Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ8173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
12/05977 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ8173
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep o.g.v. art. 80a RO. De middelen gaan zonder opgave van redenen voorbij aan de vaste rechtspraak van de HR m.b.t. de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen in HR LJN BX0146, rov. 2.3.1. is overwogen omtrent de toepassing van art. 80a RO indien cassatieklachten blijk geven van miskenning van vaste rechtspraak, is de HR van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1270
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/05977 U

Mr. Aben

Zitting 2 april 2013

Conclusie inzake:

[De opgeëiste persoon]

1. De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 oktober 2012 de gevraagde uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Republiek Suriname toelaatbaar verklaard ter zake van het in de bestreden uitspraak omschreven feit.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel houdt in dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, zulks op de grond dat onvoldoende is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon voor de feiten waarvoor uitlevering is toegestaan werd en/of is vervolgd.

3.2. De bestreden uitspraak houdt hieromtrent als volgt in:

"3.1. Vervolging in Nederland

De verdediging heeft betoogd dat de opgeëiste persoon mogelijk in Nederland wordt vervolgd, waardoor uitlevering niet mogelijk is. De aanhouding van de opgeëiste persoon heeft vragen opgeroepen. Hij is op anderhalve kilometer afstand van zijn woonadres aangehouden. De vraag was hoe de verbalisanten wisten dat zij de opgeëiste persoon aanhielden. Toen deze vraag werd gesteld kwam naar voren dat er meer handelingen zijn verricht dan alleen handelingen in het kader van een aanhouding, maar het openbaar Ministerie stelde zich op het standpunt dat het daaromtrent geen informatie hoefde te verstrekken. Dat klopt, maar dat roept bij de verdediging wel de vraag op wat er nog meer is gebeurd en of van een vervolging in Nederland sprake is. Indien kan worden vastgesteld dat daden van vervolging in Nederland hebben plaatsgevonden, dan is uitlevering niet mogelijk.

Volgens de officier van justitie moet het verweer verworpen worden. Er zijn opsporingshandelingen verricht om de opgeëiste persoon aan te houden, omdat de ULW hiertoe de mogelijkheid geeft. Dat is het kader waarin de opsporingsmiddelen zijn ingezet. Het hing niet om het adres op de [a-straat], want dat adres was bij het Openbaar Ministerie bekend. Het Openbaar Ministerie moest wel zeker weten dat het de opgeëiste persoon was die werd aangehouden. Bovendien was de kans aanwezig dat de opgeëiste persoon zou zijn gevlucht als bij de [a-straat] de verkeerde persoon zou worden aangehouden. Er vindt geen vervolging in Nederland plaats, aldus de officier van justitie. Alle opsporingshandelingen zijn verricht in het kader van de aanhouding van de opgeëiste persoon wegens het uitleveringsverzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verzekering die de officier van justitie hieromtrent ter zitting heeft gegeven. Noch het dossier noch hetgeen de verdediging heeft aangevoerd biedt aanknopingspunten voor de stelling dat van een vervolging in Nederland sprake is."

3.3. Het cassatiemiddel komt op tegen dit oordeel, daartoe aanvoerend dat de rechtbank uitsluitend is afgegaan op hetgeen de officier van justitie mondeling ter zitting heeft meegedeeld. Op deze wijze heeft de rechtbank zich geen "daadwerkelijk" oordeel kunnen vormen.

3.4. Op de mager onderbouwde stelling van de verdediging dat er mogelijk meer aan de hand is geweest, heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat jegens de opgeëiste persoon opsporingshandelingen zijn verricht strekkende tot zijn aanhouding. De officier van justitie heeft ter zitting verzekerd dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland geen strafvervolging is ingesteld. Op dergelijke mededelingen kon de rechtbank m.i. haar oordeel baseren, te meer gelet op hetgeen de raadsman tegen de uitlatingen van de officier van justitie heeft ingebracht. De rechtbank heeft dus niet-onbegrijpelijk geoordeeld dat van een Nederlandse vervolging geen sprake was.

Daarbij merk ik ten overvloede op dat beantwoording van de vraag of een lopende strafvervolging een uitleveringsbeletsel oplevert is voorbehouden aan de minister. Het middel is dus sowieso tevergeefs voorgesteld.

4.1. Het tweede middel houdt in dat de toelaatbaarverklaring een dreigende schending zal opleveren van het EVRM, meer in het bijzonder vanwege de duur van het voorarrest.

4.2. De uitspraak houdt als volgt in:

"Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat uitlevering aan Suriname een schending van de artikelen 3 en 5 van het EVRM oplevert. De dreigende schending is het gevolg van de detentieomstandigheden in Surinaamse penitentiaire instellingen, de lange duur van de voorlopige hechtenis in Suriname en de combinatie van deze twee omstandigheden In dat verband wordt op twee rapporten gewezen. Allereerst het Country Report on Human Rights Practices for 2011 van het U.S. Department of State met betrekking tot Suriname. Opvallend is dat al in de tweede alinea het volgende wordt gesteld: "The most serious human rights problems were overcrowded detention facilities, lengthy pretrial detention (. )" Dat laatste is het geval omdat er domweg te weinig rechters in Suriname zijn. Dan dreigt een flagrante schending van het EVRM. Als die dreiging reëel is, en dat is het gezien voornoemd rapport dan moet uitlevering worden geweigerd. Te meer omdat de detentieomstandigheden erg ' slecht zijn, naar eveneens blijkt uit voornoemd rapport. Er is onder meer geen ventilatie de hitte is extreem, er is overbevolking en de sanitaire voorzieningen zijn onvoldoende ' Daarnaast blijkt uit het rapport dat een groeiend aantal personen dat al veroordeeld is desalniettemin in "pre-trial detention" blijft. In het rapport "Gearresteerd in Suriname" dat op de website van de rijksoverheid kan worden gevonden, staat verder het volgende beschreven: "Door een tekort aan cellen kan de overbrenging van politiebureau naar gevangenis soms maanden op zich laten wachten " Samenvattend zijn er dus drie problemen in Suriname. Het verblijf in het politiebureau duurt te lang, het duurt te lang voordat een verdachte wordt berecht waardoor de voorlopige hechtenis erg lang duurt en indien een verdachte uiteindelijk is berecht en veroordeeld wordt hij nog geconfronteerd met de slechte omstandigheden in detentie. Dan is er vervolgens ook nog sprake van foltering in de zin van het VN-verdrag Volgens het eerstgenoemde 'Human Rights-rapport' zijn er geïsoleerde incidenten van mishandeling door de politie en officiële gevangenismedewerkers. De opgeëiste persoon zal niet systematisch worden gemarteld, maar het staat aldus wel vast dat er gevangenismedewerkers zijn die gedetineerden mishandelen. Gelet op het vorenstaande wordt primair bepleit de uitlevering niet toe te staan, subsidiair wordt verzocht om de Minister van Veiligheid en Justitie in de aanbiedingsbrief te adviseren niet tot uitlevering over te gaan.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het primaire en subsidiaire verweer. Zij heeft dit, kort weergegeven, als volgt onderbouwd. De vraag is of de rechtbank in de onderhavige uitleveringszaak over de gestelde mensenrechtenschendingen kan beslissen. Dit kan in de regel enkel als er van een voltooide schending sprake is. Dat heeft de verdediging echter niet bepleit. Reeds daarom kan het primaire verweer niet slagen. Het subsidiaire verweer, het advies aan de Minister inzake de feitelijke uitlevering, dient eveneens te worden verworpen. Er moet een 'real risk' op een schending als bedoeld in de artikelen 3 en 5 EVRM zijn. Er moeten tevens 'substantial grounds' zijn. Door de verdediging zijn geen 'substantial grounds' aangevoerd en evenmin dat er van een 'real risk' sprake is dat er een schending zal plaatsvinden. Het verweer is aldus onvoldoende onderbouwd om het advies aan de Minister te geven dat de uitlevering moet worden geweigerd. Daartoe is geen reden. Gewezen wordt onder meer op een mensenrechtenrapport dat Suriname aan de VN mensenrechten raad heeft gepresenteerd (19 mei 2011), een Human rights report van 11 maart 2010 en een UN General Assembly Report van 11 juli 20-11. De mishandelingen van gedetineerden gaan om op zichzelf staande gevallen. Voorts staat in alle rapporten dat het voorarrest in Suriname lang duurt maar dat gedetineerden na 164 dagen voorlopige hechtenis, als dan nog geen berechting plaatsvindt, worden vrijgelaten. Tevens is het aantal rechters in Suriname uitgebreid. Ten slotte zijn er in Suriname mogelijkheden om naar een rechtbank te gaan om misstanden te laten toetsen. Dit vloeit voort uit het bilaterale verdrag dat Nederland en Suriname met elkaar hebben gesloten en het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank verwerpt het primaire verzoek. Gesteld noch gebleken is dat in Suriname ten aanzien van de opgeëiste persoon reeds een inbreuk op de artikelen 3 en/of 5 EVRM heeft plaatsgevonden. Ook is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 5 EVRM zonder dat daarvoor een 'effective remedy' bestaat. De rechtbank volstaat met te verwijzen naar de mogelijkheid om de voorlopige hechtenis te (laten) toetsen door de rechter in Suriname die op basis daarvan de hechtenis kan opheffen. De raadsman heeft de rechtbank subsidiair verzocht om de Minister van Veiligheid en Justitie in haar aanbiedingsbrief te adviseren om de opgeëiste persoon niet aan Suriname uit te leveren wegens een dreigende schending van artikel 3 en 5 EVRM. Ook dit verzoek zal de rechtbank niet honoreren. De verdediging heeft onder verwijzing naar rapporten gesteld dat de detentieomstandigheden, de duur van het voorarrest en de termijn waarbinnen de opgeëiste persoon zal worden berecht in Suriname te wensen overlaten, hetgeen een dreigende schending van de artikelen 3 en/of 5 EVRM oplevert. Dit betreft echter algemene informatie. De verdediging heeft nagelaten om concrete omstandigheden aan te dragen waaruit kan blijken dat juist de opgeëiste persoon als gevolg van de uitlevering een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Het is onvoldoende om ter onderbouwing te verwijzen naar geïsoleerde schendingen. Evenmin heeft de verdediging voldoende deugdelijk onderbouwd waarom uitlevering schending van artikel 5 EVRM zou opleveren. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen bestaat in Suriname de mogelijkheid om de (voorlopige) hechtenis door de rechter te laten toetsen. Gelet hierop zal de rechtbank in haar adviesbrief niet aan de Minister van Veiligheid en Justitie adviseren om de uitlevering van de opgeëiste persoon te weigeren."

4.3. Het middel richt zich blijkens de toelichting op de overweging dat geen sprake is van een dreigende schending van art. 5 EVRM nu in Suriname ter zake kan worden geklaagd. Hierover klagen zou geen "effective remedy" zijn, als gevolg waarvan de beslissing van de rechtbank ondeugdelijk is gemotiveerd.

4.4. Zoals door de Hoge Raad eerder voorop gesteld, moet ook in deze zaak in de eerste plaats worden aangenomen dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het thans toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname heeft kunnen afstemmen op de aard en mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in Suriname, terwijl sedertdien die verdragsrelatie is gecontinueerd. Daarom is uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, LJN AE5288). Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk (vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004/42; zie voorts HR 26 april 2011, LJN BQ0838, NJ 2011/206).

4.4. De rechtbank heeft deze uitgangspunten niet miskend. Het oordeel van de rechtbank getuigt dan ook niet van een verkeerde rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk het oordeel over de effective remedy. De enkele in cassatie aangevoerde stelling dat die effective remedy er niet is, is onvoldoende om dat oordeel in cassatie aan te tasten.

5. De middelen falen.

6. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden