Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ9956

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
13/01132
Formele relaties
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0308
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ9956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Nationaliteit. Verzoek vaststelling Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/317
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 13/01132

Mr. P. Vlas

Zitting, 26 april 2013

Conclusie inzake art. 80a RO

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

(hierna: de Staat)

1. Bij beschikking van 13 december 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van verzoeker tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2. Bij KB van 13 oktober 2000 is aan verzoeker, van Sierraleoonse nationaliteit, het Nederlanderschap verleend. Bij brief van 29 oktober 2009 heeft de IND bericht dat verzoeker nimmer de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij in de naturalisatieprocedure gebruik heeft gemaakt van een valse identiteit, aangezien hij niet afkomstig zou zijn uit Sierra Leone maar uit Gambia. De rechtbank heeft onder verwijzing naar HR 30 juni 2006 (LJN: AV0054, NJ 2007/551, m.nt. G.R. de Groot) overwogen dat nu het naturalisatiebesluit dateert van vóór 1 april 2003, beoordeeld moet worden of verzoeker het naturalisatiebesluit heeft verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens en, zo dat het geval is, of bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat verzoeker wel voldoende geïdentificeerd was. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van valse of fictieve persoonsgegevens en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2006.

3. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. Middel 1, waarin wordt betoogd dat verzoeker steeds de juiste persoonsgegevens heeft verstrekt, faalt omdat het betrekking heeft op een beoordeling van de feiten waarvoor in cassatie geen plaats is. Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker de Gambiaanse nationaliteit heeft, is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Middel 2 betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 14 RWN. Dit middel faalt, omdat de rechtbank art. 14 RWN niet heeft toegepast, nu het een naturalisatie betreft van vóór 1 april 2003 (rov. 4.1). Middel 3 betoogt dat de rechtbank een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat niet is gesteld of gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2006. Dit middel faalt, omdat in de gedingstukken bij de rechtbank geen beroep is gedaan op dergelijke bijzondere omstandigheden.

4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G