Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ6609

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12/02967
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2012:BW5399
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ6609
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Familierecht. Verzoek om wijziging partneralimentatie met terugwerkende kracht en om verlenging alimentatieplicht; art. 1:157, 401 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/02967

mr. Keus

Zitting 29 maart 2013

Conclusie inzake:

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

advocaat: mr. J. Biemond

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

niet verschenen

In deze alimentatiezaak heeft de vrouw (op de laatste dag van de in art. 1:157 lid 5 BW bedoelde termijn van drie maanden na ommekomst van de twaalfjaarstermijn van art. 1:157 lid 4 BW) wijziging met terugwerkende kracht van de geruime tijd daarvoor op nihil gestelde partneralimentatie verzocht, alsmede verlenging van de alimentatieplicht van de man. De klachten in cassatie zijn gericht tegen de afwijzing van een wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht tot een datum vóór die van ommekomst van de twaalfjaarstermijn, alsmede tegen de afwijzing van het verzoek om verlenging van de alimentatieplicht van de man.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 25 september 1981 met elkaar gehuwd. De rechtbank Arnhem heeft bij beschikking van 10 juli 1997 echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 april 1998 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk van partijen zijn vier - thans meerderjarige - kinderen geboren.

1.2 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voor zover hier van belang bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 160,- per maand zal voldoen.

1.3 Bij beschikking van het hof Arnhem van 13 januari 1998 is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 800,- per maand zal voldoen. Bij beschikking van 6 mei 2003 heeft de rechtbank Arnhem voor zover hier van belang de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2002 vastgesteld op nihil. Bij beschikking van het hof Arnhem van 20 januari 2004 is voormelde beschikking van de rechtbank voor zover hier van belang bekrachtigd(2). De man heeft feitelijk de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voldaan tot en met 30 april 2003.

1.4 Bij verzoekschrift van 5 juli 2010, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 6 juli 2010(3), heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen onder vaststelling van een nieuwe termijn en te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van € 2.500,- per maand, althans met een bedrag dat de rechtbank juist acht, steeds bij vooruitbetaling te voldoen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 17 maart 2011 heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij heeft verzocht de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met terugwerkende kracht vast te stellen met ingang van 1 januari 2010 of in ieder geval met ingang van een datum gelegen vóór 6 april 2010.

1.5 Bij beschikking van 18 april 2011 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

1.6 Bij verzoekschrift van 15 juli 2011, op diezelfde dag ingekomen ter griffie van het hof Arnhem, heeft de vrouw hoger beroep ingesteld. Zij heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en haar alsnog in haar (enigszins gewijzigde) verzoek ontvankelijk te verklaren en dit toe te wijzen.

1.7 De man heeft de grieven van de vrouw bestreden en heeft zijnerzijds een incidentele grief voorgesteld. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 7 februari 2012 heeft de man het incidentele appel ingetrokken.

1.8 Bij beschikking van 15 maart 2012 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.9 Bij rekest van 15 juni 2012, op diezelfde dag ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de vrouw (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Van de zijde van de man is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het door de vrouw voorgestelde middel van cassatie omvat drie onderdelen, die in meer subonderdelen uiteenvallen. Onderdeel 1 geeft de feiten en het procesverloop weer en omvat geen zelfstandige klacht. Onderdeel 2 (subonderdelen 2.1-2.6) is gericht tegen de rov. 4.2-4.3. Onderdeel 3 (subonderdelen 3.1-3.6) bestrijdt rov. 4.5.

2.2 De rov. 4.2-4.3, waartegen onderdeel 2 is gericht, luiden als volgt:

"4.2 Het hof dient eerst te beoordelen of sprake is van, zoals de vrouw stelt, bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op de regel dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud in het algemeen een behoedzaam gebruik moet(...) maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum. De vrouw stelt dat de rechtvaardiging van de terugwerkende kracht om vaststelling van de partneralimentatie te verzoeken per 1 januari 2010 gevonden kan worden in de beperkingen van de vrouw, waardoor van haar niet kon worden gevergd dat zij eerder een wijzigingsverzoek indiende. Haar fysieke en/of psychische leed zijn volgens haar het gevolg van het letsel dat zij heeft opgelopen doordat de man haar heeft aangereden met een tractor, zodat in redelijkheid haar niet verweten kan worden dat zij niet eerder een wijzigingsverzoek heeft ingediend, aldus de vrouw. De man stelt dat er geen sprake is van een dusdanige problematiek bij de vrouw dat zij een procedure tot wijziging van de partneralimentatie niet eerder had kunnen opstarten. Hij stelt dat uit de stukken blijkt dat de vrouw de afgelopen jaren wel degelijk in staat is geweest tot procederen. Het had op de weg van de vrouw gelegen om dit te doen ruimschoots voordat de 12-jaars termijn was verstreken, aldus de man.

4.3 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, anders dan de vrouw betoogt, niet in te zien valt waarom de vrouw niet eerder een wijzigingsverzoek heeft kunnen indienen. Bij beschikking van 6 mei 2003 heeft de rechtbank de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2002 vastgesteld op nihil aangezien de man naast de betaling van kinderalimentatie daarvoor geen draagkracht meer had. Het jongste kind van partijen is in 2006 meerderjarig geworden en gelet hierop had de vrouw ruim voor het verstrijken van de 12-jaars termijn een wijzigingsverzoek voor de partneralimentatie kunnen indienen. Uit de overgelegde stukken is voldoende gebleken dat zij in de afgelopen jaren wel degelijk in staat is geweest om andere juridische procedures te voeren als verzoekster en verweerster waarbij zij zich ook heeft voorzien van juridische bijstand. Deze betroffen onder meer procedures op het gebied van alimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Wat er ook zij van de stelling van de vrouw dat haar fysieke en/of psychische leed is veroorzaakt door toedoen van de man, dit neemt niet weg dat de vrouw haar wijzigingsverzoek eerder en tijdig had kunnen indienen. Gelet op het vorenstaande dient het niet eerder wijziging verzoeken door de vrouw van de nihilstelling van de partneralimentatie voor rekening en risico van de vrouw te blijven."

2.3 Blijkens subonderdeel 2.1 heeft de vrouw de bestreden rechtsoverwegingen aldus gelezen dat het hof daarin de facto (niet uitdrukkelijk) heeft geoordeeld dat een door de vrouw verzochte vaststelling van alimentatie per 1 januari 2010 niet aan de orde is en impliciet wordt afgewezen, omdat de vrouw het verzoek eerder had moeten indienen.

Subonderdeel 2.2 betoogt dat een rechterlijke uitspraak geen alimentatieverplichting schept, maar dat zodanige verplichting rechtstreeks uit de wet volgt. De rechter stelt de verplichting slechts vast. Bij die stand van zaken kan de rechter de dag van ingang van alimentatie of wijziging daarvan bepalen op een datum die ligt vóór die van zijn uitspraak(4). De dag van ingang is, nog steeds volgens het subonderdeel, ook niet afhankelijk van die waarop een verzoek wordt gedaan; het subonderdeel verwijst in dit verband naar art. 1:403 BW, waaruit voortvloeit dat alimentatie kan worden verzocht over het verleden, zolang nog geen vijf jaar zijn verstreken, alsmede naar art 1:401 lid 4 BW en (ten overvloede) naar de vaste rechtspraak dat wijziging steeds mogelijk is wanneer van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan(5).

Volgens subonderdeel 2.3 is evident en vaste rechtspraak dat de rechter bij een oordeel aangaande alimentatie met terugwerkende kracht enige behoedzaamheid dient te betrachten, met name als over een lange(re) voorafgaande periode alimentatie wordt verzocht. Subonderdeel 2.4 voegt daaraan toe dat de rechter aan de hand van het gevoerde inhoudelijke debat gemotiveerd zal moeten bepalen of en in hoeverre het (on-)redelijk is de betalingsverplichting op een tijdstip in het verleden te laten ingaan(6). Bij verzoeken met terugwerkende kracht dient de rechter daarom volgens de vrouw acht te slaan op inhoudelijk gevoerd verweer aangaande die terugwerkende kracht. Zodanig inhoudelijk verweer heeft de man volgens subonderdeel 2.5 echter niet gevoerd. De man heeft volgens de vrouw niet eens betwist per 1 januari 2010 voldoende draagkracht te hebben. Het enige dat zijdens de man (zonder enige motivering of onderbouwing) is aangevoerd, is dat de vrouw haar verzoek eerder had moeten en kunnen indienen.

Subonderdeel 2.6 betoogt dat het hof kennelijk in de onjuiste redenering van de man is meegegaan. Volgens het subonderdeel heeft het hof verzuimd uit te gaan van de hoofdregel dat alimentatie met terugwerkende kracht zonder meer mogelijk is, tenzij er bijzondere redenen zijn om geen terugwerkende kracht te bepalen. Het hof heeft, nog steeds volgens het subonderdeel, de zaak zonder onderbouwing en motivering omgedraaid door als uitgangspunt te nemen dat alimentatie niet kan ingaan op een datum gelegen voor het verzoek, tenzij de verzoeker bijzondere omstandigheden stelt.

2.4 Voor zover aan de klachten van het onderdeel ten grondslag is gelegd dat het hof vaststelling van de door de vrouw verzochte alimentatie met ingang van 1 januari 2010 niet mogelijk zou hebben geoordeeld (zie subonderdeel 2.1: "waarin het Hof als de vrouw het goed leest de facto (niet uitdrukkelijk!) oordeelt dat een door de vrouw verzochte vaststelling van alimentatie per 1 januari 2010 niet aan de orde is (...), omdat de vrouw het verzoek eerder had moeten indienen" en subonderdeel 2.6: "Ten onrechte heeft het Hof verzuimd om uit te gaan van de (hoofd-)regel dat alimentatie met terugwerkende kracht zonder meer mogelijk is (...)"), missen die klachten feitelijke grondslag. Reeds blijkens de openingszin van rov. 4.2 is het hof zich terdege bewust geweest van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, zij het dat het in het algemeen een behoedzaam gebruik van die bevoegdheid aangewezen heeft geoordeeld.

2.5 Dat de rechter bij het vaststellen van alimentatie met terugwerkende kracht althans enige terughoudendheid past, is ook het uitgangspunt van subonderdeel 2.3. Volgens de subonderdelen 2.4 en 2.5 zal de rechtbank aan de hand van het gevoerde inhoudelijke debat gemotiveerd moeten bepalen of en in hoeverre het (on)redelijk is de betalingsverplichting op een tijdstip in het verleden te laten ingaan en ontbrak het in casu aan inhoudelijk verweer van de man ten aanzien van de gevraagde terugwerkende kracht, althans ander verweer dan dat met de strekking dat de vrouw haar verzoek eerder had kunnen (en had moeten) doen.

2.6 Naar mijn mening moet hier voorop worden gesteld dat de rechter grote vrijheid toekomt bij het bepalen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting(7), zij het dat daarbij van oudsher wordt onderkend dat hij een voorzichtig gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid de aanvangsdatum van de alimentatieplicht vóór de dag van het inleidende processtuk te stellen. Aan de geschiedenis van totstandkoming van art. 1:402 BW ontleen ik het navolgende citaat(8):

"Al is dus de rechter bevoegd de aanvangsdatum van de verplichting (de alimentatieverplichting; LK) of van haar wijziging vóór de dag der dagvaarding te stellen - iets wat ten allen overvloede nog uit het derde lid van dit artikel blijkt -, zo dient de rechter desniettemin van deze bevoegdheid een voorzichtig gebruik te maken. De verplichting is immers niet één tot het voldoen van een geldsom zonder meer, maar tot het verstrekken van levensonderhoud. Deze verplichting is minder sprekend, wanneer levensonderhoud voor het verleden dan wanneer het voor de toekomst wordt gevraagd: iemand in het verleden te onderhouden is evenzeer iets tegenstrijdigs als iemand in het verleden te moeten verzorgen. En zeker mag het recht om levensonderhoud te kunnen vorderen niet misbruikt worden om door met het instellen van de actie te wachten, een potje te vormen. Aan de andere kant mogen deze overwegingen niet ten gevolge hebben, dat zij, die levensonderhoud verschuldigd zijn de betaling uitstellen of geheel achterwege laten en het instellen van een procedure met schijnmanoeuvres trachten te voorkomen om aldus minder te behoeven te betalen. Vandaar dat hier een discretionnaire macht aan de rechter is gegeven."

2.7 Het voorzichtige gebruik van de bevoegdheid van de rechter om een vóór de datum van het inleidende processtuk gelegen aanvangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieplicht te stellen, is in de rechtspraak in het bijzonder aan de orde gekomen in situaties waarin vaststelling van een (lagere) alimentatie over een periode in het verleden de alimentatiegerechtigde tot terugbetaling van reeds ontvangen en mogelijk reeds uitgegeven alimentatiegelden zou nopen. Volgens de Hoge Raad zal de rechter moeten beoordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud is uitgegeven. Een dergelijke beslissing vraagt in het bijzonder om een toereikende motivering als verweer is gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is(9).

2.8 De hiervóór (onder 2.7) bedoelde rechtspraak bergt naar mijn mening een zekere asymmetrie in zich. Het valt in elk geval op dat daarin wel uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de problemen van de onderhoudsgerechtigde als gevolg van een eventuele verplichting tot terugbetaling van hetgeen teveel werd ontvangen maar reeds in overeenstemming met zijn behoefte werd uitgegeven, maar niet met de problemen die de onderhoudsplichtige bij een ontzegging van zijn aanspraak op terugbetaling van teveel betaalde alimentatie ondervindt doordat hij alimentatiegelden die hij, zonder over een daartoe toereikende draagkracht te beschikken, niettemin (en mogelijk tegen belangrijke offers en hoge kosten) heeft opgebracht, blijvend zal moeten missen. Weliswaar heeft de alimentatieplichtige in een situatie zoals bedoeld de pijn reeds geleden en de alimentatiegerechtigde nog niet, maar dat lijkt mij geen goed argument om de belangen van de alimentatiegerechtigde bij voorbaat te laten prevaleren. De bedoelde asymmetrie zou overigens temeer klemmen als bij de beantwoording van de vraag of de alimentatiegerechtigde de (achteraf bezien) teveel ontvangen alimentatie in overeenstemming met zijn behoefte heeft uitgegeven, niet de objectief juiste, zij het eerst achteraf door de rechter vastgestelde behoefte, maar de later gewijzigde behoefte of zelfs de door de alimentatiegerechtigde zelf gepercipieerde behoefte beslissend zou zijn(10).

2.9 Van asymmetrie is ook sprake, waar de Hoge Raad uitdrukkelijk heeft beslist dat de hiervóór (onder 2.7) bedoelde regels niet gelden voor het geval dat de vaststelling van een (hogere) alimentatie met terugwerkende kracht de onderhoudsplichtige tot nabetaling zou dwingen. De Hoge Raad oordeelde(11):

"3.1 De in onderdeel 2.10 voorgestelde klachten berusten op het uitgangspunt dat ten aanzien van nabetaling door de man van de alimentatie die hij als gevolg van de bestreden beschikking met ingang van 1 oktober 2006 verschuldigd is geworden, geldt hetgeen de Hoge Raad in de in het onderdeel genoemde uitspraken heeft overwogen ten aanzien van de door de rechter in acht te nemen behoedzaamheid en de in verband daarmee op de rechter rustende motiveringsplicht bij het vaststellen van een lagere alimentatie of bij opnihilstelling daarvan met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór zijn desbetreffende beschikking. Dit uitgangspunt is evenwel onjuist. Daarom falen de klachten."

Naar mijn mening kan uit deze overweging echter niet worden afgeleid dat de alimentatierechter bij de vaststelling van een (hogere) alimentatie met terugwerkende kracht geen behoedzaamheid in acht zou mogen nemen. De door de alimentatierechter in acht te nemen behoedzaamheid geldt, ook blijkens eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, "in het algemeen" bij het vaststellen van een gewijzigde alimentatie met terugwerkende kracht. De vaststelling van een lagere alimentatie met terugwerkende kracht is niet het enige geval waarin behoedzaamheid in acht moet worden genomen, maar slechts één van de gevallen waarin zulks is geboden(12). Dit laatste geldt al evenzeer in het licht van de hiervóór (onder 2.6) reeds geciteerde wetsgeschiedenis. De volgens de Toelichting Meijers in acht te nemen voorzichtigheid vloeit in de gedachtegang van die toelichting reeds hieruit voort dat "iemand in het verleden te onderhouden (...) evenzeer iets tegenstrijdigs (is) als iemand in het verleden te moeten verzorgen". De Toelichting Meijers biedt geen enkele aanwijzing dat in dat verband de belangen van de onderhoudsgerechtigde boven die van de onderhoudsplichtige zouden moeten prevaleren. Het tegendeel is het geval, waar de Toelichting Meijers in de eerste plaats (in verband met het niet onmiddellijk instellen van een actie om zo een potje te vormen) juist aandacht voor de belangen van de onderhoudsplichtige vraagt.

2.10 Bij dit alles komt dat de vrijheid (in de woorden van de Toelichting Meijers: de "discretionnaire macht") van de alimentatierechter het uitgangspunt is en dat de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot een met terugwerkende kracht vastgestelde lagere alimentatie een beperking betreft die de alimentatierechter in acht moet nemen in het geval dat hij, gebruik makende van de bedoelde vrijheid, een vóór zijn uitspraak gelegen ingangsdatum van de lagere alimentatie zou willen kiezen. Als die beperking niet van toepassing is, impliceert dat een onverkorte vrijheid van de alimentatierechter om een al dan niet voor zijn uitspraak gelegen ingangsdatum te kiezen, en zeker geen verbod om bij het aannemen van terugwerkende kracht van een hogere alimentatie voorzichtigheid te betrachten.

2.11 Het hof heeft naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door in rov. 4.2 als uitgangspunt te kiezen dat de alimentatierechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen een behoedzaam gebruik moet maken van zijn bevoegdheid de wijziging op een vóór zijn uitspraak gelegen datum te laten ingaan. Evenmin heeft het hof de grenzen van zijn vrijheid als alimentatierechter overschreden door in rov. 4.2 een toewijzing van het verzoek om terugwerkende kracht afhankelijk te stellen van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dat uitgangspunt rechtvaardigen, en door in rov. 4.3 die vraag (op zichzelf in cassatie onbestreden) in negatieve zin te beantwoorden, nu niet valt in te zien waarom de vrouw (althans na het meerderjarig worden van het jongste kind van partijen in 2006) niet eerder dan op 6 juli 2010 (nota bene de laatste dag van de in art. 1:157 lid 5 BW bedoelde termijn van drie maanden sinds de beëindiging van rechtswege van de verplichting tot levensonderhoud als bedoeld in art. 1:157 lid 4 BW) een wijzigingsverzoek indiende. De klachten van het subonderdeel die van een andere rechtsopvatting uitgaan, kunnen al om die reden niet tot cassatie leiden. Daaraan doen de in subonderdeel 2.2 genoemde art. 1:403 BW en 1:401 lid 4 BW niet af. In verband met art. 1:403 BW geldt dat het hof niet van verval van de alimentatieplicht van de man over de periode vanaf 1 januari 2010 is uitgegaan, maar zijn oordeel heeft gebaseerd op zijn discretionaire bevoegdheid de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie vast te stellen. Wat het beroep op art. 1:401 lid 4 BW betreft, geldt dat die bepaling niets over de vaststelling van de ingangsdatum van de eventueel te wijzigen alimentatie, al dan niet op een datum vóór die van de uitspraak of de indiening van het verzoek, zegt.

Overigens heeft de man, anders dan subonderdeel 2.5 betoogt, zich wel degelijk inhoudelijk ten aanzien van de gevraagde terugwerkende kracht verweerd. Zo heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde terugwerkende kracht gekunsteld is en kennelijk ertoe strekt de onmogelijkheid van verlenging van de twaalfjaarstermijn te ontlopen(13). Dat een verband bestaat tussen de gevraagde terugwerkende kracht en de beoogde verlenging van de alimentatieplicht is intussen evident. Blijkens de door de advocaat van de vrouw bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehanteerde pleitnota is de wijziging van het verzoek, dat aanvankelijk strekte tot wijziging van de alimentatie met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift, aldus toegelicht:

"Overigens zal ik zekerheidshalve het inleidende verzoek enigszins wijzigen in die zin dat thans vaststelling van de partneralimentatie wordt verzocht per 1 januari 2010, althans per een datum gelegen vóór de afloop van de wettelijke termijn van 12 jaar, in goede justitie door uw Rechtbank te bepalen. Daarmee wordt de voorgaande discussie (over de vraag of in plaats van een feitelijke inkomensterugval ook een normatieve inkomensterugval kan volstaan; LK) dan vermeden en kan komen vast te staan dat de vrouw vóór afloop van de bedoelde termijn niet alleen materieel maar ook formeel recht had op partneralimentatie. De rechtvaardiging van de terugwerkende kracht (...) wordt dan opnieuw gevonden in beperkingen van de vrouw, waardoor van haar niet kon worden gevergd dat zij eerder heeft verzocht om vaststelling."

2.12 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 4.5. Naast die rechtsoverweging citeer ik ook de daaraan voorafgaande rov. 4.4:

"4.4 Voorts overweegt het hof dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:

- in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;

- de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;

- de verwachting van partijen toen zij huwden;

- de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

4.5 Allereerst dient het hof te beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man ingrijpend is voor de vrouw. Indien dat niet het geval is kan de rechter het verzoek aanstonds afwijzen zonder nader onderzoek van de overige in 4.4 genoemde factoren. Het hof constateert dat uit vergelijking van de situatie vo´o´r de beëindiging met de situatie na de beëindiging volgt dat de inkomensachteruitgang van de vrouw ten gevolge van de bee¨indiging niet ingrijpend is. De vrouw ontvangt immers sinds 1 mei 2003 geen bijdrage meer in de kosten van haar levensonderhoud van de man. Hieruit volgt dat van een inkomensachteruitgang bij de vrouw geen sprake is. Dit betekent dat het hof het verzoek van de vrouw in het principaal hoger beroep zal afwijzen."

2.13 Subonderdeel 3.1 klaagt onder verwijzing naar onderdeel 2 dat het oordeel in rov. 4.5 dat als gevolg van de beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man van een (ingrijpende) inkomensachteruitgang van de vrouw geen sprake is, onjuist althans zonder motivering onbegrijpelijk is.

Volgens subonderdeel 3.2 had het hof, alvorens een oordeel te geven over een inkomensachteruitgang, de behoefte aan alimentatie per 1 januari 2010 moeten vaststellen.

Subonderdeel 3.3 klaagt dat het hof evenzeer heeft verzuimd een (zelfstandig) oordeel te geven over de toekomst van de vrouw. Het subonderdeel memoreert (overigens zonder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties) dat, ook wanneer aan het einde van de termijn van twaalf jaren geen recht op alimentatie bestaat, verlenging desondanks mogelijk is(14). Noch de rechtbank, noch het hof heeft volgens het subonderdeel op die stelling gerespondeerd. Volgens het subonderdeel had het hof ook een oordeel moeten geven over de behoefte aan en de noodzaak van alimentatie in de toekomst en daarbij de factoren moeten betrekken als bedoeld in HR 19 december 2008, LJN: BF3928, NJ 2009, 136, m.nt. S.F.M. Wortmann. Het hof heeft dit een en ander nagelaten, zonder zulks te motiveren.

Subonderdeel 3.4 klaagt (overigens zonder te verwijzen naar in de feitelijke instanties betrokken stellingen) dat het hof bij de beoordeling als bedoeld in subonderdeel 3.3 had moeten betrekken:

- dat de vrouw buiten haar schuld niet in staat is gebleken zich sedert de officiële scheiding in 1998 financiële zelfstandigheid/onafhankelijkheid te verwerven, dat zij (naar volgt uit de in de feitelijke instanties door haar overgelegde bewijsstukken) altijd behoeftig is geweest, dat het hof zich ambtshalve een oordeel had moeten vormen over de behoeftigheid van de vrouw over de periode 2003-2010, waarbij vaststaat dat de alimentatie in 2003 niet wegens het ontbreken van behoefte werd stopgezet, dat de vrouw vanaf 1997 een marginale WAZ-uitkering en vanaf 2006 aanvullende bijstand ontving en als bijstandsgerechtigde volgens de Trema-normen per definitie als behoeftig had te gelden, dat zij een fiscaal negatief inkomen had en dat het door haar ontvangen PGB (persoonsgebonden budget) geen inkomen(svoorziening) was;

- dat de oorzaak van de behoefte van de vrouw met name was gelegen in het geweldsincident in 1996, welk incident in de procedure uitvoerig is besproken, en dat de vraag of sprake is van een oorzakelijk verband tussen het incident in 1996 en de behoefte van de vrouw in elk geval aan de orde had moeten komen bij het oordeel of (alleen voor de toekomst) alimentatie had moeten worden vastgesteld c.q. of de termijn van twaalf jaren had moeten worden verlengd.

Subonderdeel 3.5 voegt aan dit laatste toe dat één van de door de Hoge Raad in de beschikking van 19 december 2008 genoemde factoren de mate is waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Volgens het subonderdeel is sprake van een voldoende verband met het huwelijk, nu sprake is van een geweldsincident gedurende het huwelijk ter zake waarvan de man strafrechtelijk is veroordeeld, aan de vrouw een tegemoetkoming in de geleden (immateriële(15)) schade is toegekend (Wet schadefonds geweldsmisdrijven) en de vrouw door en aansluitend aan het geweldsincident volledig arbeidsongeschikt is. Het subonderdeel vermeldt nog en klaagt dat rechtbank en hof hebben nagelaten de door de man (onbevoegd en onrechtmatig) gebruikte medische gegevens van de vrouw (bijvoorbeeld op p. 5 van het verweerschrift in hoger beroep) nadrukkelijk uit te sluiten; doordat het hof zulks heeft nagelaten, kan de vrouw zich volgens het subonderdeel niet aan de indruk onttrekken dat het te geven oordeel van het hof aangaande het causaal verband tussen het geweldsincident en de arbeidsongeschiktheid ernstig vertroebeld c.q. besmet is.

Subonderdeel 3.6 besluit met de conclusie dat het hof het voorgaande hetzij heeft miskend, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

2.14 Bij de wetten van 28 april 1994 tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding(16) zijn wettelijke grenzen gesteld aan de duur van de alimentatie. In zijn sedert 1 juli 1994 geldende versie bepaalt art. 1:157 lid 4 BW dat de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De keuze voor een termijn van twaalf jaar hangt samen met de leeftijd waarop een kind doorgaans van de basisschool naar de middelbare school gaat(17). Het eindigen van de alimentatieplicht na ommekomst van voormelde termijn heeft een in beginsel definitief karakter en vindt plaats ongeacht de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van deze termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter echter ingevolge art. 1:157 lid 5 BW op verzoek van de tot de uitkering gerechtigde een nieuwe termijn vaststellen. Voor deze verlenging zijn bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde nodig en deze draagt ook de stelplicht en bewijslast ter zake(18).

2.15 In de parlementaire geschiedenis is het uitzonderingskarakter van de verlengingsmogelijkheid benadrukt(19). Bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel is de grondgedachte daarvan aldus weergegeven dat "wanneer tussen twee personen de band van het huwelijk wordt geslaakt, ook aan de financiële banden op termijn een eind moet kunnen komen"(20). In de memorie van antwoord is benadrukt dat, indien men op ondersteuning blijft aangewezen door omstandigheden buiten het huwelijk, dit niet rechtvaardigt dat gewezen echtgenoten door alimentatie levenslang aan elkaar gebonden blijven. Volgens de memorie van antwoord mag men niet via de burgerrechtelijke onderhoudsverplichting een gewezen echtgenoot eindeloos verantwoordelijk houden voor een bepaalde maatschappelijke situatie(21).

2.16 De wetgever is voorts ervan uitgegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, ook wanneer dit moet gebeuren naast de zorg voor minderjarige kinderen uit het huwelijk, en dat dit ook in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Aan afwijzing van een verzoek tot verlenging worden geen hogere dan de gewone motiveringseisen gesteld(22). Over de vraag wanneer er grond bestaat voor verlenging heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld(23):

"3.3.2 Of er grond bestaat voor verlenging zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Het gaat in de eerste plaats erom of aan de zijde van de alimentatiegerechtigde bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die, gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre zijn of haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk, en of hij of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

Indien de rechter de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde in beginsel zwaarwegend genoeg acht, zal hij vervolgens ook omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder zijn of haar draagkracht, in zijn beoordeling moeten betrekken."

2.17 Ten aanzien van de vraag of de bijzondere omstandigheden (zoals arbeidsongeschiktheid) verband moeten houden met het huwelijk oordeelde de Hoge Raad(24):

"3.5.3 Anders dan het onderdeel betoogt, staat de enkele omstandigheid dat het ontbreken van verdiencapaciteit bij de alimentatiegerechtigde het gevolg is van arbeidsongeschiktheid, die is ontstaan na de echtscheiding, niet eraan in de weg dat de rechter die gezondheidstoestand of arbeidsongeschiktheid als factor in aanmerking neemt bij de beantwoording van de vraag of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Aan de strekking van art. 1:157 BW kan niet worden ontleend dat aan omstandigheden die geen verband houden met het huwelijk elk belang moet worden ontzegd.

Welk gewicht aan de bedoelde arbeidsongeschiktheid van de alimentatiegerechtigde toekomt, zal van geval tot geval moeten worden bezien in het geheel van de in aanmerking te nemen omstandigheden, waaronder de mogelijkheden die de alimentatiegerechtigde, gelet op zijn of haar leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond, redelijkerwijs heeft gehad zich in de periode van twaalf jaar een eigen inkomen te verwerven."

2.18 De formulering van verlengingsmogelijkheid van art. 1:157 lid 5 BW sluit goeddeels aan bij die van de voor "oude" gevallen getroffen overgangsregeling van art. II lid 2 van de wet van 28 april 1994, Stb. 325:

"2. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. (...)"

Alhoewel bij de beoordeling van een beroep op de bedoelde uitzondering alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen en voor de afwijzing van een dergelijk beroep (anders dan voor een afwijzing van een verzoek op grond van art. 1:157 lid 5 BW) hoge motiveringseisen gelden(25), heeft de Hoge Raad voor toepassing van de overgangsregeling voor oude gevallen als vuistregel aanvaard dat ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft, de rechter in beginsel zonder meer, en met name zonder in zijn motivering de verdere omstandigheden van het geval te hoeven betrekken, mag aannemen dat het beroep op de uitzondering faalt. Daarbij geldt echter dat in uitzonderlijke gevallen voor toepassing van deze vuistregel geen plaats is. Dat laatste zal zo zijn als de verdere omstandigheden van het geval onmiskenbaar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken(26). Overigens kan een onbetekenende terugval in inkomen zoals in de vuistregel bedoeld zich ook voordoen doordat de alimentatiegerechtigde op een (even hoge of hogere) bijstandsuitkering kan terugvallen(27).

2.19 Waar aan de motivering van de afwijzing van een verzoek op grond van art. 1:157 lid 5 BW hoe dan ook minder hoge eisen worden gesteld dan aan de afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een termijn op grond van de overgangsregeling voor "oude gevallen", is er geen reden de hiervoor bedoelde vuistregel niet ook bij de beoordeling van een verzoek als bedoeld in art. 1:157 lid 5 BW toepasbaar te achten. In dit verband wijs ik op HR 6 november 2009, LJN: BJ7004, NJ 2010, 63, m.nt. S.F.M. Wortmann, waarin (in verband met een verzoek op grond van art. 1:157 lid 5 BW) onder meer aan de orde was of het hof al dan niet naar behoren had gerespondeerd op de stelling van de alimentatieplichtige dat de terugval in inkomsten van de vrouw als gevolg van de beëindiging relatief onbetekenend was.

2.20 Het hof heeft in de bestreden beschikking onmiskenbaar de hiervóór (onder 2.18 en 2.19) bedoelde vuistregel toegepast. Het is tegen die achtergrond dat ik de klachten van het onderdeel bespreek.

2.21 Subonderdeel 3.1 beoogt blijkens de "verwijzing naar voorgaande klacht" kennelijk op de klachten van onderdeel 2 voort te bouwen. Waar de klachten van onderdeel 2 niet tot cassatie kunnen leiden, moet subonderdeel 3.1 in het lot van die klachten delen.

2.22 Subonderdeel 3.2 betoogt dat het hof eerst de behoefte aan alimentatie per 1 januari 2010 had moeten vaststellen en pas daarna een oordeel had mogen geven over de vraag of al dan niet van een (ingrijpende) inkomensachteruitgang sprake was. Voor zover ook subonderdeel 3.2 voortbouwt op de gedachte dat het hof de aan de vrouw toekomende alimentatie met ingang van 1 januari 2010 had moeten wijzigen, kan het om dezelfde reden als subonderdeel 3.1 niet tot cassatie leiden.

Overigens rijst de vraag of in een situatie (i) waarin de aan de vrouw toekomende alimentatie reeds met ingang van 1 november 2002 op nihil werd gesteld, (ii) de man feitelijk na 30 april 2003 niet meer in de kosten van levensonderhoud van de vrouw heeft bijgedragen, (iii) de vrouw tot drie maanden na ommekomst van de wettelijke twaalfjaarstermijn nimmer wijziging van de op nihil gestelde alimentatie heeft verzocht, óók niet na het meerderjarig worden van het jongste kind van partijen in 2006, en (iv) de vrouw een wijzigingsverzoek eerst heeft gedaan, tezamen met een verzoek om verlenging op grond van art. 1:157 lid 5 BW, op de laatste dag van de termijn waarbinnen dit verzoek mogelijk was en kennelijk vooral om de mogelijkheid van verlenging zeker te stellen(28), een slechts over de laatste paar maanden van de twaalfjaarstermijn met terugwerkende kracht toegekende alimentatie zou rechtvaardigen van een ingrijpende terugval in inkomen als gevolg van het eindigen van de alimentatieplicht van de man te spreken.

Voor zover het subonderdeel ertoe strekt te betogen dat van een voldoende terugval in inkomen ook sprake kan zijn indien de alimentatiegerechtigde voor de beëindiging van de alimentatieplicht weliswaar geen hoger inkomen genoot, maar op grond van zijn of haar behoefte wel op een (hogere) alimentatie aanspraak had kunnen maken (in de stukken ook wel aangeduid als "normatief" inkomen), mist het naar mijn mening steun in de bedoelde vuistregel, die op een feitelijke terugval in inkomen ziet.

2.23 Subonderdeel 3.3 klaagt dat het hof zich niet had mogen beperken tot een vergelijking van de (hoogte van) de alimentatie vóór en ná het einde van de twaalfjaarstermijn, maar eveneens een zelfstandig oordeel over de toekomst van de vrouw had moeten geven.

2.24 De klacht kan niet tot cassatie leiden. Bij toepassing van de door het hof gehanteerde vuistregel komt het aan op de (mate van) terugval in inkomen als gevolg van het eindigen van de alimentatieplicht. Daartoe moet in de regel de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert op het moment vóór de beëindiging worden vergeleken met de situatie waarin hij of zij als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren(29).

2.25 Voor zover het subonderdeel (zonder vermelding van vindplaats) voorts klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling dat verlenging óók mogelijk is wanneer aan het eind van de twaalfjaarstermijn geen recht op alimentatie bestaat, kan het evenmin tot cassatie leiden. In de door het subonderdeel kennelijk bedoelde situatie dat vóór ommekomst van de twaalfjaarstermijn geen alimentatie is verschuldigd (welke situatie overigens niet aan de orde was in de door het subonderdeel genoemde beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 februari 2006, welke beschikking een verzoek om verlenging van een lopende alimentatie van € 408,80 bruto per maand betrof), leidt het eindigen van de alimentatieplicht niet tot een terugval in inkomen; bij die stand van zaken kan de alimentatierechter het verzoek om verlenging volgens de door de Hoge Raad ontwikkelde vuistregel afwijzen, zonder de verdere omstandigheden van het geval in zijn motivering te betrekken. Op dit laatste stuit ook de klacht van het subonderdeel af dat het hof de behoefte aan en noodzaak van alimentatie voor de toekomst en de factoren zoals onder meer genoemd in HR 19 december 2008, LJN: BF3928, NJ 2009, 136, m.nt. S.F.M. Wortmann, in zijn oordeel had moeten betrekken.

2.26 Subonderdeel 3.4 bouwt in die zin op de laatste klacht van subonderdeel 3.3 voort, dat het (overigens zonder vermelding van vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties) meer in het bijzonder een aantal omstandigheden noemt die het hof bij een afweging van de factoren zoals onder meer genoemd in HR 19 december 2008, LJN: BF3928, NJ 2009, 136, m.nt. S.F.M. Wortmann, in zijn oordeel had moeten betrekken. Voor zover het subonderdeel miskent dat het hof hier toepassing heeft gegeven aan de door de Hoge Raad ontwikkelde vuistregel volgens welke de alimentatierechter bij ontbreken van een terugval in inkomen het verzoek om verlenging kan afwijzen zonder de andere factoren in zijn motivering te betrekken, kan het niet tot cassatie leiden, omdat het (evenals subonderdeel 3.3) van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat.

2.27 Achter het eerste gedachtestreepje noemt het subonderdeel overigens een aantal omstandigheden die, kort gezegd, de behoeftigheid van de vrouw betreffen. Dat, zoals het subonderdeel lijkt te veronderstellen, het hof zich ambtshalve een oordeel over de behoeftigheid van de vrouw over de periode 2003-2010 had moeten vormen, vindt geen steun in het recht. Evenmin kan doorslaggevend zijn dat de vrouw sinds 2006 aanvullende bijstand ontvangt en als bijstandsgerechtigde volgens het subonderdeel "per definitie behoeftig (is)". Zoals hiervoor (onder 2.18) al aan de orde kwam, kan een onbetekenende terugval in inkomen zoals in de vuistregel bedoeld zich ook voordoen doordat de alimentatiegerechtigde op een (even hoge of hogere) bijstandsuitkering kan terugvallen.

2.28 Achter het tweede gedachtestreepje vraagt het subonderdeel aandacht voor de omstandigheid dat de oorzaak van de behoefte van de vrouw is gelegen in het geweldsincident in 1996 dat in de procedure uitvoerig is besproken. Volgens het subonderdeel had het hof moeten oordelen over het oorzakelijke verband tussen dat geweldsincident en de behoefte van de vrouw. Subonderdeel 3.5 voegt hieraan toe dat met het oog op een eventuele verlenging van de twaalfjaarstermijn in het bijzonder van belang is of er sprake is van een behoefte die verband houdt met het huwelijk. Volgens het subonderdeel (dat niet verwijst naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties) is het feit dat het geweldsincident zich tijdens het huwelijk heeft voorgedaan, dat de man ter zake strafrechtelijk is veroordeeld, dat een tegemoetkoming is vastgesteld in de geleden (immateriële(30)) schade (Wet schadefonds geweldsmisdrijven) en dat het geweldsincident tot volledige arbeidsongeschiktheid van de vrouw heeft geleid, meer dan voldoende om een verband te leggen tussen de behoefte van de vrouw en het huwelijk van partijen.

2.29 Waar de hiervoor onder 2.28 weergegeven klachten uitmonden in het verwijt dat het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat van een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw sprake zou zijn, stuiten zij reeds af op de door het hof gehanteerde vuistregel, die het hof toestond het verzoek om verlenging reeds op grond van het ontbreken van een terugval in inkomen niet toewijsbaar te achten en de andere, doorgaans relevant te achten factoren, waaronder een huwelijksgerelateerde behoefte, niet in zijn motivering te betrekken.

Iets geheel anders is dat in uitzonderlijke gevallen voor toepassing van de vuistregel geen plaats is. Dat laatste zal in het bijzonder het geval zijn als de verdere omstandigheden van het geval onmiskenbaar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het verzoek om verlenging opleveren, dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken. In het middel lees ik niet de klacht dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting zou hebben blijk gegeven of zijn oordeel niet naar behoren zou hebben gemotiveerd, door te miskennen dat in uitzonderlijke gevallen voor toepassing van de vuistregel geen plaats is, c.q. door zonder nadere motivering een zodanig uitzonderlijk geval niet aan te nemen. Evenmin verwijst het middel hier naar vindplaatsen in de feitelijke instanties waar de vrouw het standpunt zou hebben betrokken dat de verdere omstandigheden van het geval (in het bijzonder het bedoelde geweldsincident) onmiskenbaar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het verzoek om verlenging opleveren, dat de rechter die omstandigheden (ondanks het ontbreken van een terugval in inkomen) in elk geval in zijn afweging dient te betrekken. Zodanig standpunt valt in de stukken ook niet te lezen: in het inleidende verzoekschrift werd in het geheel nog geen melding gemaakt van het geweldsincident, terwijl het bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep vooral een rol speelde in het (in verband met het zich al dan niet voordoen van een terugval in inkomen gevoerde) debat over de vraag of de vrouw kan worden tegengeworpen dat zij niet eerder wijziging van de op nihil gestelde partneralimentatie heeft verzocht.

2.30 Het subonderdeel klaagt ten slotte dat rechtbank en hof bepaalde, volgens het subonderdeel onbevoegd en onrechtmatig door de man gebruikte medische gegevens van de vrouw niet hebben uitgesloten, waardoor "het door het Hof aangaande het causaal verband tussen geweldsincident en arbeidsongeschiktheid te geven oordeel ernstig vertroebeld c.q. besmet is."

2.31 Noch de rechtbank (zie rov. 2.12 van haar vonnis: "Voor zover het letsel en het fysieke en/of psychische leed dat zij stelt te lijden al kan of moet worden toegerekend aan de aanrijding met de tractor (...)"), noch het hof (zie rov. 4.3: " Wat er ook zij van de stelling van de vrouw dat haar fysieke en/of psychische leed is veroorzaakt door de man (...)") heeft over het bedoelde causale verband geoordeeld. Voor zover het subonderdeel niettemin een impliciet oordeel van het hof over het bedoelde causale verband veronderstelt, mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel op een alsnog over dat causale verband te geven oordeel vooruitloopt, is het prematuur. In geen van beide gevallen kan het subonderdeel tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 3.1-3.8 van de bestreden beschikking.

2 Tegen deze beschikking werd cassatieberoep ingesteld in verband met het oordeel van het hof dat de vrouw de door haar teveel ontvangen partneralimentatie diende terug te betalen; zie HR 14 april 2006, LJN: AU8971, NJ 2006, 257.

3 In de feitelijke instanties is discussie geweest over de tijdigheid van de indiening van het inleidende verzoekschrift van de vrouw. Volgens de man was de vrouw daarmee één dag te laat, volgens de rechtbank was 6 juli 2010 de laatste dag van de termijn van drie maanden van art. 1:157 lid 5 BW (rov. 2.7 in samenhang met rov. 2.4). Blijkens het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 februari 2012 (p. 2) heeft de advocaat van de man het tegen dat oordeel van de rechtbank gerichte incidentele appel ingetrokken, "omdat het verzoekschrift op 5 juli 2010 al was ingediend."

4 Het subonderdeel verwijst naar de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense onder 9 voor HR 20 september 2002, LJN: AE3347, NJ 2003, 47, m.nt. S.F.M. Wortmann.

5 Het subonderdeel verwijst naar HR 28 mei 2004, LJN: AO4015, NJ 2004, 475, m.nt. S.F.M. Wortmann.

6 Het subonderdeel verwijst naar HR 21 december 2007, LJN: BB4757, NJ 2008, 27.

7 HR 1 februari 2002, LJN: AD6631, NJ 2002, 185, rov. 3.4.

8 Toelichting Meijers bij art. 1.17.1.11, Parl. Gesch. Boek I BW, p. 784.

9 HR 20 september 2002, LJN: AE3347, NJ 2003, 47, m.nt. SW, rov. 3.2.1 ("(...) Blijkens voormelde toelichting zal in het algemeen als uitgangspunt hebben te gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik dient te maken. Die behoedzaamheid is ook geboden in een geval als het onderhavige waarin het vaststellen van de ingangsdatum op een tijdstip vóór de desbetreffende uitspraak ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. (...)"); HR 14 april 2006, LJN: AU8971, NJ 2006, 257, rov. 3.5; HR 22 september 2006, LJN: AW6242, NJ 2006, 519, rov. 3.4.

10 Vgl. in dit verband HR 25 januari 2008, LJN: BB9246, NJ 2008, 65, rov. 3.6, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beslissing op het punt van de voor de vrouw uit zijn beslissing voortvloeiende terugbetalingsverplichting nader had moeten motiveren, nu "de vrouw zich erop heeft beroepen dat de maandelijkse betalingen van de man in overeenstemming met de behoefte van (...) (de dochter) aan een bijdrage in haar kosten van verzorging en opvoeding reeds waren uitgegeven", zulks terwijl het ten behoeve van de dochter verschuldigde alimentatiebedrag nu juist was verlaagd in verband met een nadere (lagere) bepaling van (het aandeel van de man in) de behoefte van die dochter.

11 HR 22 december 2009, LJN: BK1619, NJ 2010, 14, rov. 3.1.

12 Zie de in voetnoot 9 reeds geciteerde passage uit HR 20 september 2002, LJN: AE3347, NJ 2003, 47, m.nt. SW, rov. 3.2.1.

13 Zie in het bijzonder het verweerschrift in hoger beroep, p. 3, en het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 februari 2012, p. 2.

14 Het subonderdeel verwijst naar rb 's-Gravenhage 7 februari 2006, LJN: AW9814. In die beschikking lees ik echter niet dat daarin aan de orde was dat de termijn van de partneralimentatie werd verlengd, ofschoon bij ommekomst van de termijn van twaalf jaren geen recht op alimentatie bestond.

15 Uit de stukken (prod. 7 bij de brief van de advocaat van de vrouw aan de rechtbank Arnhem van 4 maart 2011) leid ik af dat de vrouw bij beslissing van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 28 september 2001 niet slechts een uitkering (ad f 10.000,-) ter zake van immateriële schade, maar ook een uitkering (ad f 15.527,- ) ter zake van materiële schade is toegekend.

16 Stb. 1994, 324 en 325. Zie voor de inwerkingtreding per 1 juli 1994 Stb. 1994, 365.

17 M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht (2012), nr. 153.

18 HR 19 december 2008, LJN: BF3928, NJ 2009, 136, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.1.1

19 Zie onder meer de passages (Kamerstukken II 1985/86, 19 295, nr. 3, p. 1, 6 en 7), aangehaald in de conclusie van A-G Wuisman voor de in voetnoot 18 genoemde beschikking onder 3.3. Zie over de wettelijke limitering en de daarop te maken uitzondering meer in het algemeen: Asser/De Boer 1* (2010), nrs. 632-633; S.F.M. Wortmann, De Hoge Raad en het einde van de alimentatieplicht, FJR 2005, p. 190-194; B.M. Mens, Limitering van alimentatie van rechtswege: definitief?, Tijdschrift voor echtscheidingsrecht EB 2006-1, p. 16-19; M.A. Zon, 12 jaar Wet Limitering Alimentatie Nieuwe gevallen - eindelijk duidelijkheid?, Tijdschrift voor echtscheidingsrecht EB 2006-7/8, p. 133-137; P.A.J.Th. van Teeffelen, Een harde limiet aan de limitering van rechtswege!?, Tijdschrift voor scheidingsrecht EB 2007-9, p. 141-144.

20 Handelingen II 1986/87, p. TK 101-5207.

21 Kamerstukken II 1986/87, 19 295, nr. 6, p. 5.

22 HR 6 november 2009, LJN: BJ7004, NJ 2010, 63, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4.5; HR 19 december 2008, LJN: BF3928, NJ 2009, 136, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5.

23 HR 19 december 2008, LJN: BF3928, NJ 2009, 136, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2.

24 HR 6 november 2009, LJN: BJ7004, NJ 2010, 63, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5.3.

25 HR 26 maart 1999, LJN: AA4832, NJ 1999, 654, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.3; HR 26 maart 1999, AA5004, NJ 1999, 655, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.

26 Zie voor de vuistregel en de daarop te maken uitzondering HR 26 maart 1999, LJN: AA4832, NJ 1999, 654, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.3; HR 26 maart 1999, AA5004, NJ 1999, 655, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.

27 HR 28 januari 2000, LJN: AA4607, NJ 2000, 391, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 2000, 392. Zie HR 11 september 2009, LJN: BI3437, NJ 2009, 420, voor een geval waarin een terugval in inkomen die zich voordeed als gevolg van het feit dat de alimentatiegerechtigde voorlopig zou zijn aangewezen op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, niet zonder nadere motivering als een geringe terugval kon worden aangemerkt.

28 Zie het inleidend verzoekschrift onder 5: "Op 6 juli 2010 eindigt de termijn waarbinnen verlenging van de alimentatieplicht kan worden gevraagd. Om die reden wordt het verzoekschrift heden ingediend." Zie ook de hiervóór (onder 2.11) reeds aangehaalde passage uit de door de advocaat van de vrouw bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehanteerde pleitnota.

29 Asser-De Boer I* (2010), nr. 633d, p. 530.

30 De uitkering betrof mede materiële schade; zie voetnoot 15.