Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ9283

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-04-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
12/04385
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:47, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Onrechtmatige overheidsdaad. Letselschade. Zorgplicht van het Land Curaçao jegens gedetineerde. In het leven roepen en laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie. Kelderluik-criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2013/73
JWB 2013/354
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/04385

mr. J. Spier

Zitting 12 april 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[verzoeker]

(hierna: [verzoeker])

tegen

Het Land Curaçao

(hierna: het Land)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.(1)

1.2 [verzoeker] is gedetineerd geweest in blok 7A van de Bon Futuro gevangenis te Curaçao. Op 2 juni 2007 is hij tijdens het voetballen met zijn hoofd tegen een zijmuur gekomen. Als gevolg hiervan heeft hij een dwarslaesie opgelopen waardoor hij aan beide armen en benen blijvend verlamd is geraakt.

1.3 Van het ongeval is geen rapport opgesteld.

1.4 De omstandigheden rondom het ongeval zijn tussen partijen in zoverre niet in discussie dat het ongeval heeft plaatsgevonden omstreeks 15.00 uur op de buitenplaats van Blok 7A. De vloer van de buitenplaats is van beton. Op de buitenplaats wordt regelmatig gevoetbald. Daartoe zijn door de gevangenisleiding twee kleine voetbaldoelen ter beschikking gesteld, alsmede een aantal voetballen. De buitenplaats wordt al dan niet gedeeltelijk omsloten door een betonnen muur.

1.5 Nadat [verzoeker] de muur met zijn hoofd geraakt heeft, is hij op de grond terechtgekomen. Hij is daar blijven liggen. Op het tijdstip van het ongeval lag de buitenplaats, althans het gedeelte waar [verzoeker] was blijven liggen, in de zon. Nog voordat het verplegend personeel ter plaatse was, is [verzoeker] door een aantal medegedetineerden naar een schaduwplek gesleept.

2. Procesverloop

2.1 [verzoeker] vordert in de onderhavige procedure dat voor recht wordt verklaard dat het Land aansprakelijk is voor het onder 1 beschreven ongeval. Voorts vordert [verzoeker] dat het Land veroordeeld wordt tot betaling van NAF 250.000 als voorschot op de te betalen schadevergoeding en dat het Land veroordeeld wordt tot vergoeding van de verdere schade, op te maken bij staat.

2.2 Het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: het GEA) heeft in zijn vonnis van 22 februari 2010 de wederzijdse standpunten uitvoerig weergegeven (rov. 4.2 - 4.8). Het GEA heeft het Land een bewijsopdracht gegeven inhoudende dat [verzoeker] op de vloer is uitgegleden en dat sprake was van een natte vloer (rov. 4.10 en het dictum); het heeft voor het overige een aantal kwesties voor zich uit geschoven (rov. 4.11 - 4.13).

2.3 In zijn vonnis van 21 februari 2011 bespreekt het GEA de verklaringen van de gehoorde getuigen. Het leidt daaruit af en acht op grond daarvan bewezen dat [verzoeker] is uitgegleden op de vloer en dat sprake was van een natte vloer (rov. 2.4). Het GEA noemt vervolgens en aantal aspecten dat van belang zou kunnen zijn en gelast een comparitie ter plaatse teneinde partijen de gelegenheid te geven "zich te dien aanzien specifieker uit [te] laten c.q. hun stellingen aan te vullen" (rov. 2.5 en 2.6).

2.4.1 In het eindvonnis van 6 juni 2011 memoreert het GEA dat het Land heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs. Bij die stand van zaken staat het causaal verband vast (rov. 2.2). Op de vloer waren tijdens de comparitie zwarte vlekken zichtbaar, waarschijnlijk een laag met alg. Daarom is sprake "van een vloer die in beginsel niet geschikt is voor het voetbalspel" (rov. 2.3 en 2.5). Het GEA legt vervolgens uit waarom de gedetineerden rekening moesten houden met een gladde vloer waarop zij hun snelheid hadden moeten aanpassen (rov. 2.7 - 2.9). Het GEA zoekt de toedracht

"goeddeels (...) in de snelheid waarmee [verzoeker] over het veld is gerend. [verzoeker] is niet zomaar uitgegleden en daarmee ongelukkig ten val gekomen, maar hij was behoorlijk hard aan het rennen. Hij had de bal en was daarmee in de aanval. De getuigen hebben verklaard dat [verzoeker] is uitgegleden over ijs en/of water dat was uitgestroomd uit een even daarvoor binnengebrachte jug. [verzoeker] was aan het voetballen en ook hij heeft daarom moeten zien dat deze jug werd binnengebracht en over het speelveld werd gesleept. Een van de getuigen heeft verklaard dat er telkens ijs uit deze jug valt. Gelet hierop had [verzoeker] zich moeten realiseren dat de vloer plaatselijk - in het sleepspoor van de jug - zeer glad zou zijn. Hij had de nodige oplettendheid moeten betrachten. (...)" (rov. 2.10).

2.4.2 Volgens het GEA kon van het Land niet worden gevergd maatregelen te treffen "ter afwending van een onoplettendheid of onvoorzichtigheid, zoals hiervoor is vastgesteld" (rov. 2.11). De vordering wordt dan ook afgewezen.

2.5 [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

2.6 Het Hof heeft bij vonnis van 12 juni 2012 het hoger beroep verworpen en het eindvonnis van het GEA bevestigd. Op de daartoe bijgebrachte gronden ga ik onder 3 in.

2.7 [verzoeker] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Het Land heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna het Land nog heeft gedupliceerd.

3. Inleiding

3.1 Dit is, zoals het Land vanzelfsprekend onderkent, een uitermate trieste zaak. Laat ik maar met de deur in huis vallen: m.i. is door het GEA en het Hof een onjuist en ook een onbegrijpelijk vonnis gewezen.

3.2 Ambtshalve stel ik het volgende voorop.(2) M.i. moet beoordeling van de klachten worden bezien tegen de achtergrond van de plaatselijke situatie in de gevangenis met de naam Bon Futuro; een naam die, gezien mede de detentie-omstandigheden, allicht doelt op de periode na ommekomst van het verblijf daarin.

3.3.1 Als vaststaand kan m.i. worden aangenomen dat de detentieomstandigheden in Bon Futuro - voorheen Koraal Specht - niet voldeden aan de minimale eisen die daaraan naar gangbare inzichten redelijkerwijs konden worden gesteld.(3) Voor zover thans van belang schortte het aan een zinvolle dagbesteding. Ook was sprake van overbevolking en onhygiënische toestanden.(4) Tekenend is het CPT-rapport uit 2007 (het jaar waarin het onderhavige ongeval plaatsvond) van een commissie van de Raad van Europa waarin de ervaringen ter gelegenheid van een bezoek aan Bon Futuro worden beschreven. In betrekkelijk diplomatieke bewoordingen wordt vermeld dat "much remains to be done" en dat de autoriteiten "need in particular to invest greater efforts to tackle the systemic deficiencies in the prison service and to provide decent conditions for detention".(5) De commissie maakt gewag van de omstandigheid dat er niet was

"anything resembling a programme of purposeful activities to prisoners. If anything, the bleak situation encountered during the visit to Bon Futuro in 2002 has worsened despite certain activities (...) on offer, the situation of enforced idleness for most of the day affected the vast majority of prisoners. Further, no regular activities were on offer (...), apart from watching television. This is a wholly unsatisfactory state of affairs."(6)

3.3.2 Deze opmerkingen, die niet berusten op eigen oordelen of bevindingen mijnerzijds, slaan in het Land mogelijk niet aan. Volgens De Lange zou aan gene zijde van de Oceaan wat hij noemt "punitiviteit" vooropstaan. Daarbij zou, als ik het goed begrijp, passen dat een verblijf in de gevangenis - in mijn eigen woorden - onprettig is. Ik wil verder niet speculeren over de juistheid van deze gedachte (wederom: niet mijn eigen, want ik heb geen op eigen waarnemingen berustende wetenschap van de toestanden in Bon Futuro). Voldoende is thans erop te wijzen dat in elk geval een minimumniveau van voorzieningen moet worden gegarandeerd.(7)

3.4 Hetgeen zo-even werd opgemerkt, raakt de onderhavige zaak in het hart. Als vaststaand kan worden aangenomen dat:

a. voor de gevangenen geen zinvolle bezigheden bestonden;

b. de detentieomstandigheden te wensen overlieten zodat alleszins te begrijpen valt dat gevangenen er de voorkeur aan gaven zich op de binnenplaats te verpozen in plaats van hun tijd te verbeuzelen in de onhygiënische en overbevolkte cellen.

3.5 Bij deze stand van zaken is alleszins begrijpelijk en met het oog op een - naar omstandigheden - goede toekomst (wat blijkens de benaming van de inrichting klaarblijkelijk mede de bedoeling was) van de gevangenen m.i. ook wenselijk dat ze hun tijd niet louter in ledigheid doorbrachten, maar zich stortten op beschikbare groepsspelen. Kennelijk was voetbal een van de weinige mogelijkheden. Dit spel werd klaarblijkelijk door het gevangenispersoneel gestimuleerd, wat valt af te leiden uit het door de directie beschikbaar stellen van voetballen en doelen; zie hiervoor onder 1.4.

3.6 Hierop stuit terstond de kern van het verweer van het Land af. Ik loop een aantal stellingen, die opduiken in de namens het Land ingediende s.t., langs:

a. "voetballen is niet een normaal gebruik van de binnenplaats" (s.t. onder 12). Welnu, de directie zag dat kennelijk anders. Waarom werden anders voetballen en doelen ter beschikking gesteld? Hoe dat zij: het allerminste wat gezegd kan worden, is dat de directie het voetballen onder de gegeven omstandigheden niet heeft belet, wat in zoverre te prijzen valt dat aldus voor de gevangenen aldus in elk geval sportfaciliteiten bestonden;

b. het was in het belang van gedetineerden dat ze in hun cellenblok konden sporten en het was hun eigen keuze (s.t. onder 15). Dat is ongetwijfeld juist, maar dat sporten beperkt was tot de binnenplaats was vooral te herleiden tot het gebrek aan andere mogelijkheden. Anders dan het Land lijkt te menen (akte uitlating van 17 maart 2011 onder 14) heeft het niet de vrijheid om gedetineerden de hele dag in hun cel opgesloten te laten; zie hierna onder 6.1;

c. gedetineerden wisten dat de vloer van tijd tot tijd nat was (onder 15). Dat klinkt heel aannemelijk. Maar het keert zich veeleer tegen het Land. Dat moet deze wetenschap eveneens hebben gehad. Het heeft daar kennelijk niets mee gedaan, niettegenstaande hetgeen onder 3.3 - 3.5 werd vermeld;

d. aan sporten zijn risico's verbonden (s.t. onder 17 en 19). Dat is inderdaad een feit van algemene bekendheid. Maar anders dan het Land lijkt te menen, gaat het in casu niet om de aansprakelijkheid ter zake van sport en spel, maar om aansprakelijkheid die is gebaseerd op pretens tekortschieten van het Land om ongevallen als de onderhavige te voorkomen;

e. het is zeer de vraag of sporten nog mogelijk zou zijn geweest als een andere vloer was gelegd (s.t. onder 23). Die stelling kan niet ernstig zijn gemeend voor zover zij bedoelt tot uitdrukking te brengen dat geen betere vloer bestond die minder gevaarlijk was en waarop wel kon worden gesport. Bovendien is niet goed duidelijk (geworden) waarom de sportzaal niet zou kunnen worden gebruikt;

f. de exceptio non habet pecuniam, verpakt in het kleed van beleidsvrijheid (s.t. onder 23). Reeds gelet op de onder 3.3 - 3.5 genoemde omstandigheden - kort gezegd: sporten was de enige zinvolle bezigheid voor de gevangenen en daartoe zijn de middelen door de directie ter beschikking gesteld - faalt dit verweer. Onder die omstandigheden, waarin wordt beknibbeld op allerlei wezenlijke voorzieningen, kon het Land niet besluiten om een evident gevaarlijke situatie als de onderhavige in stand te laten. Eens te minder omdat de kosten van te treffen voorzieningen redelijkerwijs beperkt zijn.(8)

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1 Het middel richt een reeks klachten tegen 's Hofs oordeel. Naar de kern genomen en in onderlinge samenhang gelezen, komen de klachten erop neer dat het Hof in de gegeven omstandigheden, zoals in het middel nader uitgewerkt, ten onrechte geen aansprakelijkheid heeft aangenomen.

4.2 Het Hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd:

"4.2 Appellant stoelt zijn vorderingen in hoger beroep mede op artikel 6:174 BW, daartoe stellende dat het 'voetbalveld' van geïntimeerde niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld kunnen worden. Naar het oordeel van het Hof kan dit betoog niet slagen omdat het ongeval niet heeft plaatsgevonden op een voetbalveld, maar op de binnenplaats van een cellenblok van de gevangenis. Dat de gevangenisdirectie de gedetineerden kennelijk heeft toegestaan om zich een groot deel van de dag vrijelijk te bewegen op de binnenplaats van hun cellenblok, brengt niet mee dat indien de gedetineerden wilden voetballen, de gevangenisdirectie ervoor moest zorgen dat de binnenplaats voldeed aan de eisen die men aan een voetbalveld mag stellen. Dat de gevangenisdirectie twee doelen en voetballen ter beschikking heeft gesteld, betekent op zichzelf niet dat zij de binnenplaats heeft aangewezen als voetbalveld. (....)

4.4 De grieven 2, 3 en 4 stuiten af op het volgende. Op grond van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] is als toedracht van het ongeval vast komen te staan dat appellant tijdens het voetballen terwijl hij hard rende is uitgegleden over water en ijs dat op de vloer van de binnenplaats terecht was gekomen uit een 'jug' met ijsklontjes die door medegedetineerden over de binnenplaats was gesleept. Bij grief 4 heeft appellant verwezen naar een aantal mogelijke maatregelen genoemd onder punt 3 van het inleidend verzoekschrift die volgens hem de kans op ernstige ongevallen in hoge mate zouden kunnen verminderen. Als grondslag voor aansprakelijkheid van geïntimeerde voor de schade als gevolg van het ongeval acht het Hof dit echter niet toereikend. Mede gelet op de toedracht van het ongeval, kan niet worden aangenomen dat indien geïntimeerde een antisliplaag op de betonnen vloer van de binnenplaats zou hebben aangebracht, het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Daarbij heeft het Hof ook in aanmerking genomen dat appellant volgens de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen is uitgegleden op een (gedeeltelijk gesmolten) ijsblokje. Bovendien kon niet in redelijkheid van geïntimeerde worden gevergd dat hij op de gehele vloer van de binnenplaats van het cellenblok waar kon worden gevoetbald een antisliplaag zou hebben aangebracht. Naar het Hof begrijpt, was het de eigen keuze van de gedetineerden om op de binnenplaats te voetballen. De gedetineerden zelf hebben ook de verplaatsbare doelen vlak vóór de muur geplaatst waartegen, zo blijkt uit de in eerste aanleg afgelegde getuigenverhoren, appellant nadat hij was uitgegleden met zijn hoofd is gekomen. Algemeen bekend is dat sporten op zichzelf een bezigheid is waaraan risico's zijn verbonden, zodat ook van appellant mocht worden verwacht dat hij terdege met deze risico's rekening zou hebben gehouden. Ook indien er geen deugdelijke sportzaal binnen de gevangenis beschikbaar was, leidt dit niet tot een ander oordeel."

4.3 Ter ondersteuning van de kernklacht doet het middel beroep op (met name) de volgende - ten dele geparafraseerd weergegeven - feiten en omstandigheden:

a. de sportzaal was niet in gebruik;

b. er werd ter plaatse regelmatig gevoetbald;

c. de directie heeft zelf twee doelen en voetballen ter beschikking gesteld, hetgeen erop wijst dat de directie het op de binnenplaats voetballen stimuleerde;

d. aan het ter plaatse voetballen was een (bedoeld is ongetwijfeld) relevant gevaar verbonden;

e. water op een (gladde) betonnen vloer is gevaarlijk, zeker bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid;

f. van jonge gedetineerden "die de hele dag opgesloten zitten" kan niet worden verwacht dat ze "rustig wandelend een voetbalwedstrijd spelen";

g. eenvoudige alternatieven, zoals sportschoenen, waren mogelijk;

h. uit een bak met ijs waren in een spoor over het veld diverse ijsblokjes gevallen, wat

i. vaker (dagelijks) voorkwam;

j. bovendien zat er een scheur in de bak waardoor er water uit stroomde;

k. de vloer waarop [verzoeker] is uitgegleden, was nat.

4.4.1 In zijn s.t. heeft mr Van Asperen de onder 4.3 weergegeven stellingen, feiten en omstandigheden nader uitgewerkt. Gewezen wordt op:

a. de algvorming die tijdens de comparitie ter plaatse in prima zichtbaar was; deze algvorming, zo parafraseer ik, vergrootte de kans op uitglijden (s.t. onder 3.7.1 en 4.7). Het Land heeft op dit punt een omtrekkende beweging gemaakt. Het acht "niet bewezen" dat deze algvorming er ten tijde van het ongeval al lag, maar acht "zeer wel aannemelijk dat de zwarte laag is ontstaan in de herfst van 2010" (pleitnota in appel onder 15);

b. de eigen stelling van het Land dat bij het voetballen "het er regelmatig ruw aan toe[gaat]" (s.t. voetnoot 17 onder verwijzing naar cva onder 4 waaraan ik het citaat heb ontleend). In de dupliek wordt onder 4 dit door het Land (in feite) erkend;

c. het ontbreken van andere sportmogelijkheden (s.t. onder 4.6);

d. de eigen stelling van het Land dat de vloer glad kan zijn (s.t. onder 4.8, verwijzend naar de cvd onder 6 waar dit inderdaad valt te lezen).

4.4.2 Het siert het Land dat het de rechtsstrijd is aangegaan met betrekking tot de onder 4.4.1 vermelde stellingen. Met betrekking tot de algengroei heeft het erop gewezen dat deze eerst jaren later is ontstaan (dupliek onder 2 verwijzend naar de pleitnotities van mrs Hammoud en Peters in appel onder 15). Het inderdaad juist dat het Land die stelling heeft betrokken. Met het Land meen ik dat er niet als vaststaand van kan worden uitgegaan dat er ten tijde van het ongeval al sprake was van algengroei. Maar anders dan het Land meen ik dat de posterieure algengroei veeleer wijst op een rechtens ontoelaatbaar gebrek aan zorg voor de gedetineerden. Van algemene bekendheid is immers dat algengroei niet van de ene dag op de andere ontstaat. In 2010 was het Land bekend met de potentieel desastreuze gevolgen van valpartijen op het kennelijk nog steeds aanwezige beton. De omstandigheid dat deze algengroei kon ontstaan, laat geen andere conclusie toe dan dat het Land minst genomen weinig voortvarend was met het verwijderen van val-bevorderende omstandigheden.

4.5.1 Onder de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden had het Land meer moeten doen om de redelijkerwijs voorzienbare kans op ongelukken met potentieel ernstige gevolgen te voorkomen of in elk geval te verkleinen. Daarbij weegt zwaar dat het in casu ging om gedetineerden wier enige verpozing gelegen was in het ontplooien van sportieve activiteiten op de betonnen buitenvloer omdat de sportzaal niet voor gebruik beschikbaar was. Andermaal aansluiting zoekend bij de rechtspraak van het EHRM over art. 3 EVRM: alle omstandigheden tezamen moeten in aanmerking worden genomen.(9) Wanneer alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien, dringt de conclusie dat het Land aansprakelijk is zich op.

4.5.2 Het is nuttig noch nodig om thans aan te geven wat het Land nauwkeurig had moeten doen; daarbij valt te bedenken dat het in het onderhavige kader een zekere beleidsvrijheid had. Er waren ongetwijfeld voldoende mogelijkheden, zoals val-beschermende kleding, het openen van de sportzaal, het aanbrengen van een minder harde vloer, het ervoor zorgen dat de vloer niet nat en daarmee glad was (of kon zijn) ten tijde van het bedrijven van sport en zo meer. Zonder nadere toelichting, die het Land niet heeft gegeven, is niet duidelijk waarom het treffen van één of meer van zodanige maatregelen (te) kostbaar of anderszins te bezwaarlijk zou zijn. Het Land heeft niet aangegeven waarom, maar heeft zich beperkt tot de stelling dat de sportzaal destijds buiten gebruik was (cva onder 7).

4.6.1 In het licht van al het voorafgaande, kan aansprakelijkheid m.i. worden gebaseerd op art. 6:162 ABW, met name op het leerstuk gevaarzetting.(10) Dat geldt heel in het bijzonder gelet op de heel specifieke setting van deze zaak. Deze ongewone setting brengt mee dat uit het aannemen van aansprakelijkheid, naar in elk geval mij voor ogen staat, geen algemene conclusies kunnen en mogen worden getrokken.

4.6.2 Bij deze stand van zaken kan blijven rusten of art. 6:174 ABW eveneens een juridische basis voor aansprakelijkheid zou kunnen bieden.

4.7 Behandeling van de afzonderlijke klachten is niet (meer) nodig.

5. Afdoening door de Hoge Raad?

5.1 M.i. kan de zaak door Uw Raad worden afgedaan wat ook in "Antillenzaken" mogelijk is.(11)

5.2 M.i. is op de onder 3 en 4 uiteengezette gronden boven redelijke twijfel verheven dat het Land aansprakelijk is.

5.3.1 Het Land heeft een beroep gedaan op eigen schuld, daarin gelegen dat [verzoeker] hard rende (conclusie na enquete onder 4; pleitnota in appel onder 14). M.i. faalt dat betoog. Niet alleen omdat aan het spelen van - door de directie klaarblijkelijk aangemoedigd - voetbal nu eenmaal inherent is dat deelnemers (nu en dan) rennen, maar ook omdat het hier gaat om jeugdige gedetineerden die waren opgesloten in een gevangenis die niet voldeed aan de in deze zaak relevante internationale maatstaven; zie onder 3. Zeker in een dergelijke setting valt te begrijpen dat gedetineerden zich, indien de gelegenheid zich daartoe aandient, enigszins willen uitleven. Ware dat al anders, dan wordt een eventuele eigen schuld door de billijkheidscorrectie als het ware weer weggewist. Daarbij speelt de ernst van de gevolgen/het letsel een rol.(12)

5.3.2 Voorts is t.a.p. beroep gedaan op risicoaanvaarding. Nu dat geen zelfstandig leerstuk is,(13) mislukt dat betoog.

5.4 Dit alles leidt tot de slotsom dat de gevraagde verklaring voor recht kan worden uitgesproken met verwijzing naar de schadestaatprocedure.

5.5 Daarmee resteert de hoogte van het gevorderde voorschot van NAF 250.000. Het Land heeft bij dit bedrag niet goed begrijpelijke kanttekeningen geplaatst die ertoe strekken dat "niet bij wijze van voorschot wordt voldaan maar tegen finale kwijting" (cva onder 19). Mogelijk wil het Land aldus tot uitdrukking brengen dat de schade maximaal NAF 250.000 beloopt. Dat lijkt mij niet aannemelijk. Voor zover het Land bedoelt te zeggen dat de schade minder is dan NAF 250.000 lijkt die stelling onverdedigbaar.(14)

5.6.1 Sprake is van een ongeval met uitzonderlijk ernstige gevolgen. [verzoeker] heeft daarom aanspraak op smartengeld van de hoogste categorie. Daarnaast heeft hij ongetwijfeld aanspraak op bepaalde kosten, nodig voor een meer dan volstrekt minimale behandeling en verzorging; kosten die allicht niet volledig worden gedekt door de eigen verzekeringen van [verzoeker], voor zover deze al voorhanden zijn.

5.6.2 Ik ben niet in staat en voel mij trouwens ook niet geroepen om verder uit te werken waarop [verzoeker] eventueel aanspraak kan maken. Maar dat de schade lager zou zijn dan de bij wege van voorschot gevorderde NAF 250.000 (ruwweg € 110.000) is heel onwaarschijnlijk. Mede omdat het ongeval ruim vijf jaar geleden plaatsvond en [verzoeker] tot op heden kennelijk is verstoken van enige vergoeding lijkt wenselijk dit bedrag toe te wijzen ten titel van voorschot.

6. Afronding

6.1 Wanneer Uw Raad, enigszins in de lijn van het voorafgaande, zou oordelen dat het Land aansprakelijk is, of tot vernietiging van het bestreden vonnis zou komen, ware daaruit niet de verkeerde conclusie te trekken. Met name zou daaruit niet moeten en mogen afgeleid dat de panacee gelegen is in het de gevangenen onthouden van relevante recreatieve- en sportfaciliteiten. Dat geldt op zich en helemaal onder de weinig optimale detentieomstandigheden zoals geschetst onder 3. Naar geldende inzichten hebben gedetineerden er recht op in ruime mate buiten hun cellen te mogen verblijven en om betekenisvolle arbeid te kunnen verrichten; sporten behoort daartoe.(15)

6.2 Hoewel het niet aan mij is om te beoordelen wat de meest geëigende oplossing zou zijn, dringt zich als reële optie heropening van de sportzaal op, ten minste wanneer deze sportzaal voldoet aan de daaraan uit een oogpunt van veiligheid te vergen maatstaven.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot

* vernietiging van het bestreden vonnis en

* afdoening door Uw Raad als hier vermeld onder 5.4 en 5.6.2.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.3 van het in eerste aanleg gewezen tussenvonnis van het GEA van 22 februari 2010. Het Hof vermeldt in rov. 4.1 van het in cassatie bestreden vonnis dat het eveneens van deze feiten is uitgegaan.

2 Ik meen daartoe niet alleen de vrijheid te hebben, maar er ook toe gehouden te zijn omdat het hier een mensenrechtenkwestie betreft; zie nader Asser/Hartkamp 3-I* (2011/1) nr. 202.

3 Daaraan doet niet af dat de detentieomstandigheden in grote delen van de wereld (aanzienlijk) beroerder zijn. Er is geen enkele reden - rechtens noch anderszins - zich daaraan te spiegelen.

4 Zie onder meer J. de Lange, Sancties 2009 p. 271 e.v. onder 2. Ik ga thans niet in op andere misstanden; zie daarover het hierna te noemen CPT-rapport p. 19 e.v.

5 CPT (2007) 71 Part 3 p. 3 onder 5. Het Hof heeft zelf in een andere zaak geoordeeld dat de bevindingen van deze Commissie "ter harte genomen moeten worden" en "een belangrijk uitgangspunt" vormen (HvJ 19 april 2011, LJN BQ6342, Sancties 2011/13 rov. 4.5.4 met noot van J.M. Reijntjes). Met de annotator meen ik dat onjuist is 's Hofs opvatting in dat vonnis die er kennelijk op neerkomt dat alles wat geen strijd oplevert met art. 3 EVRM (een wezenlijk mensenrecht) daarmee niet onrechtmatig is.

6 A.w. p. 24 onder 4. Zie in meer algemene zin J. de Lange, Detentie genormeerd p. 150 e.v.

7 In gelijke zin De Lange, Sancties, a.w. onder 3.

8 Zie nader C.C. van Dam, Zorgvuldigheidsnorm en aansprakelijkheid p. 220 e.v.

9 Zie nader J. de Lange, Detentie genormeerd p. 87 e.v. Ik hecht eraan op te merken dat de detentieomstandigheden in Bon Futuro, schoon weinig optimaal, minder slecht waren dan op talloze andere plaatsen in de wereld. Maar deze laatste omstandigheden zijn binnen het Koninkrijk nu eenmaal niet de maatstaf en gelukkig maar.

10 Vaste rechtspraak sinds HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 GJS; zie nader Van Dam, a.w.; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* (2011) nr 58 en Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (Van Maanen) (2012) nr 47.

11 L. Groefsema, Hoofdlijnen van het Burgerlijk procesrecht van de Nederlandse m P. 206.

12 Zie onder meer HR 22 april 2005, LJN AS2026, NJ 2006/20 rov. 3.8.3. Hoewel de omstandigheden in die zaak geheel anders waren, kan wellicht ook enige inspiratie worden geput uit HR 8 december 1989, NJ 1990/778 CJHB.

13 HR 28 juni 1991, NJ 1992/622 CJHB.

14 Vgl. de cvr onder 7.

15 De Lange, Detentie genormeerd, p. 158 - 160; H.J.B. Sackers, Kroniek van het Penitentiair recht, Sancties 2012/13 onder 2.2.6.