Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ7171

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
12/00233
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2011:BU8988
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ7171
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/00233

Mr. Vegter

Zitting: 19 februari 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 22 december 2011 verdachte ter zake van 'overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest. Voorts is naast verbeurdverklaring beslist op een vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, alles als nader in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over verzuim van vormen, omdat het Hof het verzoek de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Het Hof heeft de toewijzing van dat verzoek tijdens de regiezitting van 26 augustus 2010 niet noodzakelijk geoordeeld, nu deze getuigen niet over de directe aanleiding van de aanrijding kunnen verklaren. Het middel faalt reeds gelet op HR 3 november 2009, LJN BK1798, NJ 2009/553. De Hoge Raad verwoog immers als volgt:

" 2.2.4. (...) Redelijke wetstoepassing brengt dan ook mee dat art. 322, vierde lid, Sv ook de uit hoofde van art. 315 Sv gegeven bevelen tot oproeping van getuigen omvat. Een dergelijk bevel blijft dus bij het opnieuw aanvangen van het onderzoek in stand. Is de getuige dan niet verschenen, dan zal overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 2.2.3 is geoordeeld, een beslissing uit hoofde van de art. 287 en 288 Sv moeten worden gegeven.

2.2.5. Ten overvloede zij opgemerkt dat het voorgaande niet geldt ten aanzien van de op de voet van de art. 328 en 331 Sv in verbinding met art 315 Sv gegeven afwijzende beslissingen op ter terechtzitting gedane verzoeken tot oproeping van getuigen. Ten aanzien van die afwijzende beslissingen geldt art. 322, vierde lid, Sv niet. Wordt na een dergelijke beslissing het onderzoek opnieuw aangevangen, dan zal voor het verkrijgen van een voor hoger beroep of cassatie vatbare beslissing het desbetreffende verzoek opnieuw moeten worden gedaan."

Na afwijzing van het getuigenverzoek op de regiezitting is tijdens de vervolgzitting van 7 oktober 2011, waarbij het Hof anders was samengesteld, het onderzoek opnieuw aangevangen. Het verzoek had derhalve opnieuw moeten worden gedaan om daartegen (na hernieuwde afwijzing) in cassatie te kunnen opkomen.

4. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Het middel klaagt terecht niet over het op de regiezitting door het Hof gebezigde criterium voor afwijzing. Gelet op de artikelen 315 jo 415 Sv geldt als criterium dat het Hof de noodzakelijkheid moet zijn gebleken. De afwijzing van het verzoek is gestoeld op de stelling dat de getuigen niet over de directe toedracht van de aanrijding kunnen verklaren. Dat is niet onbegrijpelijk nu beide getuigen in het geheel niet verklaren over het rijgedrag van het slachtoffer op de vroege ochtend van 12 oktober 2008 op de Markerwaarddijk in de gemeente Lelystad. Schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn aan de pleitnota gehecht.(1) Uit een verklaring van [betrokkene 1] komt naar voren dat op de avond van 12 oktober 2008 (kennelijk is bedoeld 11 oktober 2008; PV) een jongeman met zijn auto voor de discotheek op de kaasmarkt te Enkhuizen opmerkelijk verkeersgedrag (kunstjes) vertoonde en behoorlijk dronken was. Die jongen reed met zeer hoge snelheid richting Lelystad en zou dezelfde avond zijn verongelukt. [Betrokkene 2] verklaart over wat hij op 12 oktober 2008 heeft gezien 'voor bij de discotheek in de kaasmarkt' en houdt met name in: 'Er kwam een heel snel rijdend auto de kaasmarkt Golf merk leek of die dronken of wat had ingenomen als (pillen).' In de verklaring van [betrokkene 2] ontbreekt elk (direct) verband met het slachtoffer. Ook als met de steller van het middel wordt aangenomen dat gevaarlijk rijgedrag van het slachtoffer van betekenis kan zijn voor de schuld van verdachte, valt niet in te zien waarom de afwijzing van het getuigenverzoek onbegrijpelijk zou zijn. Immers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen met geen mogelijkheid verklaren over de vraag of het slachtoffer zich in zijn stilstaande auto in de vluchthaven bevond dan wel, zoals door de verdediging wordt gesuggereerd, gevaarlijk rijgedrag vertoonde. Het middel faalt reeds op de onder 5 genoemde grond, maar is ook overigens tevergeefs voorgesteld.

5. Het tweede middel klaagt over verzuim van vormen, omdat het verzoek om contra-expertise ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd is afgewezen. Het verzoek is bij pleidooi gedaan voor zover verdachte niet van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken. In de pleitnota valt onder 15 te lezen: 'Subsidiair, in het geval dat uw hof bewezenverklaring van het primair telastegelegde geïndiceerd acht, verzoek ik uw hof opdracht te geven tot het verrichten van contra-expertise, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de hiervoor bekritiseerde aannames.'

6. In het arrest (p.4) heeft het Hof in verband met het verzoek het volgende overwogen en beslist:

'De raadsman heeft subsidiair verzocht opdracht te geven tot het verrichten van een contra-expertise, waarin met name aandacht dient te worden besteed aan de vraag of het aangetroffen remregelspoor van het linkervoorwiel van verdachtes voertuig afkomstig is en of het voertuig van [betrokkene 3] op de vluchthaven al dan niet stilstond.

De noodzaak van een dergelijke contra-expertise is niet gebleken. Niet is aangevoerd of gebleken dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal VOA, zoals ter terechtzitting van het hof op 7 oktober 2011 toegelicht door verbalisant [verbalisant 1]. Het hof wijst het verzoek daarom af.'

7. Gelet op de artikelen 315 jo 415 Sv geldt als criterium voor de inwilliging van het verzoek dat het Hof de noodzakelijkheid moet zijn gebleken. Het Hof heeft door te overwegen dat de noodzaak niet is gebleken het juiste criterium toegepast. Het Hof heeft beide volgens de raadsman 'dubieuze aannames' in het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA), dat als bewijsmiddel 1 voor het bewijs is gebezigd, voor het bewijs gebruikt. De pleitnota verwoordt beide 'aannames' aldus:

'11. In de eerste plaats wordt aangenomen dat het remregelspoor afkomstig is van het linkervoorwiel van de BMW (zie VOA p. 14 van 28). Indien dit spoor echter van het rechtervoorwiel afkomstig zou zijn en de Golf als het ware zou zijn doorgeschoten naar de vluchthaven, dan zou er geen strijd meer zijn met de hiervoor omschreven toedracht. Overigens, zou dit spoor kunnen worden toegeschreven aan de auto van [betrokkene 4], die immers zoals hij heeft verklaard ook hard moest remmen?;

12. In de tweede plaats wordt aangenomen dat de Golf op de vluchthaven stil stond (zie VOA p. 5 van 28). Op basis van deze aanname worden de diverse snelheden berekend. Indien echter, zoals [betrokkene 5] heeft verklaard, de Golf langzaam en gedeeltelijk over de vluchthaven of vluchtstrook reed, ook tijdens de aanrijding, dan zijn deze berekeningen van onwaarde;

13. De ter terechtzitting van het hof dd 7 oktober 2011 gehoorde deskundige [verbalisant 1] heeft weliswaar verklaard dat de eerste aanname wel degelijk juist is en de tweede aanname niet relevant, maar deze slager keurt zijn eigen vlees. Voorts is het niet goed denkbaar dat [betrokkene 4] zich ook zou vergissen in de door kli├źnt gereden snelheid. De VOA berekening van deze snelheid moet om wat voor reden dan ook gewoonweg fout zijn;'

8. Waarom de raadsman het eerste genoemde gegeven uit het proces-verbaal VOA aanmerkt als aanname maakt hij niet duidelijk. Het betreft geen aanname, maar een resultaat van technisch onderzoek.(2) De raadsman stelt in zijn pleitnota alleen maar dat hij zelf niet deskundig is op het gebied en daarin ligt, naar het mij voorkomt, besloten dat hij niet goed in staat is te beoordelen waarop in de verkeersongevalsanalyse bepaalde uitkomsten zijn gebaseerd. Reeds gelet hierop is niet onbegrijpelijk dat het Hof overweegt dat niet is aangevoerd of gebleken dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal VOA, zoals ter terechtzitting van het Hof op 7 oktober 2011 toegelicht door de verbalisant [verbalisant 1]. Dat het Hof hiermee vooruitloopt op de uitkomsten van een nog te verrichten contra-expertise kan ik niet volgen.

9. Met betrekking tot de tweede door de raadsman genoemde 'dubieuze aanname' houdt het proces-verbaal VOA als concluderend antwoord op de vraag of voertuig 2 (de VW, PV) stilstond op het moment van aanrijding in: 'Gezien het feit dat de bestuurder van voertuig 2 zijn autogordel niet droeg, de versnellingspook in de stand neutraal stond is het vrijwel zeker dat het voertuig op het moment van de aanrijding stil stond'. Hiertegenover zet de raadsman in de pleitnota de verklaring van de getuige [betrokkene 5], die onder meer inhoudt dat de Golf langzaam reed. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof ook op basis van deze verklaring een contra-expertise niet noodzakelijk acht. Immers die verklaring heeft, zoals het Hof elders in het arrest al heeft uiteengezet, geen betrekking op hetgeen zich in de laatste periode onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval heeft voorgedaan. Daar komt bij dat de deskundige [verbalisant 1] ter terechtzitting van 7 oktober 2011 heeft verklaard dat gesteld dat de Golf op de vluchtstrook langzaam reed, dat geen invloed zou hebben gehad op de berekende snelheden.

10. In de toelichting op het middel wordt dan nog aandacht besteed aan het belang van contra-expertise in het algemeen en de rechtspraak van uw Raad(3) waarin gewicht is toegekend aan de eis van een eerlijke procesvoering die kan meebrengen dat aan verzoek tot tegenonderzoek gevolg moet worden gegeven, alsmede de omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen. Daartoe behoren uiteraard de gronden van het verzoek waaraan hierboven reeds voldoende aandacht is besteed. Het komt mij voor dat als de grond voor het tegenonderzoek ontbreekt er weinig aanleiding is om bij de overige in aanmerking te nemen omstandigheden nader stil te staan, terwijl de toelichting mij daartoe ook geen aanleiding geeft. Ik maak echter een uitzondering voor de bij een verzoek mee te wegen omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan. De raadsman heeft tijdens de regiezitting van 26 augustus 2010 opgemerkt dat hij geen verzoek tot contra-expertise doet. Hij maakte daarvan uitdrukkelijk melding omdat de hem voorgaande raadsman in de appelschriftuur daarom wel verzocht. Voor het eerst in zijn pleitnota verzoekt hij nu alsnog om tegenonderzoek, terwijl hij op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat er tijdens het onderzoek ter terechtzitting nieuwe relevante omstandigheden zijn gebleken die nopen tot tegenonderzoek. Ik begrijp wel dat het Hof deze omstandigheid niet in aanmerking heeft genomen, maar het had maar zo gekund. Ook het tweede middel faalt.

11. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2011 (p.6) vermeldt dat de pleitnota met bijlagen aan het proces-verbaal is gehecht en de inhoud ervan moet geacht te zijn ingevoegd in dat proces-verbaal.

2 Zie p. 14 van het proces-verbaal VOA: 'Gezien de botspositie en de plaats op de weg van voertuig 1 (de BMW, PV), was het remspoor gelabeld met 1, (zie foto's 4, 5 en 6) afkomstig van het linkervoorwiel van voertuig 1. Als het remspoor afkomstig zou zijn van het rechtervoorwiel zou voertuig 1 langs voertuig 2 (de VW, PV) gereden zijn zonder voertuig 2 aan te rijden'.

3 HR 8 februari 2005, LJN AR7228, NJ 2005/514, m.nt. Mevis.