Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ6523

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
12/04190
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0119
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ6523
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 12/04190

Mr. Vellinga

Zitting: 19 maart 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 28 december 2011.

2. Het eerste middel klaagt over ontoereikende weerlegging van het beroep op het ontbreken van causaliteit omdat er sprake was van een medische misser.

3. Door - zij het ten overvloede - te overwegen dat ook in het geval er sprake zou zijn geweest van een medische fout in de behandeling van [betrokkene] het overlijden van [betrokkene] redelijkerwijs aan verdachte is toe te rekenen heeft het Hof dit verweer toereikend gemotiveerd verworpen; vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, m.nt. 't H. Daarom kan buiten beschouwing blijven of het Hof op goede gronden heeft geoordeeld dat aan het beroep op een medische misser geen nadere uitleg is gegeven.

4. Het tweede middel richt zich tegen de overweging van Hof dat juist moge zijn dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal wilde stellen, maar dat verdachte als bestuurder van een personenauto in een verkeersongeval met een zwakkere verkeersdeelnemer een dergelijk risico niet heeft behoeven af te wegen.

5. Het oordeel van het Hof moet als volgt worden begrepen. De verdachte stond, als bestuurder van een personenauto de sterkere verkeersdeelnemer ten opzichte van de voetganger als zwakkere verkeersdeelnemer, anders dan de bestuurder in het geval dat ten grondslag lag aan het door verdachtes raadsman ingeroepen zogenaamde Porsche-arrest(1) niet voor de vraag of hij door zijn manoeuvre zijn eigen leven ook in gevaar zou brengen. Daarom roept het ontbreken van aanwijzingen dat verdachte bereid was met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal te stellen geen twijfel op aan het bewijs van het opzet op de dood van de voetganger, en wel omdat de onderhavige manoeuvre - anders dan die van de verdachte in het hiervoor genoemde arrest - verdachtes eigen leven niet wezenlijk in gevaar bracht en hij dus ook niet voor de vraag stond of hij die manoeuvre zou uitvoeren ook al liep hij gevaar daarbij zelf het leven te verliezen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199.