Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ8782

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
12/03276
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2012:BW6572
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ8782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Nietigverklaring huwelijk op verzoek van Openbaar Ministerie; echtgenoot niet te goeder trouw, art. 1:77 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/240
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/03276

Mr. F.F. Langemeijer

15 februari 2013

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

1. Openbaar Ministerie

2. [De vrouw]

In deze zaak is op verzoek van het Openbaar Ministerie de nietigverklaring van een huwelijk uitgesproken. Daarbij is de echtgenoot niet te goeder trouw verklaard in de zin van art. 1:77 BW. Het cassatieberoep is gericht tegen elk van deze beslissingen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (geboren in juni 1986; hierna: de man) en de verweerster in cassatie (geboren in januari 1929; hierna: de vrouw) zijn op 1 juli 2008 te Zeist in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen 6 maart 2009, heeft de officier van justitie te Utrecht aan de rechtbank aldaar verzocht dit huwelijk nietig te verklaren. Aan dit verzoek heeft de officier van justitie ten grondslag gelegd dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk zodanig gestoord waren dat zij toen niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Ter verdere onderbouwing heeft de officier van justitie onder meer een verklaring van de psychiater J.J. Fedder d.d. 15 november 2008 overgelegd, die na verwijzing door de huisarts de vrouw heeft onderzocht, waarin met een voorbehoud de diagnose ziekte van Alzheimer is gesteld(1). De officier van justitie heeft bovendien correspondentie overgelegd van een namens de vrouw optredende advocaat. Volgens de officier van justitie heeft de man misbruik gemaakt van de geestelijke toestand van de vrouw.

1.3. De man heeft verweer gevoerd. Volgens hem hebben de vrouw en hij, na rijp beraad en naar aanleiding van ingewonnen advies van deskundigen om erfrechtelijke en fiscale redenen (besparing van successierechten bij eventueel overlijden van de vrouw) ervoor gekozen met elkaar in het huwelijk te treden. De man behartigde reeds, krachtens een bij notariële akte van 30 augustus 2007 door de vrouw verleende volmacht, de zakelijke belangen van de vrouw(2). Volgens de man is dit huwelijk een vorm van estate planning die door de vrouw zelf werd gewenst teneinde haar vermogen fiscaal zo gunstig mogelijk door te geven, zowel vóór als na haar overlijden. Subsidiair heeft de man de rechtbank verzocht om getuigen en een geriatrisch deskundige te horen. De vrouw, toen vertegenwoordigd door een advocaat, heeft ingestemd met onderzoek door een deskundige.

1.4. Bij beschikking van 4 juni 2009 is de vrouw onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van mr. D.J. Bonnerman tot curator. Deze curator heeft haar vanaf dat moment in het geding vertegenwoordigd.

1.5. Na verhoor van de ambtenaar van de burgerlijke stand als getuige(3) heeft de rechtbank bij beschikking van 28 oktober 2009 een onderzoek van de vrouw door een deskundige bevolen. Deze deskundige, de klinisch geriater S.P.C. Groen, heeft op 23 november 2009 rapport uitgebracht(4). Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft de rechtbank op verzoek van de officier van justitie verhoor van getuigen toegestaan. Na het horen van de geriater i.o. G.J. Lefeber en de klinisch geriater R.J. van Marum, die de vrouw op 3 april 2009 in de polikliniek geriatrie van het UMCU hebben onderzocht(5), en de reeds genoemde deskundige Groen, heeft de rechtbank bij beschikking van 24 november 2010 (LJN: BO6170) overwogen dat, met name uit de verklaringen van de medisch specialisten, voldoende is komen vaststaan dat de geestvermogens van de vrouw op het tijdstip van het sluiten van het huwelijk reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen (rov. 3.8 Rb). De rechtbank heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van een vernietiging van het huwelijk en in het bijzonder over het standpunt van de curator (en van de officier van justitie(6)) dat de man te kwader trouw heeft gehandeld.

1.6. Bij beschikking van 13 april 2011 (LJN: BQ0539) heeft de rechtbank geoordeeld dat de curator is geslaagd in het bewijs dat de man niet te goeder trouw was (rov. 3.8 Rb). De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het onderhavige huwelijk nietig is en dat de man ten tijde van het aangaan van dit huwelijk niet te goeder trouw was.

1.7. De man heeft hoger beroep ingesteld. Namens de vrouw heeft de curator het hoger beroep tegengesproken en incidenteel geappelleerd m.b.t. de proceskostenbeslissing. Het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal bij het hof, heeft het hof verzocht de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen. Bij beschikking van 5 april 2012 heeft het gerechtshof te Arnhem de beroepen beschikking(7) bekrachtigd.

1.8. De man heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Namens de vrouw heeft de curator in cassatie verweer gevoerd(8).

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I heeft betrekking op de nietigverklaring van het huwelijk. Middel II is gericht tegen het oordeel dat de man niet te goeder trouw is geweest.

2.2. Middel I keert zich tegen rov. 4.13. Voor zover de klacht in algemene bewoordingen is gesteld, zoals de mening dat het hof "te snel en/of op te lichte gronden" en zelfs "lichtvaardig" de gevolgtrekking heeft gemaakt dat de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking wilsonbekwaam was, leidt zij niet tot cassatie. Het gaat om een beoordeling van de feiten: deze is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in een cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. De in rov. 4.13 aangegeven gronden, waaronder de verwijzingen naar de uitgebrachte medische rapportages, kunnen het bestreden oordeel logisch dragen. Vanuit de veronderstelling dat in middel I ook de klacht besloten ligt dat de motivering van de nietigverklaring van een huwelijk op grond van een stoornis van de geestvermogens van de bruid of bruidegom aan hogere eisen moet voldoen dan in het algemeen voortvloeit uit de verplichting tot motivering van rechterlijke beslissingen, merk ik het volgende op.

2.3. De relevante wettelijke bepalingen zijn aangehaald in de bestreden beschikking. Art. 1:32 BW bepaalt dat een huwelijk niet mag worden aangegaan wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Wilsovereenstemming tussen de aspirant-echtgenoten is op zich niet voldoende om het huwelijk tot stand te brengen: het huwelijk wordt voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in tegenwoordigheid van ten minste twee getuigen (art. 1:63 BW). De ambtenaar van de burgerlijke stand controleert of aan de wettelijke vereisten voor een huwelijk is voldaan. Indien de ambtenaar bekend is met een huwelijksbeletsel, mag hij niet tot de huwelijksaangifte of -voltrekking meewerken (art. 1:57 BW). Bij die beslissing wordt van de ambtenaar geen bijzondere (medische/geriatrische) kennis verwacht. Het gaat erom of hij uit de hem bekende gegevens de aanwezigheid van een stoornis van de geestvermogens redelijkerwijs moet afleiden(9).

2.4. Op de grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan, kan de nietigverklaring van een huwelijk worden verzocht door onder meer het Openbaar Ministerie, mits het huwelijk niet reeds is ontbonden (art. 1:69 BW). In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de vrouw op het tijdstip van de huwelijkssluiting handelingsbekwaam was: niets wijst erop dat de vrouw toen al onder curatele stond(10). In de medische rapportage is op basis van in november 2008 (Fedder) respectievelijk in 2009 (Lefeber en Van Marum, resp. Groen) uitgevoerd onderzoek met enig voorbehoud (waarover rov. 4.13) de ziekte van Alzheimer als diagnose gesteld. In dit geding is in discussie of achteraf kan worden vastgesteld dat haar geestvermogens op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

2.5. De vraag of een persoon in staat is zijn wil te bepalen en de betekenis van zijn verklaring te begrijpen is niet slechts aan de orde bij het sluiten van een huwelijk, maar in tal van situaties: bijvoorbeeld bij het maken van een testament, het afgeven van een volmacht, het aangaan van een geneeskundige behandelingsovereenkomst en andere rechtshandelingen. Er bestaat geen algemene wettelijke definitie van wilsbekwaamheid. In de titel over 'rechtshandelingen' in Boek 3 BW is bepaald dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Heeft een persoon wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan (art. 3:34 BW).

2.6. In de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst luidt de vraag: is de betrokken persoon in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake?(11) In het gezondheidsrecht is hierover gepubliceerd(12). In het notariaat is de belangstelling voor dit onderwerp toegenomen. Als gevolg van de veroudering van de bevolking worden notarissen dikwijls met deze vraag geconfronteerd bij het opstellen van akten. De beroepsorganisatie van notarissen is tot een samenwerkingsverband met artsen gekomen om vragen omtrent de vaststelling van wilsbekwaamheid te behandelen(13). In de vakliteratuur is wel aangenomen dat een cliënt als wilsbekwaam kan worden beschouwd indien hij blijk ervan geeft, de op zijn bevattingsvermogen afgestemde informatie te begrijpen naar de mate die voor de aard en de reikwijdte van de te nemen beslissing noodzakelijk is. Met andere woorden, wilsbekwaamheid is niet alleen afhankelijk van de cognitieve vermogens van de persoon in kwestie, maar mede afhankelijk van de complexiteit van het onderwerp waarover die persoon een beslissing moet nemen(14). Zo kan een persoon bekwaam zijn om eenvoudige beslissingen te nemen en op hetzelfde moment wilsonbekwaam zijn ten aanzien van ingewikkelde zaken, omdat hij of zij de consequenties van deze laatste niet meer kan overzien. Wanneer hiervan sprake is, is uit de aard der zaak lastig te bepalen. Dit geldt te meer, indien de wils(on)bekwaamheid op een tijdstip in het verleden moet worden vastgesteld.

2.7. Het motief waarmee de aspirant-echtgenoten het huwelijk sluiten staat aan de burgerlijke overheid niet ter beoordeling. De mogelijkheid te huwen geldt als een grondrecht(15). Art. 1:67 BW vereist dat de toekomstige echtgenoten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand een bepaalde verklaring afleggen. Het sluiten van een huwelijk voor de wet vanwege de vermogensrechtelijke, erfrechtelijke of fiscale gevolgen is niet ontoelaatbaar, wat men daarvan uit moreel oogpunt ook moge vinden. Het Burgerlijk Wetboek eist een verklaring, geen zoen. Historisch beschouwd heeft een verstandshuwelijk ('mariage de raison') bovendien precedenten. Het antwoord op de vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan bestaan uit een eenvoudig: "ja" en is op zichzelf niet complex. Dit neemt niet weg dat het hof de complexiteit van de huwelijksvermogensrechtelijke en fiscale gevolgen van het onderhavige huwelijk heeft mogen betrekken in zijn beoordeling of de vrouw de betekenis van het door haar gegeven ja-woord heeft kunnen overzien.

2.8. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

"dat (...) drs. Groen en drs. Lefeber beide hebben verklaard dat de vraag of iemand wilsbekwaam is, moet worden beoordeeld aan de hand van het onderwerp waarover iemand zijn wil moet bepalen(16). In het algemeen is het moeilijker om de wil te bepalen ten aanzien van een complexe beslissing die grote consequenties heeft, aangezien een aangetast brein door bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer die consequenties minder goed kan overzien, aldus de artsen. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk van partijen een complexe beslissing betreft. Het heeft grote gevolgen op het gebied van het erfrecht en het fiscaal recht. Bovendien is te verwachten dat een huwelijk als het onderhavige, zijnde een huwelijk tussen een tante op leeftijd en haar achterneef, gevolgen heeft voor de verhoudingen binnen de familie. Het vergt daarom naar het oordeel van de rechtbank meer van iemands beoordelingsvermogen om de gevolgen van een dergelijke ingewikkelde constructie te overzien dan van gebruikelijke, dagelijkse beslissingen." (24 november 2010, rov. 3.6)

2.9. Ook het hof heeft dit aspect van belang geacht:

"Het hof is anders dan [de man] van oordeel dat het aangaan van een huwelijk een complexe beslissing is. Door het huwelijk ontstaat een vergaande lotsverbondenheid. Zo zijn echtgenoten elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd en zijn zij verplicht elkaar het nodige te verschaffen (art. 1:81 BW). Door het huwelijk ontstaan over en weer tussen de echtgenoten rechten en verplichtingen, die deels ook na ontbinding van het huwelijk blijven voortbestaan (onderhoudsverplichting). Een huwelijk heeft tevens vergaande gevolgen op fiscaal gebied, voor sociale voorzieningen en voor het erfrecht. Het moge zo zijn dat het huwelijk van [de vrouw] en [de man] uitsluitend was gericht op het verkrijgen van fiscale voordelen en dat het hun vrijstaat hun huwelijk in te richten zoals zij wensen, dat neemt nog niet weg dat ook aan dit huwelijk deze vergaande en deels dwingende gevolgen zijn verbonden. Juist de omstandigheid dat [de vrouw] en [de man] enerzijds met dit huwelijk slechts fiscaal voordeel beogen, maar anderzijds toch gebonden zijn aan alle verdere gevolgen die de wet aan het huwelijk verbindt, maakt naar het oordeel van het hof de beslissing om te huwen des te complexer." (rov. 4.6)

2.10. De deskundigen hebben aangegeven dat het moeilijk is, vanuit hun wetenschappelijke discipline met terugwerkende kracht vast te stellen of iemand op een bepaald tijdstip in het verleden wilsbekwaam was. Toch achtten zowel de klinisch geriater Groen als de psychiater Fedder het onwaarschijnlijk dat de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk nog wilsbekwaam was. Het hof heeft op basis van het rapport van Groen geconcludeerd dat de geestesvermogens van de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Daarbij heeft het hof - naast hetgeen in het algemeen bekend is over de aard van de aandoening (dementie) - in zijn oordeel betrokken dat de bevindingen van Groen worden bevestigd door de rapportages van Fedder, Lefeber en Van Marum, die de vrouw op een eerder tijdstip dan Groen hadden gezien (rov. 4.13). Ook ziet het hof ondersteuning voor dit oordeel in hetgeen de advocaat Van Haren omtrent de geestestoestand van de vrouw heeft vermeld in het beslagrekest, in de procedure tegen een nicht van de vrouw over een woning die door de vrouw voor een te lage prijs is verkocht. Hiertegenover heeft het hof geplaatst dat de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft verklaard dat zij ervan overtuigd was dat de vrouw op het moment van sluiten van het huwelijk de consequenties van het huwelijk kon overzien. De deskundige Groen heeft, in reactie daarop, te kennen gegeven dat het juist bij een hoog-intelligente vrouw die haar decorum weet te bewaren, voor een buitenstaander minder gemakkelijk is te zien dat zij de strekking van een beslissing niet meer kan overzien(17). Anders dan de toelichting op het middel veronderstelt, behoeft aan het feit dat de ambtenaar van de burgerlijke stand in dit geval geen huwelijksbeletsel aanwezig heeft geacht, niet een beslissende betekenis voor het bewijs worden toegekend. Per saldo berust het oordeel op een waardering van het bewijsmateriaal, die aan de feitenrechter is voorbehouden. Nu het oordeel van het hof toereikend is gemotiveerd, faalt de motiveringsklacht.

2.11. Voor zover middel I verder nog de klacht inhoudt dat de man ten onrechte niet is toegelaten tot levering van tegenbewijs, faalt het. In eerste aanleg heeft de man ter zititng van 25 oktober 2010, na het getuigenverhoor, gereageerd op (de bewijswaarde van) de verklaringen van de getuigen, maar de rechtbank niet om een datum voor contra-enquete verzocht. In hoger beroep heeft de man aangevoerd het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat voldoende bewezen is dat de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Volgens grief 1 gaat de rechtbank ten onrechte ervan uit dat het sluiten van een huwelijk een complexe beslissing is en heeft de rechtbank de verklaringen van de deskundigen onjuist geïnterpreteerd. Verder voerde de man in grief 4 aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan de periode kort vóór het huwelijk, waarin verscheidene personen de vrouw hebben gezien en gesproken. Het appelrekest bevat geen aanbod van tegenbewijs, noch een verzoek om gelegenheid te bieden voor een contra-enquete. Wel heeft de man aan het slot (blz. 10) een algemeen aanbod gedaan om een aantal met name genoemde getuigen (niet zijnde geriatrisch deskundigen) te doen horen. Het onderwerp van het getuigenverhoor is daarbij niet aangegeven. In de brief van de raadsman van de man aan het hof d.d. 31 januari 2012 ter voorbereiding van de mondelinge behandeling in appel, is over het horen van getuigen niets meer gezegd. Gelet op de motivering in de bestreden beschikking, heeft het hof het aanbod aan het slot van het appelrekest kennelijk niet opgevat als een verzoek om te worden toegelaten tot contra-enquete (of levering van tegenbewijs met andere middelen). De uitleg van de gedingstukken was voorbehouden aan het hof en is niet onbegrijpelijk.

2.12. Middel II heeft betrekking op de gevolgen van de nietigverklaring. Art. 1:77 BW bepaalt dat zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, de nietigverklaring van het huwelijk terugwerkt tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking. Nochtans mist de beschikking terugwerkende kracht - en heeft zij hetzelfde rechtsgevolg als een echtscheiding - ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot (art. 1:77 lid 2, aanhef en onder b, BW). Het begrip 'echtgenoot niet te goeder trouw' doet de lezer wellicht denken aan de bigamist (art. 237 Sr) of aan degene die anderszins opzettelijk voor de wederpartij een huwelijksbeletsel heeft verzwegen (art. 238 Sr), maar is niet tot die gevallen beperkt(18).

2.13. Het middel is gericht tegen rov. 4.15 en klaagt dat het hof ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de man niet te goeder trouw is. Het middel valt uiteen in vier klachten, kort samengevat:

Ten eerste had het hof nauwkeuriger moeten aangeven waarom de man te kwader trouw wordt geacht, nu de psychiater Fedder heeft verklaard dat de toestand van de vrouw voor de direct betrokkenen nauwelijks merkbaar moet zijn geweest.

Ten tweede is de beslissing m.b.t. de kwade trouw gebaseerd op verklaringen van familieleden dat zij reeds enige jaren vóór de huwelijksvoltrekking veranderingen hebben bemerkt in het gedrag van de vrouw. Volgens de klacht is het aanbod van de man om tegenbewijs te leveren zonder opgaaf van redenen gepasseerd. Daarnaast had het hof volgens het middel behoren te onderzoeken hoe het mogelijk is dat die familieleden geen actie richting huisarts of andere hulpverleners hebben ondernomen.

Ten derde heeft het hof belang gehecht aan hetgeen de advocaat Van Haren omtrent de geestelijke toestand van de vrouw had opgenomen in het beslagrekest dat hij ten behoeve van de vrouw had opgesteld. De man heeft in de feitelijke instanties een verklaring van mr. Van Haren overgelegd en aangeboden hem als getuige te doen horen, aan welk aanbod het hof volgens de klacht zonder motivering is voorbijgegaan.

Ten vierde heeft het hof van belang geacht dat de man de familie van de vrouw niet op de hoogte heeft gesteld van het voorgenomen huwelijk. Volgens de man is dit feitelijk onjuist is het hof ten onrechte zonder motivering voorbijgegaan aan het tegenbewijsaanbod van de man.

2.14. De eerste klacht treft geen doel. Het hof heeft in rov. 4.15, in zoverre in cassatie onbestreden, het tijdstip van de huwelijksvoltrekking bepalend geacht voor het antwoord op de vraag of de man te goeder trouw was. Het hof heeft zich verenigd met het oordeel van de rechtbank dat de man moet hebben gemerkt dat de vrouw ernstige cognitieve problemen had. De zichtbaarheid van cognitieve problemen van de vrouw voor anderen, in de periode tot de huwelijksvoltrekking, heeft het hof toegelicht aan de hand van verklaringen van familieleden van de vrouw en, speciaal wat betreft de wetenschap van de man, toegelicht aan de hand van het frequente contact dat de man met de vrouw had. Daarnaast is door het hof aandacht gegeven aan het normale progressieve beloop van de waarschijnlijk geachte ziekte van Alzheimer volgens de deskundigen. Geen rechtsregel of motiveringsnorm noopte het hof, dit oordeel nader af te zetten tegen de mededeling van psychiater Fedder in zijn (in rov. 4.12 door het hof al gerelateerde) brief aan de huisarts, dat de achteruitgang van de mentale vermogens, nauwelijks merkbaar voor de betrokkenen, zeer waarschijnlijk al langer gaande was. Overigens acht ik die mededeling niet onverenigbaar met het bestreden oordeel.

2.15. Ook de tweede klacht mist doel. Het middel noemt niet een vindplaats van het bewijsaanbod in de gedingstukken. Voor zover het algemeen bewijsaanbod van de man bedoeld is, aan het slot van het appelrekest, heeft het hof hierin klaarblijkelijk niet een aanbod van tegenbewijs gelezen m.b.t. de zichtbaarheid voor anderen van de stoornis van de geestvermogens. De interpretatie van de gedingstukken is voorbehouden aan de feitenrechter en niet onbegrijpelijk. Begrijpelijk is dat de man voor de waardering van het bewijs een argument ten gunste van zijn standpunt wil ontlenen aan de omstandigheid dat geen van de betrokken familieleden actie heeft ondernomen in de richting van de huisarts van de vrouw of andere hulpverlener. Dit betekent echter niet dat enige rechts- of motiveringsregel het hof noopte te onderzoeken hoe het mogelijk is dat die familieleden geen actie hebben ondernomen richting huisarts of andere hulpverlener.

2.16. Bij de derde klacht mist de man - na het voorgaande - belang, omdat zij is gericht tegen een oordeel dat de beslissing niet zelfstandig draagt. De vaststelling dat de vrouw in de periode tot de huwelijkssluiting niet langer in staat was zelfstandig haar financiën te beheren, heeft het hof enerzijds gebaseerd op de verklaringen van familieleden van de vrouw (waarover het tweede middelonderdeel gaat) en anderzijds op hetgeen door de advocaat Van Haren namens de vrouw was gesteld in een beslagrekest, in een procedure waarbij de man volgens rov. 4.15 "nauw was betrokken", met name in de omstandigheid dat zij haar woning voor een veel te laag bedrag had verkocht. Voor zover de Hoge Raad aan deze klacht toekomt, faalt zij. Weliswaar is juist dat de man heeft betoogd dat mr. Van Haren in een later schrijven (van 6 oktober 2011, in appel overgelegd) is teruggekomen op hetgeen hij in het beslagrekest had vermeld over het geheugenverlies van de vrouw en weliswaar kan worden aangenomen dat het aanbod van de man om mr. Van Haren als getuige te doen horen mede op die stelling betrekking had, maar de derde klacht gaat m.i. voorbij aan de essentie van 's hofs redengeving op dit punt. In rov. 4.15 is de essentie dat hetgeen familieleden van de vrouw hebben verklaard over gedragsveranderingen van de vrouw in de periode kort vóór het huwelijk en over het niet langer in staat zijn haar financiën zelfstandig te beheren, volgens het hof ondersteuning vindt in het gestelde verkopen van haar woning voor een veel te laag bedrag. Dat laatste heeft de man niet tegengesproken.

2.17. Bij de vierde klacht mist de man m.i. belang, omdat zij is gericht tegen een oordeel dat de beslissing niet zelfstandig draagt. Blijkens rov. 4.15 respondeert het hof slechts op een verweer van de man tegenover een door de curator ingenomen stelling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie rov. 4.12 van de bestreden beschikking van het hof.

2 Blijkens het dossier is de vrouw de zuster van de grootmoeder van de man. Zie over de voorgeschiedenis en de fiscale en notariële advisering: rov. 4.8 en 4.9 van de bestreden beschikking van het hof.

3 De verklaring is opgenomen in rov. 4.10 van de bestreden beschikking van het hof.

4 Zie rov. 4.12 van de bestreden beschikking van het hof.

5 Zie de weergave van hun bevindingen in rov. 4.12 van de bestreden beschikking van het hof.

6 Zie rov. 4.14 van de bestreden beschikking van het hof.

7 In rov. 2.1 en in het dictum is het hof ervan uitgegaan dat het principaal appel alleen gericht was tegen de eindbeschikking van 13 april 2011.

8 Het Openbaar Ministerie, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft in cassatie geen verweerschrift ingediend.

9 MvA, Parl. Gesch. Boek 1, blz. 129. In het algemeen over dit onderwerp: Asser-De Boer, 2010, nrs. 162 e.v.

10 Ook een onder curatele gestelde persoon kan huwen, mits met toestemming van de kantonrechter: art. 1:38 BW.

11 Art. 7:450 lid 3 BW.

12 Een interdepartementale werkgroep van Justitie en VWS heeft een (in januari 2007 herziene) "Handreiking voor de beoordeling van wilsbekwaamheid (voor de hulpverlener)" het licht doen zien, te raadplegen via www.rijksoverheid.nl. Uitgebreid over dit onderwerp: C.P.M. Akerboom e.a., Thematische wetsevaluatie. Wilsonbekwaamheid en vertegenwoordiging, Den Haag: ZonMW, 2011; het rapport is besproken door J.C.J. Dute en J.K.M. Gevers in: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2012, blz. 380 - 389.

13 Zie onder meer: F.G.I. Jennekens en S. Jennekens-Schinkel, De dementerende persoon, het testament en de notaris, WPNR 2005/6630, blz. 595-599; D. van Elzakker, Het beoordelen van de wils(on)bekwaamheid: een vakbekwaamheid op zich, Tijdschrift relatierecht en praktijk 2012, blz. 291 - 295, n.a.v. een "Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening".

14 E. Cleton, C.G.C. Engelbertink en S.A. van de Merwe, Wilsonbekwaamheid mede vanuit medisch perspectief nader bekeken, Fiscaal Tijdschrift Vermogen 2012 (6) 30.

15 Art. 12 EVRM; art. 23 IVBPR; art. 16 Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Trb. 1981/61).

16 De rechtbank doelt kennelijk op de verklaringen van Fedder en Groen in het getuigenverhoor van 28 mei 2010 (noot A-G).

17 Zie getuigenverhoor van Groen van 28 mei 2010 onder punt 14.

18 Nader over dit onderwerp: Asser-De Boer (2010), nr. 176.