Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ8167

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
11/03151 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ8167
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontbreken bij de stukken van het geding van een deel van de door de raadsman in h.b. overgelegde pleitnota. Vzv. wordt geklaagd dat de zich bij de stukken bevindende pleitnota onvolledig is, moet er in cassatie in beginsel van worden uitgegaan dat een pleitnota die zich bevindt bij de op de voet van art. 434.1 Sv aan de HR gezonden stukken, zowel wat inhoud als omvang betreft dezelfde is als die door de raadsman bij de behandeling van de zaak is overgelegd. Dat is slechts anders indien in cassatie op grond van bijz. omst. moet worden aangenomen dat het stuk niet of niet volledig overeenkomt met hetgeen door de raadsman is overgelegd. Een zodanige bijz. omst. doet zich i.c. niet voor. I.c. is er geen grond om aan te nemen dat de zich bij de stukken van het geding bevindende pleitnota afwijkt van die welke door de raadsman is overgelegd (vgl. HR LJN AB3288).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03151 J

Mr. Vegter

Zitting 5 maart 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 5 oktober 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam op 30 juni 2011 de verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor 66 uren, subsidiair 33 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Mr. W.A. Monster, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2011 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotities zich niet bij de stukken van het geding bevinden.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van voormelde terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Dit proces-verbaal houdt daaromtrent in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman doet dit aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt."

3.3. De in dit proces-verbaal vermelde pleitnotities ontbreken deels bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig art. IV, derde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 (Stcrt. 2008, 147) heeft de raadsvrouwe van de verdachte bij faxbericht van 9 juli 2012 tijdig aan de Rolraadsheer van de Hoge Raad verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnotities. Bij brief van 27 augustus 2012 heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad aan de raadsvrouwe de eerste twee pagina's van de pleitnotities verzonden. Voorts heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij schrijven van 1 augustus 2012 aan het Gerechtshof Amsterdam verzocht de ontbrekende pagina 3 van de pleitnotities aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen. In reactie hierop heeft een gerechtssecretaris van het Gerechtshof Amsterdam bij brief van 27 augustus 2012 aan de afdeling dossierbehandeling van de Hoge Raad bericht dat pagina 3 van de pleitnotities niet meer kan worden aangeleverd, nu dit stuk kennelijk in het ongerede is geraakt.

3.4. Gelet hierop valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nu het blijkens bij het Hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.(1)

3.5. Het middel is gegrond.

4. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen.(2) De redelijke termijn in cassatie zal derhalve worden overschreden. Na terugwijzing kan dit tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak bij het Hof aan de orde worden gesteld.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 20 september 2011, LJN BR0466; HR 17 november 2009, LJN BJ8565; HR 13 oktober 2009, LJN BJ3446; HR 16 december 2008, LJN BF0754 en HR 15 februari 2005, LJN AR5742, NJ 2005/384.

2 Deze termijn liep af op 13 november 2012.