Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ7149

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
11/02719
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ7149
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht witwassen. Uit de bewijsvoering kan niet z.m. worden afgeleid dat verdachte “wist” dat de in de bewezenverklaring genoemde auto - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/02719

Mr. Hofstee

Zitting: 5 maart 2013

Conclusie inzake:

[Verzoekster=verdachte]

1. Verzoekster is bij arrest van 13 april 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplegen van witwassen" en "medeplegen van valsheid in geschrift" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis.

2. Namens verzoekster heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van verzoekster heeft het Hof bewezen verklaard dat:

1. "zij in de periode van 25 oktober 2007 tot en met 28 april 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp, te weten:

-een personenauto van het merk Nissan type Infinity met kenteken [AA-00-AA] voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat die auto -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

2. "zij in de periode van 17 oktober 2007 tot 26 oktober 2007 te Monster tezamen en in vereniging met een ander een koopovereenkomst van [A] B.V. daterend van 17 oktober 2007 betreffende de aankoop van de personenauto merk Nissan type Infinity met kenteken [AA-00-AA], zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte in strijd met de waarheid haar handtekening gezet op die koopovereenkomst, terwijl die voor de handtekening van [betrokkene 1] moest doorgaan, zulks met het oogmerk om die koopovereenkomst als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken."

4. De bewijsconstructie van het Hof ten aanzien van de feiten ziet er als volgt uit:(1)

"Het oordeel van het hof

De redengevende feiten en omstandigheden

Op 17 oktober 2007 heeft [A] B.V. te [plaats] een Nissan type Infinity met kenteken [AA-00-AA] verkocht voor een bedrag van € 41.500,-. Uit de koopovereenkomst van 17 oktober 2007 blijkt dat als koper staat vermeld [betrokkene 1], wonende [a-straat 1] te [plaats]. Deze koopovereenkomst is ondertekend door verdachte en niet door [betrokkene 1]. Volgens de factuur autoverkoop, op naam van [betrokkene 1], ruilt [medeverdachte] zijn Mercedes in voor een bedrag van € 22.500,- en betaalt hij op 25 oktober 2007 contant € l9.000,-. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] de auto heeft uitgekozen en dat de auto op naam van haar broer is gekomen. [Medeverdachte] heeft eerst zelf nog even in de auto gereden en daarna is verdachte erin gaan rijden. [Betrokkene 1], wonende te [plaats], verklaart dat de handtekening op de koopovereenkomst van 17 oktober 2007 niet zijn handtekening is, dat [medeverdachte] aan hem gevraagd had of de Nissan een paar dagen op zijn naam mocht staan en dat [medeverdachte] de auto daarna op naam van zijn eigen vader zou zetten.

Nadat het koopcontract is getekend wordt de auto voor een zeer korte periode op naam van [betrokkene 1] gezet waarna de auto op naam van de vader van [medeverdachte] wordt gezet.

De Nissan staat sinds 5 maart 2009 op naam van verdachte. De stelling van haar raadsman dat zij vanaf dat moment een auto nodig heeft voor haar kledingwinkel wordt niet onderbouwd door de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aangezien verdachte haar kledingwinkel gestart is in februari/maart 2008.

[Medeverdachte] wordt op 25 april 2009 als bestuurder van een personenauto merk Mercedes Benz type ML320 Cdi ter waarde van € 53.000,- staande gehouden. De auto stond op naam van een derde. Zijn auto is met toestemming van [medeverdachte] doorzocht en in de auto werd een bundel met 100 € 50,- biljetten aangetroffen. Tijdens verdere doorzoeking in de auto zijn tien GSM telefoons aangetroffen waarvan er negen aan stonden, 2 plastic zakjes bevattende cocaïne en zes handgeschreven briefjes met verhullend taalgebruik. Tijdens de insluitingfouillering zijn onder [medeverdachte] € ll.200,- (o.a. 14 coupures van € 500,-) en een horloge Audemars Piquet ter waarde van € 72.200,- inbeslaggenomen.

Uit verder onderzoek bleek dat [medeverdachte] feitelijke zeggenschap had over diverse auto's terwijl deze auto's op naam van derden stonden. Tijdens doorzoeking op het GBA-adres van [medeverdachte] werd een ontmantelde hennepplantage aangetroffen.

Op het GBA-adres van verdachte zijn 2 plakken hasjiesj a 2 kilogram, 253 gram hasjiesj, een plastic zakje cocaïne (37,9 gram) en een pistool merk Glock kaliber 9 mm en 15 patronen aangetroffen. Daarnaast ook een aantal kassabonnen, nota's en stortingsbewijzen die betrekking hadden op contante aankopen van luxe goederen. Tegenover de uitgaven en bezittingen van [medeverdachte] staan nagenoeg geen inkomsten.

Ook verdachte had geen inkomsten, anders dan een uitkering. Pas sinds 2008 had verdachte inkomsten, doch marginaal.

Uit gegevens van de belastingdienst over verdachte blijkt (Z2 117-134)het volgende:

In 2004; uitkering UVV

In 2005: € 13.369

In 2006: € 2.140

In 2007: € 0

In 2008: omzet dameskledingzaak € l09.778,-

1e kwartaal 2009: omzet dameskledingzaak; € 32.000.

Op grond van acht het vorengaande hof het aannemelijk dat verdachte en haar (toenmalige) vriend [medeverdachte] in de periode genoemd in de tenlastelegging inkomsten uit misdrijf hebben verworven.

Daar komt nog het volgende bij.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat ze sinds zes á zeven jaar een relatie had met [medeverdachte] maar dat het de laatste twee maanden niet meer zo goed ging. Uit het proces-verbaal van bevindingen (buurtonderzoek) van 18 augustus 2010 blijkt, uit verklaringen van buren, dat [medeverdachte] en verdachte al jaren samenwonen op het adres [b-straat 1] te [plaats].

Verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte], kenden elkaar al geruime tijd en volstrekt onaannemelijk is dat zij in die relatie zodanig langs elkaar heen leefden dat verdachte in al die jaren niet kan hebben geconstateerd dat de legale inkomsten van [medeverdachte] niet in verhouding stonden tot de regelmatige, soms forse uitgaven. Verder heeft verdachte haar handtekening onder de koopovereenkomst van de Nissan geplaatst, terwijl uit die koopovereenkomst bleek dat de auto op naam van haar broer werd gezet.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van de Nissan met kenteken [AA-00-AA] nu zij moet hebben geweten dat die auto, geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, afkomstig was uit misdrijf.

Verder heeft verdachte het oogmerk gehad op het doen gebruiken van de valse koopovereenkomst (m.b.t. genoemde Nissan).Zij heeft haar handtekening geplaatst onder de naam van een ander op een contract waarvan het de bedoeling was dat het na ondertekening gebruikt zou worden om te kunnen bewijzen dat de Nissan was gekocht door [betrokkene 1].

Verdachte en [medeverdachte] zijn de gebruikers geweest van deze auto terwijl de auto langere tijd op naam van anderen heeft gestaan. Uiteindelijk is de auto op naam van verdachte gezet. Gebleken is dat verdachte wist dat het contract betrekking had op de koop van de Nissan en zij wist tevens dat zij haar handtekening als koper op het contract plaatste, terwijl zij niet de koper van de Nissan was. Dit betekent dat verdachte met het plaatsen van de handtekening het oogmerk heeft gehad op het(door een ander) doen gebruiken van een valse koopovereenkomst."

5. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het onder 1 bewezenverklaarde opzet - meer in het bijzonder dat verzoekster "wist" dat de Nissan van enig misdrijf afkomstig was - niet uit de bewijsconstructie van het Hof kan volgen. De tweede klacht luidt dat de bewezenverklaring onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed nu het Hof de juistheid van een door verzoekster ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring met betrekking tot haar wetenschap betreffende de inkomstenbron van (haar toenmalige partner) [medeverdachte] en de illegale financiering van de Nissan in het midden heeft gelaten.

6. Om met de tweede klacht te beginnen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 30 maart 2010 is de in de toelichting op het middel genoemde verklaring van verzoekster in hoger beroep niet herhaald, zodat er voor het Hof reeds om die reden geen verplichting bestond zich over de aannemelijkheid van die verklaring uit te laten. In zoverre faalt het middel.

7. Meer aandacht verdient de eerste klacht. Daarbij gaat het dus om het onderdeel van de bewezenverklaring dat verzoekster wist dat de Nissan uit enig misdrijf afkomstig was. Wat dienaangaande door het Hof feitelijk is vastgesteld, is het volgende. [Medeverdachte], de (toenmalige) vriend van verzoekster, wordt op 25 april 2009 als bestuurder van een Mercedes Benz ter waarde van € 53.000,- staande gehouden. In deze auto (die op naam van een derde staat) treft men een contant geldbedrag van in totaal € 5.000,-, tien mobiele telefoons, cocaïne en briefjes met verhullend taalgebruik aan. Bij de insluitingfouillering van [medeverdachte] komen nog eens een bedrag van in totaal € 7.000,- aan contant geld en een horloge ter waarde van € 72.000,- tevoorschijn. Tijdens de doorzoeking op zijn GBA-adres wordt een ontmantelde hennepplantage aangetroffen. Op het GBA-adres van verzoekster vindt men hasjiesj, cocaïne, een pistool en munitie, evenals een aantal kassabonnen, nota's en stortingsbewijzen die betrekking hebben op contante aankopen van luxe goederen. [Medeverdachte] blijkt nauwelijks inkomsten te hebben, terwijl verzoekster van 2004 tot en met 2007 een uitkering genoot en pas sinds 2008 (marginale) inkomsten heeft. Verzoekster en [medeverdachte] wonen al jaren samen op de [b-straat 1] in [plaats], het GBA-adres van verzoekster. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de in de bewezenverklaring bedoelde Nissan Infinity op 17 oktober 2007 is gekocht voor een bedrag van € 41.500,-, te voldoen door het inruilen van de Mercedes Benz voor een bedrag van € 22.500,- en bijbetaling op 25 oktober 2007 van een contant bedrag van € 19.000,-. De desbetreffende koopovereenkomst staat op naam van [betrokkene 1] maar is ondertekend door verzoekster.

8. Ik meen dat uit de bewijsconstructie van het Hof en de daarin opgenomen vaststellingen niet kan volgen dat - zoals het Hof het heeft verwoord - verzoekster moet hebben geweten dat de Nissan geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, afkomstig was van misdrijf. Uit het gegeven dat verzoekster en [medeverdachte] een jarenlange relatie hadden en al jaren samenwoonden, de omstandigheid dat in de woning waarop verzoekster blijkens de GBA stond ingeschreven goederen zijn aangetroffen die vermoedelijk verband houden met het plegen van misdrijven, het feit dat verzoekster heeft verklaard dat de Nissan op naam van haar broer is gezet en ook overigens uit 's Hofs bewijsconstructie kan mijns inziens niet zonder meer volgen dat verzoekster op de hoogte was van de criminele activiteiten en illegale inkomsten van [medeverdachte] en dat zij wist (al dan niet in de zin van voorwaardelijk opzet) dat het voor de Nissan contant betaalde geldbedrag van € 19.000,- van misdrijf afkomstig was.(2) Ik meen dan ook dat het onder 1 bewezen verklaarde onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.

9. Het eerste middel is, lijkt mij, terecht voorgesteld.

10. Het tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde oogmerk onvoldoende met redenen is omkleed, dan wel dat de motivering van de bewezenverklaring in zoverre onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsconstructie van het Hof niet volgen dat verzoekster in strijd met de waarheid haar handtekening op het koopcontract heeft gezet, terwijl die voor de handtekening van [betrokkene 1] moest doorgaan, en daarmee ook niet dat verzoekster het oogmerk had om die koopovereenkomst als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken. Daartoe wordt aangevoerd dat verzoekster op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat zij weliswaar de naam van haar broer op het koopcontract zag staan, maar er geen kwaad in heeft gezien haar handtekening te zetten ook omdat "de meneer van de garage" had gezegd dat dit in orde was en zij dacht dat haar broer nog zou komen.(3)

11. In cassatie kan gezien de, hierboven onder 4 weergegeven, bewijsconstructie van het Hof met betrekking tot feit 2 van het volgende worden uitgegaan. Uit een koopovereenkomst van 17 oktober 2007 blijkt dat op die dag [A] B.V. de meergenoemde Nissan voor een bedrag van € 41.500,- heeft verkocht aan [betrokkene 1], de broer van verzoekster, als koper. De koopovereenkomst is ondertekend door verzoekster en niet door [betrokkene 1]. De betaling wordt evenwel gedaan door [medeverdachte]. Volgens de op naam van [betrokkene 1] gestelde 'factuur autoverkoop' wordt dit bedrag door [medeverdachte] voldaan (als gezegd) door inruil van diens Mercedes Benz met een (inruil)waarde van € 22.500,- en bijbetaling van een contant bedrag van € 19.000,- op 25 oktober 2007. Verzoekster heeft verklaard dat haar (toenmalige) vriend [medeverdachte] deze auto heeft uitgekozen en dat de auto op naam van haar broer is gekomen. Deze broer, [betrokkene 1] dus, verklaart dat de handtekening op de koopovereenkomst niet van hem is, en voorts dat [medeverdachte] aan hem had gevraagd of de Nissan een paar dagen op zijn naam mocht staan waarna [medeverdachte] deze auto op naam van zijn vader zou zetten. Inderdaad wordt na het tekenen van het koopcontract de Nissan eerst voor een zeer korte periode op naam van [betrokkene 1] gezet en vervolgens op naam van de vader van [medeverdachte]. Met ingang van 5 maart 2009 - dat wil zeggen ruim 16 maanden na de door verzoekster getekende koopovereenkomst - komt de Nissan op naam van verzoekster te staan.

12. Hieruit heeft het Hof onder het hoofd "Het oordeel van het Hof" als voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden afgeleid (i) dat verzoekster haar handtekening heeft geplaatst onder de naam van een ander (te weten [betrokkene 1]) op een contract waarvan het de bedoeling was dat het na ondertekening gebruikt zou worden om te kunnen bewijzen dat de Nissan was gekocht door verzoeksters broer [betrokkene 1], (ii) dat verzoekster en [medeverdachte] de gebruikers zijn geweest van deze auto terwijl de auto langere tijd op naam van anderen heeft gestaan en uiteindelijk op naam van verzoekster is gezet en (iii) dat verzoekster wist dat het contract betrekking had op de koop van de Nissan en zij tevens wist dat zij haar handtekening als koper op het contract plaatste terwijl zij niet de koper van de Nissan was. Op grond hiervan komt het Hof tot de slotsom dat verzoekster in strijd met de waarheid haar handtekening heeft gezet op die koopovereenkomst, terwijl die voor de handtekening van [betrokkene 1] moest doorgaan en dat zij met het plaatsen van haar handtekening het oogmerk heeft gehad op het (door een ander) doen gebruiken van een valse koopovereenkomst.

13. De vraag is nu of dit oordeel stand kan houden, nu vaststaat dat verzoekster - [verdachte] - niet een nagebootste of gefingeerde handtekening op het koopcontract heeft gezet, maar het koopcontract heeft voorzien van haar eigen handtekening, zij het onder de aanduiding "Handtekening koper".

14. Het oogmerk in art. 225 Sr ziet op het gebruik als zodanig van het valse of vervalste geschrift en niet ook op het vervalsen of valselijk opmaken zelf.(4) Ten aanzien van het valselijk opmaken of vervalsen kan elke vorm van opzet worden aangenomen.(5) Het enkele valselijk opmaken of vervalsen van een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift met het oogmerk op gebruik ter misleiding van derden, is in zoverre voor het aannemen van valsheid in geschrift al voldoende.(6) Niet nodig is dus dat het vervalste of valselijk opgemaakte geschrift daadwerkelijk (meteen) in het maatschappelijk verkeer komt en in die zin wordt gebruikt.(7) Denkbaar is dat het geschrift eerst in de administratie van het bedrijf of kantoor wordt opgeslagen. Dat sluit evenwel niet uit dat ingeval van bijvoorbeeld een controle door de fiscus of in het kader van een strafrechtelijk fraudeonderzoek de gehele administratie in handen van een ander komt en het betreffende geschrift in dat verband een misleidende werking naar derden toe heeft of kan krijgen.(8) Daarbij komt mijns inziens dat een koopovereenkomst naar zijn aard bestemd is om in de administratie van de verkoper en/of koper te worden opgenomen, maar tevens ertoe dient om zo nodig de (ver)koop jegens derden te kunnen bewijzen.(9) Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij opzettelijk valselijk opmaken of vervalsen er tevens sprake is van de bedoeling dat het geschrift in het maatschappelijk verkeer een rol gaat vervullen en het als zodanig een gebruiksfunctie verkrijgt. Is dit in een concreet geval anders, dan ligt het op de weg van de verdachte uit te leggen dat zijn bedoeling op iets legitiems was gericht. De bedoeling van de dader om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken komt tot uitdrukking in het oogmerk. Bakker verstaat in zijn dissertatie oogmerk als doelgericht opzet en onderscheidt dit van de motieven of beweegredenen van de dader.(10) Het oogmerk is zijns inziens een bewijskwestie, terwijl het motief of de beweegreden een straftoemetende factor vormt. Dat onderscheid lijkt mij juist. Feitelijk kunnen het oogmerk en het motief dicht tegen elkaar aan liggen. Zoals bij het plaatsen van de eigen handtekening op een koopovereenkomst, terwijl de koper iemand anders is. Het ondertekenen is volgens Bakker "binnen het materieel vals opmaken een zeer essentiële handeling". En Machielse wijst erop dat het zetten van een eigen handtekening op een koopovereenkomst niet betekent dat deze handtekening niet kan doorgaan voor die van een ander (de koper). Iemand kan immers met zijn eigen handtekening ondertekenen op zodanige wijze of in zodanig verband dat de schijn wordt gewekt als was een ander (de koper) van dezelfde naam de ondertekenaar, zodat sprake kan zijn van valselijk opmaken in de zin van art. 225, eerste lid, Sr.(11)

15. Op grond van het voorgaande meen ik dat het bestreden oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, en dat de bewezenverklaring naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed. Daarbij neem ik in aanmerking (i) dat de in het middel vervatte opvatting inhoudende dat een eigen handtekening niet kan doorgaan voor die van een ander geen steun vindt in het recht, en (ii) dat het Hof kennelijk de door verzoekster genoemde beweegredenen voor het ondertekenen van de koopovereenkomst (zie hierboven onder 10) evenals het verweer van de raadsman dat verzoekster voor haar broer heeft getekend omdat deze op dat moment niet aanwezig was, niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal en leent zich mijns inziens niet voor verdere toetsing in cassatie.

16. Het tweede middel faalt.

17. Het eerste middel is terecht voorgesteld.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het Hof en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik citeer uit het (promis)arrest met weglating van de voetnoten.

2 De Rechtbank heeft verzoekster vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Zij achtte het niet ondenkbaar dat [medeverdachte] verzoekster, ondanks hun relatie, omtrent zijn bron van inkomsten in het geheel geen inlichtingen heeft verschaft of dat hij haar daaromtrent op het verkeerde been heeft gezet.

3 Een wat wonderlijke beweegreden om dan maar zelf te tekenen en niet even te wachten op de komst van de broer.

4 Zie onder meer HR 29 augustus 2006, LJN AX6423.

5 Zie HR 12 mei 1998, LJN ZD1033, NJ 1998/694.

6 Kan het opzet op de valsheid bewezen worden verklaard, dan is verdedigbaar dat daarmee ook het daarbij komende oogmerk gegeven is, aldus Remmelink in zijn conclusie vóór HR 21 februari 1984, nr. 76.258 (niet gepubliceerd).

7 HR 3 juni 1969, LJN AB3626, NJ 1969/407 en HR 25 april 2006, AV1628.

8 Zie hierover F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, 1985, p. 106-110.

9 Bakker, a.w., p. 109.

10 Bakker, a.w., p. 103 e.v.

11 Zie zijn aant. 4.3. bij art. 225 Sr, voetnoot 3 in Noyon/Langemeijer/Remmelink (bijgewerkt tot 1 oktober 2008).