Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ9327

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
13/01467
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ9327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz-zaak. Verzoek machtiging voortgezet verblijf, art. 15 lid 1 Wet Bopz. Verzoek om contra-expertise; ingrijpende aard van de beslissing tot vrijheidsbeneming vereist gemotiveerde afwijzing (vgl. HR 29 april 2005, LJN AS5978, NJ 2007/153).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/287
Verrijkte uitspraak

Conclusie

13/01467

Mr. F.F. Langemeijer

12 april 2013

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Haarlem

In deze Bopz-zaak gaat het hoofdzakelijk om het passeren van een verzoek om contra-expertise.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (geboren in 1937, hierna: betrokkene) is op grond van een rechterlijke machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van GGZ in Geest.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift heeft de officier van justitie in het arrondissement Haarlem aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoek was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd, op 5 december 2012 opgemaakt door de (wnd.) geneesheer-directeur.

1.3. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 december 2012 heeft de rechtbank betrokkene en zijn advocaat alsmede de behandelend arts en een verpleegkundige gehoord.

Bij beschikking van diezelfde dag heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 20 december 2013. De rechtbank overwoog:

"Uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat betrokkene ook na het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging zal lijden aan een stoornis van de geestvermogens. Betrokkene is bekend met een bipolaire I stoornis.

Tevens is vast komen te staan dat deze stoornis betrokkene ook dan nog gevaar zal doen veroorzaken voor zichzelf, onder meer:

- het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat;

- het gevaar dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen;

- het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.

Gebleken is dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Betrokkene geeft geen blijk van de nodige bereidheid om vrijwillig verder te verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis."

1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter:

a. de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis de betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en

b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

2.2. Volgens de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, is betrokkene sinds 1972 bekend als lijdende aan een bipolaire stoornis(1). De depressie van betrokkene openbaart zich met tussenpozen, om de paar jaar, in de vorm van manisch psychotische episoden. Meer dan eens is betrokkene in verband met een decompensatie opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis; laatstelijk met een IBS (inbewaringstelling) op 16 augustus 2012. Betrokkene betwist dit niet(2). Betrokkene is echter van mening dat hij zichzelf kan redden, zonder een gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.3. Tot de stukken behoort een schrijven van de behandelend psychiater aan de wnd. geneesheer-directeur d.d. 18 november 2012, waarin de diagnose en het ziekteverloop uitgebreid zijn beschreven. De diagnose in de geneeskundige verklaring luidt: "Bipolaire stoornis type I, cognitieve achteruitgang (cognitieve stoornis NAO), aard en omvang nog nader te bepalen")(3). Tijdens de opname in het ziekenhuis is geconstateerd dat sprake is van cognitieve achteruitgang (executieve functies, overzicht, planning, geheugen en inprenting), hetgeen door betrokkene wordt ontkend. De geneeskundige verklaring vermeldt dat er nog onderzoek wordt gedaan naar de oorzaak van de cognitieve achteruitgang. Bij de behandeling ter zitting heeft het verweer zich hierop geconcentreerd. De behandelend arts heeft ter zitting de cognitieve achteruitgang toegelicht, onder meer door te verwijzen naar een van betrokkene gemaakte MRI-scan. Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene onder meer betoogd:

"(...) Cliënt betwist de diagnose. Cliënt is bekend met een manische depressie, dat heeft cliënt al jaren. De diagnose, cognitieve problemen op dementie niveau, betwist ik. Er wordt gesproken van MRI-scan, maar ik zie de MRI-scan niet bij de stukken. Cliënt is vrijheidgelievend. Ik pleit om meneer meer vrijheid te geven. Laat een onafhankelijke arts kijken. Cliënt is erg helder en redelijk in zijn argumentatie. Ik merk niet dat hij gekke denkbeelden heeft. Ik bepleit een nieuwe contra expertise. (...)"

2.4. Middelonderdeel III houdt de klacht in dat de rechtbank zonder enige motivering is voorbijgegaan aan het namens betrokkene gedane verzoek om een contra-expertise naar de toestand van zijn geestvermogens.

2.5. Art. 16 in verbinding met art. 5 Wet Bopz vereist dat de betrokkene kort tevoren met het oog op de te verlenen machtiging is onderzocht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken is. Indien de betrokkene de juistheid van (bevindingen of gevolgtrekkingen in) de geneeskundige verklaring bestrijdt kan hij aan de rechter verzoeken een nader onderzoek door een deskundige te gelasten. De daarbij aan te leggen maatstaf luidt als volgt(4):

"De rechter is [...] overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten."

2.6. In de onderhavige zaak staat vast dat ter zitting namens betrokkene is gevraagd om een nader onderzoek door een andere psychiater. De rechtbank kon dit verzoek slechts gemotiveerd afwijzen. In dit geval ontbreekt iedere motivering, zodat onderdeel III gegrond is en de bestreden beschikking om die reden niet in stand kan blijven.

2.7. Er is evenwel discussie mogelijk over de vraag of betrokkene rechtens belang heeft bij deze klacht. Zoals gezegd bestrijdt betrokkene niet dat hij lijdende is aan de bipolaire stoornis die de rechtbank in haar motivering heeft genoemd; hij bestrijdt slechts de in de geneeskundige verklaring veronderstelde cognitieve stoornis. Kan het zijn, dat de rechtbank de in de geneeskundige verklaring veronderstelde cognitieve stoornis in het midden heeft gelaten en de machtiging tot voortgezet verblijf uitsluitend heeft doen rusten op de bipolaire stoornis en het daaruit voortvloeiende gevaar? In dat geval zou te verklaren zijn waarom de rechtbank niet is ingegaan op het verzoek om nader psychiatrisch onderzoek.

2.8. De geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, onderscheidt verschillende vormen van gevaar(5). Over het gevaar dat betrokkene door zijn hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen heeft de onderzoekende psychiater opgemerkt: "In manische episodes komt betrokkene tot grensoverschrijdend en imponerend gedrag, waardoor hij de agressie van derden over zich kan afroepen." Hier legt de geneeskundige verklaring dus een verbinding met de bipolaire stoornis. Daarnaast maakt de geneeskundige verklaring melding van het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en het gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen. Daaromtrent is vermeld: "Op grond van de combinatie met cognitieve verslechtering en grotere somatische kwetsbaarheid komt betrokkene tot zelfverwaarlozend gedrag waarbij hij zichzelf uitput en onvoldoende zorgt voor zijn somatische gezondheid."

2.9. De rechtbank noemt alle drie de gevaren, zonder dat uit de beschikking blijkt op grond waarvan de rechtbank het vereiste oorzakelijk verband aanneemt met de stoornis van de geestvermogens. Dit stelt de lezer van de beschikking voor een probleem. Indien de rechtbank ondanks de betwisting van betrokkene is uitgegaan van een cognitieve stoornis die het gevaar doet veroorzaken, kon zij na het verzoek om een contra-expertise niet volstaan met een eenvoudige verwijzing naar de geneeskundige verklaring; die werd nu juist betwist. Indien de rechtbank niet is uitgegaan van een cognitieve stoornis, maar het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en zichzelf ernstig zal verwaarlozen heeft gebaseerd op de bipolaire stoornis of op een andere niet uit de beschikking te kennen stoornis van de geestvermogens, is dat oordeel onbegrijpelijk omdat de geneeskundige verklaring dat verband niet legt. Kortom, betrokkene heeft belang bij onderdeel III.

2.10. Bij gegrondbevinding van onderdeel III behoeven de overige klachten geen bespreking meer. Onderdeel I klaagt dat onbegrijpelijk is op grond waarvan de rechtbank een voor vrijheidsbeneming relevante stoornis van de geestvermogens heeft aangenomen. Wat betreft de bipolaire stoornis is dit voldoende duidelijk: uit de geneeskundige verklaring. Wat betreft de cognitieve stoornissen, deelt deze klacht het lot van onderdeel III.

2.11. Onderdeel II bevat een motiveringsklacht over het door de rechtbank aangenomen gevaar. Op welke gronden de rechtbank aanneemt dat hier sprake is van het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat of zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen, blijkt volgens de klacht niet. In ieder geval acht het middel dit oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat betrokkene volgens de geneeskundige verklaring (rubriek 3.a) ten tijde van het psychiatrisch onderzoek geen tekenen van ontremming of manie vertoonde.

2.12. Het eerste gedeelte van deze klacht deelt het lot van onderdeel III. Het laatste gedeelte van deze klacht faalt. In het algemeen moet worden aangenomen dat de motivering van een rechterlijke beslissing niet onbegrijpelijk wordt voor de lezer door het enkele feit dat ergens in het procesdossier een aanwijzing te vinden is, die in een andere richting wijst dan de uitkomst waartoe de rechter is gekomen. Verder merk ik op dat voor een machtiging als de onderhavige is vereist dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens die de betrokkene gevaar doet veroorzaken. Gevaar is de kans op een bepaald onheil. Het is niet noodzakelijk dat het te duchten onheil zich reeds openbaart op het tijdstip van het psychiatrisch onderzoek of op het tijdstip waarop de rechter zijn beslissing geeft. Indien, zoals in dit geval, sprake is van een bipolaire stoornis die zich met tussenpozen openbaart in de vorm van manisch psychotische episoden, zoals de rechtbank in het voetspoor van de psychiater blijkbaar heeft aangenomen, mocht de rechtbank op basis van de geneeskundige verklaring en het verhandelde ter zitting aannemen dat het desbetreffende gevaar (dat betrokkene door zijn hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen) door deze stoornis wordt veroorzaakt.

2.13. Onderdeel IV klaagt - subsidiair - dat onbegrijpelijk is waarop het oordeel berust dat het gevaar niet kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis en dat betrokkene onvoldoende blijk heeft gegeven van de nodige bereidheid in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven.

2.14. Voor zover de cassatierechter aan deze klachten toekomt, kunnen zij worden verworpen. Het oordeel dat het gevaar niet kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis vindt steun in de geneeskundige verklaring, in het bijzonder rubriek 6. Het oordeel dat betrokkene onvoldoende blijk geeft van de nodige bereidheid volgt uit de eigen verklaring van betrokkene ter zitting. Weliswaar is ter zitting de mogelijkheid geopperd van een verhuizing van betrokkene naar het Reinaldahuis te Utrecht, maar de rechtbank heeft dit kennelijk, en niet onbegrijpelijk, nog te onzeker geacht om in haar beslissing daarop vooruit te lopen. De klacht faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing naar de rechtbank Noord-Holland.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

a. - g.

1 Zie over deze term: W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling, 2004, blz. 128 - 132.

2 Zie het proces-verbaal van de zitting blz. 1: "Ik zat in mijn manische stoornis. Iedere drieënhalf, vier jaar komt mijn stoornis terug. Als er tekenen zijn van mijn stoornis zal ik aan de bel trekken."

3 Zie rubriek 3.c van de geneeskundige verklaring; de afkorting NAO staat voor: niet anders omschreven.

4 Vaste rechtspraak sinds HR 29 april 2005 (LJN: AS5978), NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/14 m.nt. W. Dijkers. Zie onder meer: HR 12 februari 2010 (LJN: BK8104), BJ 2010/6.

5 Zie ook art. 1 Wet Bopz voor de verschillende vormen van gevaar.