Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ8165

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
11/03120
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ8165
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03120

Mr. Hofstee

Zitting: 5 maart 2013

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 31 maart 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "1. Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 850,-, subsidiair 17 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden en wegens "2. Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 2 weken.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/03120 en 11/03121. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof niet, althans onvoldoende, heeft gereageerd op het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de herkenning door de verbalisanten twijfelachtig is, zodat het arrest niet voldoende met redenen is omkleed.

5. Het middel is vruchteloos voorgesteld. Daargelaten de vraag of hetgeen de verdediging op 's Hofs terechtzitting naar voren heeft gebracht valt aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv(1), heeft het volgende te gelden. Het middel ziet eraan voorbij dat het Hof - zoals ook al volgt uit zijn in het bestreden arrest opgenomen bijzondere bewijsoverweging - aan zijn bestreden oordeel niet alleen ten grondslag heeft gelegd het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten (bewijsmiddel 1), inhoudende de ambtshalve herkenning van verzoeker. Het oordeel van het Hof dat het redelijkerwijs uitgesloten is dat een ander dan verzoeker de bestuurder van de betreffende personenauto was, is mede gegrond op de eveneens voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 3), inhoudende dat hij de auto, waarvan hij de eigenaar is, aan verzoeker had uitgeleend. Bovendien wijs ik erop dat voornoemd proces-verbaal van bevindingen als eigen waarneming van de verbalisanten inhoudt dat zij de door hen als bestuurder van de auto herkende persoon - welke persoon na te zijn aangehouden verzoeker bleek te zijn (bewijsmiddel 2) - van die auto zagen wegrennen.

6. Dat het Hof op grond van voornoemde omstandigheden heeft geoordeeld dat redelijkerwijs is uitgesloten dat een ander dan verzoeker de bestuurder van de betreffende personenauto was, acht ik niet onbegrijpelijk. Door aldus te overwegen heeft het Hof de verwerping van het standpunt dat verzoeker niet de bestuurder van de betreffende personenauto is geweest, toereikend gemotiveerd weerlegd. De bewezenverklaring is dan ook voldoende met redenen omkleed.

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik meen van niet, nu de raadsman slechts twijfels heeft geuit.