Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ8645

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
11/02642
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ8645
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

68 Sr. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. De HR formuleert relevante vergelijkingsfactoren. Zowel het verschil in de juridische aard van de aan verdachte verweten feiten (te weten: oplichting a.b.i. art. 326 Sr en witwassen a.b.i. art. 420bis/420quater Sr) als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. De strafbaarstellingen van oplichting en (schuld)witwassen strekken immers mede ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, terwijl de strafmaxima die op oplichting en (schuld)witwassen zijn gesteld, slechts in geringe mate uiteenlopen. Het Hof heeft, kennelijk oordelend dat de desbetreffende gedragingen dezelfde geldbedragen betroffen en als één feitencomplex kunnen worden aangemerkt, daarom zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting nagelaten de (tussen)beslissingen te vernietigen van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch tot toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, en beraadslaagd en beslist op grondslag van de aldus gewijzigde tenlastelegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/101 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
VA 2014/9
NJB 2013/1268

Conclusie

Nr. 11/02642

Mr. Machielse

Zitting 5 maart 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 20 april 2011 wegens "witwassen" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

2. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft nagelaten de (tussen)beslissingen van de politierechter in eerste aanleg houdende toewijzing van een tweetal vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging te vernietigen, en/of dat het hof ten onrechte heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de gewijzigde tenlastelegging.

3.2 Bij inleidende dagvaarding is aan verdachte ten laste gelegd dat:

"hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2008 tot en met 01 augustus 2008 op hierna te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels een of meerdere perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, te weten:

zaak 1: in of omstreeks de periode van 22 mei 2008 tot en met 23 mei 2008 te Baarle-Nassau [betrokkene 1] (200 euro) en/of

zaak 2: in of omstreeks de periode van 5 juni 2008 tot en met 19 juni 2008 te Kleine Sluis [betrokkene 2] (145 euro) en/of,

zaak 3: in of omstreeks de periode van 14 juli 2008 tot en met 18 juli 2008 te Bunschoten [betrokkene 3] (300 euro) en/of

zaak 4: op of omstreeks 15 juli 2008 te Eygelshoven [betrokkene 4] (200 euro) en/of

zaak 5: in of omstreeks de periode van 5 juni 2008 tot en met 13 juni 2008 te Leeuwarden [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] ( 140 euro) en/of

zaak 6: in of omstreeks de periode van 19 juli 2008 tot en met 22 juli 2008 te Arnhem [betrokkene 7] (300 euro) en/of

zaak 7: in of omstreeks de periode van 12 juni 2008 tot en met 13 juni 2008 te Zaandam [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] (250 euro) en/of

zaak 8: op of omstreeks 16 juni 2008 te Heiloo [betrokkene 10] (200 euro) en/of

zaak 9: in of omstreeks de periode van 2 juli 2008 tot en met 5 juli 2008 te Oss [betrokkene 11] (325 euro)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- op de internetsite wwm.marktplaats.nl een of meerdere goederen (te weten een draaitafel en/of festivalkaartjes en/of een of meerdere zogenoemde iPhones en/of een zogenoemde iPod) te koop aangeboden en/of

- zich als bonafide verkoper uitgegeven en/of

- telkens een valse en/of onjuiste naam en/of vals/onjuist adres opgegeven en/of

- tegenover voornoemd(e) perso(o)nen (via e-mail en/of telefonisch) aangegeven bovengenoemde goederen na (gedeeltelijke) betaling te zullen leveren en/of

- (daarbij) met voornoemde perso(o)nen afspraken gemaakt over de prijs/koop en/of (af)levering van voornoemde goederen en/of

(vervolgens) het bankrekeningnummer [001] aan voornoemde perso(o)n(en) op/doorgegeven,

waardoor een of meerdere bovengenoemd(e) perso(o)n(en) en/of een of meerdere andere perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(s);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[Betrokkene 12] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 juni 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Eindhoven in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

een of meerdere perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, te weten:

zaak 1: in of omstreeks de periode van 22 mei 2008 tot en met 23 mei 2008 te Baarle-Nassau [betrokkene 1] (200 euro) en/of

zaak 2: in of omstreeks de periode van 5 juni 2008 tot en met 19 juni 2008 te Kleine Sluis [betrokkene 2] (145 euro) en/of,

zaak 3: in of omstreeks de periode van 14 juli 2008 tot en met 18 juli 2008 te Bunschoten [betrokkene 3] (300 euro) en/of

zaak 4: op of omstreeks 15 juli 2008 te Eygelshoven [betrokkene 4] (200 euro) en/of

zaak 5: in of omstreeks de periode van 5 juni 2008 tot en met 13 juni 2008 te Leeuwarden [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] ( 140 euro) en/of

zaak 6: in of omstreeks de periode van 19 juli 2008 tot en met 22 juli 2008 te Arnhem [betrokkene 7] (300 euro) en/of

zaak 7: in of omstreeks de periode van 12 juni 2008 tot en met 13 juni 2008 te Zaandam [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] (250 euro) en/of

zaak 8: op of omstreeks 16 juni 2008 te Heiloo [betrokkene 10] (200 euro) en/of

zaak 9: in of omstreeks de periode van 2 juli 2008 tot en met 5 juli 2008 te Oss [betrokkene 11] (325 euro)

hebbende [betrokkene 12] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- op de internetsite wwm.marktplaats.nl een of meerdere goederen (te weten een draaitafel en/of festivalkaartjes en/of een of meerdere zogenoemde iPhones en/of een zogenoemde iPod) te koop aangeboden en/of

- zich als bonafide verkoper uitgegeven en/of

- telkens een valse en/of onjuiste naam en/of vals/onjuist adres opgegeven en/of

- tegenover voornoemd(e) perso(o)nen (via e-mail en/of telefonisch) aangegeven bovengenoemde goederen na (gedeeltelijke) betaling te zullen leveren en/of

- (daarbij) met voornoemde perso(o)nen afspraken gemaakt over de prijs/koop en/of (af)levering van voornoemde goederen en/of

- (vervolgens) het bankrekeningnummer [001] aan voornoemde perso(o)n(en) op/doorgegeven,

waardoor een of meerdere bovengenoemd(e) perso(o)n(en) en/of een of meerdere andere perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(s);

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 mei 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Eindhoven en/of elders in Nederland gelegenheid, opzettelijk middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door zijn bankrekening (met bankrekeningnummer [001]) aan [betrokkene 12] en of een/of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) ter beschikking te stellen en/of (een gedeelte van) de door voornoemde benadeelden op die bankrekening gestorte geldbedragen op te nemen en aan [betrokkene 12] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) te overhandigen."

3.3 Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg van de politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 april 2009 en 4 december 2009, blijkt dat de officier van justitie aldaar heeft gevorderd dat de tenlastelegging zou worden gewijzigd in die zin dat onder het subsidiair ten laste gelegde - uiteindelijk - zou worden toegevoegd:

"meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 01 mei 2008 tot en met 01 augustus 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, goederen, te weten geld (3000 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van dat geld wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf."

3.4 Genoemde processen-verbaal houden niet in dat door de verdediging verweer is gevoerd tegen deze vorderingen. De politierechter heeft telkens de vorderingen toegewezen en het onderzoek met toestemming van de verdediging aanstonds voortgezet. Bij mondeling vonnis van 4 december 2009 heeft de politierechter verdachte vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde internetoplichtingen en hem veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde witwassen. Namens verdachte is tegen dit eindvonnis en alle eraan ten grondslag liggende tussenbeslissingen hoger beroep ingesteld. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2011 waren de redenen voor het hoger beroep gelegen in de bewezenverklaring en de hoogte van de opgelegde straf. Genoemd proces-verbaal en de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen van de aldaar aanwezige raadsman van verdachte houden niet in dat door de verdediging bij die gelegenheid is opgekomen tegen de beslissingen van de politierechter op de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging.

3.5 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel stroomlijnen hoger beroep antwoordde de Minister op vragen van leden van de Eerste Kamer of het voorgestelde stelsel neerkwam op een grievenstelsel dat dit niet het geval was, maar dat het voorgestelde stelsel wel gevolgen kon hebben voor een eventueel ambtshalve door het hof te verrichten onderzoek:

"Hetgeen de regering voorstelt behelst geen grievenstelsel in de zin dat de appellant op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep een schriftuur zou moeten indienen en dat de rechter in hoger beroep geen onderzoek zou mogen doen buiten de aangevoerde grieven om. Het gerechtshof kan dus wel degelijk op punten acht slaan waarover geen grief is geformuleerd, zelfs als in het geheel geen schriftuur is ingediend. Zulk ambtshalve onderzoek zal evenwel, anders dan de vragenstellers menen, niet standaard en in volle omvang geschieden maar een beperkt, aanvullend karakter dragen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat bij het ontbreken van weerwoord van de verdachte onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd."(1)

Gelet op deze uitlating van de Minister en op de strekking van de nieuwe wet, die de procedure in hoger beroep wil concentreren op hetgeen procespartijen verdeeld houdt,(2) ligt het niet voor de hand een arrest van een hof te vernietigen vanwege het ontbreken van een vernietiging door het hof van een beslissing van de rechtbank waarom niet is gevraagd. Gelet op de voorgaande houd ik mijn bespreking van de thans in cassatie opgeworpen klacht beperkt.

3.6 De steller van het middel voert aan dat het hof heeft miskend dat de door de politierechter toegewezen vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging niet voor toewijzing vatbaar waren nu de tenlastelegging als gevolg van die wijzigingen niet langer 'hetzelfde feit' inhield.

3.7 Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een wijziging van de tenlastelegging is volgens bestendige jurisprudentie de aan te leggen maatstaf of de in de aanvankelijke tenlastelegging omschreven gedraging hetzelfde feit in de zin van art. 313, tweede lid, Sv in verbinding met art. 68 Sr vormt als de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven gedraging. Bij toepassing van die maatstaf dient te worden onderzocht

(i) of de verwantschap tussen de verschillende delictsomschrijvingen waarop de oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan zijn toegesneden, mede in aanmerking genomen of de strekking van de verschillende delictsomschrijvingen niet wezenlijk uiteenloopt, van zodanige aard is, en tevens

(ii) of de in die oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan verweten gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte,

dat de gedachte achter de in art. 313, tweede lid, Sv opgenomen beperking, die naar art. 68 Sr verwijst, meebrengt dat de gevorderde wijziging toelaatbaar is.(3)

3.8 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit', dient de rechter de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken:

- de juridische aard van de feiten:

indien de ten laste gelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding en

- de gedraging van de verdachte:

indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Opmerking verdient dat uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr.(4)

3.9 Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen maak ik op dat verdachte zijn bankrekeningnummer ter beschikking heeft gesteld aan [betrokkene 12], hij vervolgens geldbedragen op zijn bankrekening ontving die afkomstig waren uit door [betrokkene 12] gepleegde internetoplichtingen en hij een deel van deze geldbedragen voor zichzelf heeft gehouden. Deze aan verdachte verweten gedraging is in de oorspronkelijke tenlastelegging omschreven als - kort gezegd - medeplegen van althans medeplichtigheid aan oplichting, en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging als - kort gezegd - witwassen althans schuldwitwassen.

3.10 Art. 326 Sr maakt deel uit van Titel XXV, "bedrog". Het eerste lid kent een strafbedreiging van vier jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie. De bepaling strekt ertoe het vermogen en het vertrouwen in het handelsverkeer te beschermen. Artt. 420bis en 420quater Sr maken deel uit van Titel XXXA, "witwassen", en worden respectievelijk bedreigd met eveneens vier jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie en met één jaar gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie. De bepalingen beschermen de integriteit van het financiële en economische verkeer door tegen te gaan dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft.

3.11 De misdrijven oplichting en witwassen vertonen een zekere verwantschap, in die zin dat beide bestaan in het verhullen van de werkelijke aard of bedoeling van het handelen van verdachte. In die zin beschermen beide delictsomschrijvingen het vertrouwen van waaruit men een ander in het maatschappelijk verkeer tegemoet moet kunnen treden en keren zij zich tegen misleiding. Oplichting en witwassen zijn derhalve beide in de vermogensrechtelijke sfeer te plaatsen doordat zij zijn gericht op bescherming van het financieel economische (handels)verkeer. Ook gezien de toepasselijke strafmaxima loopt de juridische aard van oplichting en witwassen niet wezenlijk uiteen. Bovendien is de feitelijke gedraging die verdachte wordt verweten en die in de oorspronkelijke tenlastelegging reeds duidelijk stond omschreven in het subsidiair ten laste gelegde, onveranderd gebleven. Tegen deze achtergrond bezien getuigt het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de tenlastelegging door toelating van de wijziging geen ander feit is gaan behelzen en derhalve geen aanleiding bestond de door de politierechter toegestane wijziging van de tenlastelegging te vernietigen, naar mijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering omtrent zijn impliciete oordeel was het hof niet gehouden, mede in aanmerking genomen dat de verdediging op geen enkel moment in feitelijke aanleg tegen de wijziging van de tenlastelegging heeft geageerd.

3.12 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt eveneens over het meer subsidiair ten laste gelegde. De steller van het middel betoogt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft nagelaten de tenlastelegging in zoverre nietig te verklaren. De steller van het middel voert aan dat nu de vordering tot wijziging van de tenlastelegging verwijst naar art. 420bis Sr maar de in de hierboven onder 3.3 weergegeven tekst vermelde woorden "goederen" en "terwijl hij ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van dat geld wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden" niet voorkomen in de delictsomschrijving van witwassen en afkomstig lijken te zijn uit de delictsomschrijving van heling, uit de tenlastelegging niet valt op te maken welk strafbaar feit verdachte zou hebben gepleegd. Daardoor is niet voldaan aan de in art. 261 Sv besloten liggende eisen dat het feit duidelijk en begrijpelijk moet zijn omschreven.

4.2 Deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer betreffende de inhoudelijke nietigheid van de dagvaarding niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. De beoordeling van het verweer dat de dagvaarding nietig is wegens onduidelijkheid hangt immers samen met waarderingen van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is.(5) Ten overvloede merk ik op dat nu de nietigheid van de dagvaarding in feitelijke aanleg niet is ingeroepen bij verdachte kennelijk helemaal geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten.

4.3 De steller van het middel betoogt verder dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gekwalificeerd als witwassen nu de tenlastelegging door de steller daarvan klaarblijkelijk is toegesneden op heling en de bewezenverklaring niet alle bestanddelen van witwassen bevat.

4.4 Ik stel voorop dat de interpretatie van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter, met als grens dat die interpretatie niet in strijd mag zijn met de bewoordingen van de tenlastelegging. De rechter dient acht te slaan op de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging en mag de verdachte niet verrassen met een interpretatie die op grond van de tekst van de tenlastelegging en op grond van de behandeling ter terechtzitting in redelijkheid niet had kunnen worden verwacht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt de uitleg van de rechter van de tenlastelegging, zolang deze niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging, ofwel onbegrijpelijk is, gerespecteerd. Hoewel aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat de tenlastelegging onderdelen bevat die afkomstig lijken te zijn uit de delictsomschrijving van heling, heeft het hof de tenlastelegging kennelijk opgevat als te zijn gericht op witwassen. In aanmerking genomen dat op de op 27 april 2009 door de steller van de tenlastelegging gedane vordering tot wijziging van de tenlastelegging als overtreden artikel staat vermeld "artikel 420 bis, lid 1 sub b, Wetboek van Strafrecht" en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2011 en de aldaar overgelegde pleitaantekeningen door zowel de advocaat-generaal als de raadsman van verdachte is gesproken over het "witwassen van geld", is die uitleg en de daarop gebaseerde kwalificatie niet onbegrijpelijk.

4.5 Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 juni 2008 in Nederland goederen, te weten geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van dat geld wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

4.6 Art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr luidt:

"Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf."

4.7 De mening van de steller van het middel dat de bewezenverklaring niet alle bestanddelen van art. 420bis Sr bevat, deel ik niet. Integendeel, doordat de bewezenverklaring de woorden "hij ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van dat geld" bevat, die niet op de delictsomschrijving van witwassen lijken te zijn gestoeld, staat er eerder meer dan minder dan nodig is. Ik wijs er op dat de tekst van artikel 420bis, lid 1 onder b, Sr niet uitsluit dat de wetenschap bij verdachte heeft bestaan ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat in plaats van "voorwerpen" gesproken wordt van "goederen" merk ik op dat ik dit beschouw als een kennelijke misslag die voor verbeterde lezing in aanmerking komt.

4.8 Het middel faalt.

5.1 Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

5.2 Het cassatieberoep is op 3 mei 2011 ingesteld en de stukken van het geding zijn eerst op 22 juni 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn(6) met vijf maanden en bijna drie weken is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

5.3 Ambtshalve merk ik op dat thans reeds meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en de overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd. De Hoge Raad zal de opgelegde werkstraf kunnen verminderen, rekening houdend met de mate van overschrijding van de redelijke termijn.

6. De eerste twee middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde middel slaagt.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kamerstukken I 2005/06, 30320, C, p. 2.

2 Kamerstukken I 2005/06, 30320, C, p. 1, 5.

3 HR 1 februari 2011, LJN: BM9102, NJ 2011, 394 m.nt. Buruma, r.ov. 2.2.3.

4 HR 1 februari 2011, LJN: BM9102, NJ 2011, 394 m.nt. Buruma, r.ov. 2.9.1.-2.9.2.; HR 6 maart 2012, LJN: BS1716, NJ 2012, 448 m.nt. Reijntjes, r.ov. 2.3.

5 HR 29 september 2009, LJN: BI1171, NJ 2009, 541 m.nt. Reijntjes, r.ov. 3.1.2.

6 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH; HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis.