelen [A 001] en [002] in totaal twee woningen te realiseren. Op grond van het huidige bestemmingsplan is dit niet mogelijk. Het nieuwe bestemmingsplan De Volgerlanden-Betuweroute is nog niet in werking getreden (...). Om woningbouwontwikkeling (...) mogelijk te maken, dient de gemeente een herziening van het bestemmingsplan voor te bereiden. (...).

De gemeente is bereid de wens van [eiser 4] tot het bouwen van de twee woningen te betrekken bij het (laten) opstellen van de toekomstige stedenbouwkundige uitwerkingen van het betrokken gebied. Het stedenbouwkundig plan is daarbij leidend, en niet het realiseringsplan voor de twee op te richten woningen. Afhankelijk van de mogelijkheden tot stedenbouwkundige inpassing van de twee te bouwen woningen en de uitkomsten van de procedure tot herziening van het bestemmingsplan, kan op dit moment nog geen medewerking aan de bouwwensen van [eiser 4] worden verleend."

1.1.4 Vervolgens hebben partijen een "Grondaan- en verkoopovereenkomst" gesloten, waarbij (1) met gesloten beurzen stukken grond tegen elkaar zijn ingeruild en (2) wordt verwezen naar een door beide partijen op 17 juli 2001 voor akkoord getekend afsprakenoverzicht, dat als bijlage bij de overeenkomst is gevoegd (hierna tezamen: de vaststellingsovereenkomst).(4) Overeenkomstig hetgeen is overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst hebben T.S. Agro c.s. (onder andere) de onder 1.1.2 bedoelde procedure beëindigd.(5) In de vaststellingsovereenkomst is voorts onder (veel) meer het volgende tussen partijen overeengekomen (hierna: art. 3 van de vaststellingsovereenkomst):

"Bouwplan percelen Vrouwgelenweg:

3. de gemeente is bereid het bouwplan van TSA voor een woning op perceel [A 001] (ged.) en een woning op perceel [002] (ged) te betrekken bij het opstellen van de toekomstige stedenbouwkundige uitwerkingen voor het gebied De Volgerlanden oost, onder het voorbehoud van het positieve verloop van de procedure tot herziening van het bestemmingsplan De Volgerlanden/Betuweroute voor het gebied De Volgerlanden oost te zijner tijd;

Het stedenbouwkundig plan is daarbij leidend ten opzichte van het realiseringsplan voor de twee woningen."

1.2 Bij inleidende dagvaarding van 19 juni 2007 hebben T.S. Agro c.s. de Gemeente gedagvaard voor de rechtbank Dordrecht. Zij hebben gevorderd dat de vaststellingsovereenkomst wordt ontbonden behoudens wat betreft de daarin vermelde grondruil, alsmede dat de Gemeente wordt veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Daaraan hebben Agro c.s. ten grondslag gelegd dat de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen volgende uit - onder meer en voor zover in cassatie relevant - art. 3 van de vaststellingsovereenkomst.

De Gemeente heeft nog een reconventionele vordering ingesteld, die in cassatie geen rol meer speelt.(6)

1.3 In haar vonnis van 16 april 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat T.S. Agro c.s. onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd dat de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van art. 3 van de vaststellingsovereenkomst (rov. 5.5). De rechtbank heeft in conventie de vorderingen afgewezen.

1.4 T.S. Agro c.s. zijn van het vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof 's-Gravenhage met conclusie dat het hof het vonnis vernietigt en de vorderingen in conventie alsnog toewijst.

1.5 In zijn tussenarrest van 17 augustus 2010 heeft het hof geoordeeld dat hem niet is gebleken van een tekortkoming in de nakoming van de afspraak genoemd in art. 3 van de vaststellingsovereenkomst en dat de grieven met betrekking tot art. 3 van de vaststellingsovereenkomst falen (rov. 20 en 24).(7) Het hof heeft wat betreft een andere kwestie - namelijk de gestelde schending door de Gemeente van een gebruiksrecht van gronden en een schuur van de Gemeente ingevolge art. 10 en 12 van de vaststellingsovereenkomst - T.S. Agro c.s. toegelaten tot het leveren van bewijs (rov. 21).

1.6 In zijn eindarrest van 27 september 2011 heeft het hof geoordeeld dat T.S. Agro c.s. in het leveren van het opgedragen bewijs zijn geslaagd.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de Gemeente veroordeeld tot vergoeding van de schade die T.S. Agro c.s. hebben geleden ten gevolge van de voortijdige opzegging en ontruiming van de Gemeentegrond en de schuur, met afwijzing van het overigens gevorderde.

1.7 T.S. Agro c.s. hebben tijdig(8) beroep in cassatie ingesteld tegen de arresten van 17 augustus 2010 en 27 september 2011. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht; T.S. Agro c.s. hebben nog gerepliceerd.

2. Beoordeling van het cassatieberoep

2.1 Het cassatieberoep valt uiteen in twee onderdelen ('klachten'). Het richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 20 van zijn tussenarrest van 17 augustus 2010.

2.2 De in cassatie bestreden rov. 20 van het tussenarrest van 17 augustus 2010 en de daaraan voorafgaande overwegingen luiden als volgt:

"18. TS Agro is in hoger beroep gebleven bij zijn vordering tot partiële ontbinding van de vaststellingsovereenkomst en schadevergoeding op de grond dat de Gemeente tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst (...)

19. (...) TS Agro heeft in dat verband gewezen op de toezeggingen die door de Gemeente zijn gedaan, danwel verwachtingen die door de Gemeente zijn gewekt in het kader van de volgende in de vaststellingsovereenkomst genoemde kwesties:

- de kwestie "bouwplannen [a-straat]" (artikel 3 vaststellingsovereenkomst);

(...)

20. Bouwplannen Vrouwgelenweg

TS Agro heeft aangevoerd dat de onder punt 3 van de vaststellingsovereenkomst bedoelde verplichting van de Gemeente betrekking had op een concreet woningbouwplan op een concrete locatie, die exclusief van aard was, zodat de Gemeente door het aangaan van een soortgelijke verplichting jegens een ander de vaststellingsovereenkomst in zoverre heeft geschonden. De Gemeente heeft de gestelde tekortkoming bestreden, betwist dat onder punt 3 van de vaststellingsovereenkomst meer of anders is overeengekomen dan hetgeen er in letterlijke bewoordingen is opgenomen en aangevoerd dat zij dienovereenkomstig steeds bereid is gebleven het bouwplan van TS Agro te betrekken bij het opstellen van de toekomstige stedenbouwkundige uitwerkingen voor het gebied. TS Agro heeft geen nadere onderbouwing, uitwerking of concretisering gegeven van zijn stelling dat hij bij de toegezegde medewerking van de Gemeente aan het desbetreffende bouwplan exclusiviteit genoot, hetgeen met het oog op de gemotiveerde betwisting door de Gemeente van TS Agro had mogen worden verwacht. Uit de gespreksverslagen van vóór de vaststellingsovereenkomst blijkt integendeel dat de Gemeente TS Agro telkens heeft voorgehouden dat de eventuele realisering van de door TS Agro beoogde bouwplannen in de eerste plaats afhankelijk is van het verloop van de procedure tot herziening van het bestemmingsplan en de mogelijkheden tot stedenbouwkundige inpassing en dat het nog een hele tijd kan duren voordat in het betreffende gebied daadwerkelijk woningen kunnen worden gerealiseerd. In het verslag van 6 november 2000(9) wordt daaraan toegevoegd dat om die reden op dat moment nog geen medewerking aan de bouwwensen van [eiser 4] kon worden verleend. Tegen die achtergrond kan niet worden aangenomen dat TS Agro een ruimere betekenis mocht toekennen aan hetgeen in punt 3 van de vaststellingsovereenkomst is neergelegd dan hetgeen er in letterlijke bewoordingen is opgenomen, welke bewoordingen bovendien geheel in lijn zijn met hetgeen blijkens het besprekingsverslag van 6 november 2000 op dit punt tussen partijen is besproken.

Dat de Gemeente zich niet heeft gehouden aan haar in artikel 3 bedoelde inspanningsverplichting is het hof voorts niet kunnen blijken. Voor zover TS Agro zich in dit verband ten pleidooie nog heeft beroepen op een schriftelijke weigering van de Gemeente tot het verlenen van medewerking aan een bouwplan op de desbetreffende percelen(10), gaat het hof daaraan voorbij nu de Gemeente het bestaan van een dergelijke weigering heeft betwist en TS Agro zijn stellingen dienaangaande niet verder heeft onderbouwd. De grieven met betrekking tot dit onderdeel van de vaststellingsovereenkomst falen."

2.3 Onderdeel 1, dat uiteenvalt in de subonderdelen 1.a t/m 1.d, stelt de vragen aan de orde of art. 3 van de vaststellingsovereenkomst niet alleen betrekking heeft op de (in dat artikel genoemde) percelen 9590 en 9595, maar ook op de percelen [003] en [004] en, zo ja, wat de inhoud van de in het artikel genoemde verplichting is en of de Gemeente die verplichting is nagekomen. De percelen [003] en [004] zijn eigendom van de ex-schoonzoon van [eiser 4], [betrokkene 1]. Ingevolge het echtscheidingsconvenant tussen [betrokkene 1] en zijn ex-echtgenote, de dochter van [eiser 4], diende [betrokkene 1] de percelen [003] en [004] eerst aan zijn ex-echtgenote aan te bieden indien hij deze wenste te verkopen.(11) [betrokkene 1] en de Gemeente hebben op 24 maart 2005 een Ruilovereenkomst gesloten, waarbij partijen grond hebben geruild en de Gemeente jegens [betrokkene 1] de inspanningsverplichting op zich heeft genomen op de bij [betrokkene 1] in eigendom blijvende delen van de percelen [003] en [004] een planologische woonbestemming mogelijk te maken (art. 14 lid 2).(12)

2.4 Het middel neemt tot uitgangspunt dat T.S. Agro c.s. in deze procedure hebben gesteld (i) dat de Gemeente op grond van de vaststellingsovereenkomst verplicht was ervoor te zorgen dat woningbouw planologisch mogelijk zou zijn op (c.q. dat de Gemeente de (inspannings)plicht had om bouwvergunningen te verlenen voor) de percelen [003] en [004], en (ii) dat de Gemeente niets heeft ondernomen ter voldoening aan deze inspanningsverplichting (cassatiedagvaarding, onder Inleiding, met name p. 4-5). Onderdeel 1 berust op de lezing dat het hof bedoelde stellingname (impliciet) heeft verworpen en bevat de hoofdklacht dat die verwerping onvoldoende is gemotiveerd.

Onderdeel 1a veronderstelt in dit verband dat het hof heeft geoordeeld dat de inspanningsverplichting niet meer inhoudt dan volgt uit de letterlijke bewoordingen van art. 3 en dat de gemeente om die reden niet verplicht was om zich in te spannen voor het verlenen van bouwvergunningen voor de percelen [003] en [004]; het klaagt dat bedoeld oordeel onbegrijpelijk is. De onderdelen 1b en 1c veronderstellen dat het hof heeft geoordeeld dat op de Gemeente de verplichting rustte om bouwvergunningen voor de percelen [003] en [004] te verlenen(13) en bevatten - tegen de achtergrond van het feit dat het hof niet heeft vastgesteld dat de Gemeente enige inspanning heeft geleverd - motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat hem niet is kunnen blijken dat de Gemeente zich niet heeft gehouden aan haar in art. 3 bedoelde inspanningsverplichting. Onderdeel 1d berust op de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat de Gemeente haar verplichtingen ten aanzien van de percelen 9292 en [004] is nagekomen door het aangaan van de ruilovereenkomst met [betrokkene 1] en klaagt dat dat oordeel evenzeer onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.

2.5 De klachten kunnen naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Blijkens rov. 20 heeft het hof de grondslag van de vorderingen van T.S. Agro c.s. voor zover gebaseerd op schending van art. 3 van de vaststellingsovereenkomst in relatie tot de percelen [003] en [004] kennelijk (uitsluitend) daarin gezocht dat het de Gemeente - in het licht van de gestelde exclusiviteit - niet vrijstond een soortgelijke verplichting aan te gaan jegens [betrokkene 1]. Het hof heeft de grondslag van de vorderingen kennelijk niet (tevens) aangetroffen in enige stellingname van de strekking dat de Gemeente niets heeft gedaan ter nakoming van haar inspanningsverplichtingen met betrekking tot de percelen [003] en [004]. Bijgevolg is, anders dan het middel veronderstelt, van verwerping van een dergelijke stellingname geen sprake. 's Hofs uitleg van de grondslag van de vordering is begrijpelijk, ook in het licht van de navolgende, in het middel (voetnoot 15) genoemde stellingen.

2.6.1 In par. 31 van de inleidende dagvaarding hebben T.S. Agro c.s. - in het kader van een feitenrelaas - gesteld dat zij ter beperking van hun schade als gevolg van de sluiting van de golfbaan aan de Gemeente hadden gevraagd medewerking te verlenen aan de realisatie van een woonbestemming op (onder andere) het perceel [004], dat toebehoort aan de ex-schoonzoon van [eiser 4] en dat bij een eventuele verkoop eerst aan de dochter van [eiser 4] te koop moet worden aangeboden.

Voorts is in par. 34 van de inleidende dagvaarding een gespreksverslag geciteerd van een bespreking tussen de Gemeente en T.S. Agro c.s. van 8 mei 2000. Daarin is wat betreft perceel [004] vermeld dat dit ingevolge het echtscheidingsconvenant tussen de dochter van [eiser 4] en [betrokkene 1] (de ex-schoonzoon) in eigendom zou komen bij [betrokkene 1], die het bij een gewenste verkoop eerst aan de dochter van [eiser 4] dient aan te bieden.

In par. 37 en 38 van de inleidende dagvaarding is gesteld dat uiteindelijk de vaststellingsovereenkomst is gesloten; voorts is art. 3 van de vaststellingsovereenkomst gedeeltelijk geciteerd. Daarbij is "nota bene" (in klein corps) opgemerkt dat uit de bij de overeenkomst horende door de Gemeente opgestelde tekening blijkt dat het in totaal om vier woningen gaat: twee op de percelen [002] en [A 001] en twee op de percelen van de schoonzoon van [eiser 4], en dat [eiser 4] "dit" vanzelfsprekend niet bedong namens/ten behoeve van zijn ex-schoonzoon, maar ten behoeve van zijn dochter aan wie zijn ex-schoonzoon deze grond bij verkoop moest aanbieden. Voorts is verwezen naar een brief van de Gemeente van 15 maart 2006 aan de advocate van T.S. Agro c.s., waarin de Gemeente heeft geschreven dat er mogelijk vier woningen zouden worden gerealiseerd: twee op grond destijds eigendom van T.S. Agro c.s. en twee op grond die eigendom was van [betrokkene 1], welke laatste bouwopties namens [betrokkene 1] door T.S. Agro c.s. in het overleg zijn gebracht.

In par. 38 van de inleidende dagvaarding is - onder het kopje "Tekortkomingen van de Gemeente in de nakoming van de Vaststellingsovereenkomst" - met betrekking tot de in art. 3 bedoelde verplichting gesteld:

"De Gemeente is als volgt te kort geschoten in de nakoming van deze verplichting. Eerst heeft zij van de ex-schoonzoon van partij [eiser 4] een strook van de percelen in kwestie gekocht, zonder dat deze strook door de ex-schoonzoon - gelijk de Gemeente wist - eerst aan de dochter van partij [eiser 4] was aangeboden. Vervolgens heeft de Gemeente, jegens die ex schoonzoon, de inspanningsverplichting op zich genomen mee te werken aan de bouw van twee woningen op het resterend deel van deze percelen, zodat diezelfde door haar eerder jegens TS Agro op zich genomen inspanningsverplichting materieel bezien haar waarde verloor (prod. 35)."

2.6.2 In haar vonnis van 16 april 2008 heeft de rechtbank bij de weergave van de door T.S. Agro c.s. gestelde tekortkomingen de hiervoor geciteerde stellingen uit par. 38 van de inleidende dagvaarding aangehaald (rov. 3.3). Zij heeft het betoog van Agro c.s. wat betreft de percelen [003] en [004] aldus opgevat, dat de ruilovereenkomst tussen de Gemeente en [betrokkene 1] strijdig is met het voorkeursrecht van de dochter van [eiser 4] (rov. 5.4). De rechtbank heeft te dienaangaande geoordeeld dat de ruilovereenkomst tussen [eiser 4] en de Gemeente losstaat van de verplichting van de Gemeente op grond van art. 3 van de vaststellingsovereenkomst en dat zo de Gemeente al onrechtmatig zou hebben gehandeld door de overeenkomst met [betrokkene 1] aan te gaan, dit niet meebrengt dat daardoor sprake zou zijn van tekortschieten in de nakoming van art. 3 van de vaststellingsovereenkomst (rov. 5.5 en 5.6).

2.6.3 Wat betreft hun stellingen in hoger beroep hebben T.S. Agro c.s. in de eerste plaats verwezen naar par. 63-65 van de appeldagvaarding/MvG. Die paragrafen zijn onderdeel van de toelichting op grief 7, welke grief luidt dat de rechtbank een wezenlijk deel van de door T.S. Argo c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden ten onrechte niet heeft opgenomen in het feitenoverzicht en/of die feiten en omstandigheden niet althans onvoldoende in aanmerking nam. Vervolgens zijn daarvan twee voorbeelden gegeven. Par. 63-65 zijn onderdeel van voorbeeld 1.

In par. 62 is gesteld dat de rechtbank in haar rov. 5.5 op basis van een letterlijke interpretatie van de verplichtingen van de Gemeente ingevolge de vaststellingsovereenkomst, in strijd met het Haviltexcriterium, voorbij is gegaan aan door T.S. Agro c.s. aangevoerde cruciale achtergrondinformatie. Dan wordt aldus vervolgd:

"63. Dit geldt in de eerste plaats het feit dat de bepaling over de medewerking van de gemeente aan woningbouwbestemmingen langs de [a-straat] geflankeerd werd door een reeds in opdracht van de gemeente (...) opgesteld verkavelingsplan voor in ieder geval (al) vier woningen langs de [a-straat] (productie 32). Dit ontbreekt in het feitenoverzicht en in de overwegingen van de Rechtbank.

64. Dit betreft in de tweede plaats de omstandigheid dat de betreffende in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting van de gemeente betrekking heeft

- op een concreet woningbouwplan en

- op een concrete locatie

en dientengevolge, naar haar aard, exclusief van karakter is, zodat de gemeente door, zoals vaststaat, jegens een ander een soortgelijke verplichting aan te gaan reeds daarom te kort schoot in de nakoming van haar desbetreffende verplichting.

65. Dit is eens te meer zo omdat de Gemeente op voorhand terdege wist, dat het in de vaststellingsovereenkomst wat dit betreft beoogde vooruitzicht van TS Agro op financiële compensatie aldus doorkruist werd en zondermeer verloren zou gaan.

De ander, aan wie de gemeente een soortgelijke toezegging deed, is de ex-schoonzoon van partij [eiser 4]. Die ex schoonzoon is juridisch eigenaar van de betreffende percelen langs de [a-straat]. Op contractuele gronden en vanwege de door de gemeente niet aan hem maar aan TS Agro toegezegde medewerking aan woningbouw was hij volledig op de medewerking van en samenwerking met TS Agro aangewezen om de percelen in kwestie te kunnen ontwikkelen totdat de gemeente hem de toezegging deed medewerking te verlenen aan twee bouwbestemmingen op deze percelen. De gemeente kende deze achtergronden als geen ander en heeft deze destijds ook vastgelegd in een gemeentelijk verslag.

Ook hieraan ging de rechtbank voorbij."

2.7 In het licht van deze stellingen van T.S. Agro c.s. heeft het hof begrijpelijkerwijs als (enige) grondslag van vordering wat betreft de percelen [003] en [004] opgevat dat het de Gemeente - in het licht van de gestelde exclusiviteit - niet vrijstond een soortgelijke verplichting aan te gaan jegens [betrokkene 1]; de overweging dat hem "voorts van een zich niet houden aan de inspanningsverplichting niet is kunnen blijken" vormt kennelijk een obiter dictum. Daaraan doet niet af dat namens T.S. Agro c.s. eerst tijdens het pleidooi in hoger beroep is opgemerkt dat T.S. Agro c.s. op 21 september 2005 formeel een bouwaanvraag bij de Gemeente hebben ingediend voor 5 woningen op de percelen [003] en [004], dat zij laatstelijk in 2009 nog een keer medewerking hebben gevraagd voor een bouwplan van tenminste 4 woningen op deze percelen en dat de gemeente op dit punt is tekortgeschoten in de nakoming van haar in art. 6(14) van de vaststellingsovereenkomst veronderstelde (impliciete) verplichtingen (pleitnota mr. Schuurmans d.d. 20 mei 2010, p. 14-15), noch dat T.S. Agro c.s. hebben opgemerkt in de getuigeverklaring van [betrokkene 2] bevestigd te zien dat de Gemeente haar inspanningsverplichting ter zake de percelen [003] en [004] niet is nagekomen (Memorie na Enquête, p. 16).

De klachten falen derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

2.8 Voor zover onderdeel 1.d nog een zelfstandige motiveringsklacht bevat tegen het oordeel van het hof dat de gestelde exclusiviteit van de verplichting van de Gemeente onvoldoende is onderbouwd, treft deze klacht evenmin doel. 's Hofs oordeel te dienaangaande is niet onvoldoende gemotiveerd. De Gemeente heeft immers betwist dat in art. 3 van de vaststellingsovereenkomst meer of anders is overeengekomen dan hetgeen er in letterlijke bewoordingen is opgenomen en hoewel uit de in de klacht aangehaalde stellingen van T.S. Agro c.s.(15) wel een mogelijk belang volgt van T.S. Agro c.s. bij exclusiviteit, volgt uit die stellingen niet dat exclusiviteit tussen T.S. Agro c.s. en de Gemeente is overeengekomen.

2.9 Onderdeel 2 bevat slechts op onderdeel 1 voortbouwende klachten en treft derhalve geen doel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het hof is blijkens rov. 2 van zijn arrest daarbij uitgegaan van de feiten vastgesteld door de rechtbank Dordrecht in rov. 2.1 t/m 2.27 van haar vonnis van 16 april 2008, alsmede de onweersproken inhoud van de overgelegde producties en hetgeen T.S. Agro c.s. in aanvulling daarop in hun zevende grief hebben aangevoerd en door de Gemeente onweersproken is gebleven.

2 Rov. 2.7 van het vonnis van de Rechtbank van 16 april 2008. Zie prod. 27 bij inleidende dagvaarding.

3 Prod. 23 bij CvA.

4 Overgelegd als prod. 31 bij inleidende dagvaarding (incompleet) en als prod. 11 bij CvA. Hieruit blijkt dat de overeenkomst is ondertekend op 17 juli 2001 (door Slijkerman) en op 15 augustus 2001 (namens de gemeente) en dat de bijlage houdende afspraken op 17 juli 2001 voor akkoord is getekend door [eiser 4].

5 Rov. 2.17 van het vonnis van de Rechtbank van 16 april 2008.

6 Hetzelfde geldt voor de door partijen ingestelde incidentele vorderingen. Zie het vonnis in de incidenten van 5 september 2007.

7 Het hof heeft op 2 september 2008 nog arrest gewezen in het door T.S. Agro c.s. opgeworpen schorsingsincident. Dit arrest speelt in cassatie geen rol.

8 De cassatiedagvaarding is 27 december 2011 uitgebracht.

9 Aangehaald in deze conclusie onder 1.1.3.

10 Het hof doelt kennelijk op pleitnota mr. Schuurmans d.d. 20 mei 2010, p. 15.

11 Zie prod. 28 bij de inleidende dagvaarding; prod. 13 bij CvA; rov. 3.3 en 5.4 van het vonnis van de rechtbank van 16 april 2008.

12 De ruilovereenkomst is overgelegd als prod. 35 bij de inleidende dagvaarding en als prod. 12 bij CvA.

13 Zie s.t. namens T.S. Agro c.s., onder 20.

14 Art. 6 luidt: "De gemeente stemt in met een ontsluiting van het beoogde woningperceel nummer [004] via de onder 5 bedoelde ontsluiting op de [a-straat], indien het tot woningbouw op dit perceel komt."

15 Verwezen wordt naar appeldagvaarding/MvG, par. 65 (hiervoor onder 2.6.3 geciteerd).