Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ6515

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
11/02316
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0371
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ6515
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht, nu uit de bm kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de laptop die door hem via marktplaats is aangeschaft door misdrijf was verkregen. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/02316

Mr. Knigge

Zitting: 12 februari 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 4 april 2011 verdachte wegens onder 1 primair "poging tot diefstal, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan" en onder 2 subsidiair "schuldheling, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien weken. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof uit de ten aanzien van feit 1 primair gebezigde bewijsmiddelen niet zonder nadere motivering heeft kunnen afleiden dat de verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van het voornemen om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een of meerdere goederen weg te nemen.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard dat

"hij op 18 maart 2010, te Tjerkgaast, in de gemeente Skarsterlân, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen (een) goed(eren) van zijn, verdachtes, gading, toebehorende aan [betrokkene 2], via een garage de woning van die [betrokkene 2] is binnengegaan en vervolgens een trap in genoemde woning is opgegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen 5 jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan."

4.3. Het Hof heeft de bewezenverklaring onder 1 primair doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest.

"1. Een proces-verbaal, nr. 2010026551-1, d.d. 18 maart 2010 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 40 t/m 42) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [betrokkene 2], afgelegd op 18 maart 2010 te 20.35 uur:

Op 18 maart 2010, omstreeks 20.20 uur was ik aan het werk in mijn wegrestaurant "[B]", gevestigd aan de [b-straat] te [plaats], in de gemeente [...]. Het restaurant zit vast aan mijn woonhuis. Ik ben even naar mijn woonhuis gelopen om iets op te halen. Ik liep door de gang naar het woonhuis. Toen ik de deur opende naar de hal zag ik in de schemering een persoon de trap af komen lopen. Het bleek een man te zijn. De man zei tegen mij: "Ik zoek hotel, men zei dat ik hier moest zijn". Ik heb tegen de man gezegd dat ik hem niet geloofde en dat ik de politie zou bellen. Hierop is de man naar buiten gelopen. Ik zag dat hij in een Volkswagen Golf stapte met het kenteken [AA-00-AA]. De man was van Turkse of Marokkaanse afkomst. Hij sprak met een accent. De man is via de garagedeur in mijn woning gekomen. Deze deur stond open, terwijl deze normaal dicht, maar niet op slot zit. Ik heb aan niemand het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal, nr. 2010026551-12, d.d. 19 maart 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 8], hoofdagent van politie, Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 43 t/m 45) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [betrokkene 2], afgelegd op 19 maart 2010:

Op uw vraag of ik verlichting had branden in mijn woning, antwoord ik, dat er een lamp brandde boven de salontafel. De woonkamer kijkt uit op de parkeerplaats. Het restaurant en de woning zijn met elkaar verbonden. Tussen het restaurant en de woning bevinden zich twee garages. Deze garages zijn zowel via de woning als via het restaurant binnen te bereiken. De ingang van de twee garages bevind zich aan de zijde van de parkeerplaats.

Op de vensterbank in de woning staan zeven planten. Ook hangt er vitrage voor de ramen in de woning. De woning heeft dus geen uitstraling van een hotel. Op het terrein, waarop mijn woning en restaurant is gevestigd, zijn ook geen aanduidingen aangebracht die wijzen op een hotel.

De parkeervakken voor personenauto's bevinden zich voor de ingang van het restaurant. De man had zijn auto, vanaf de woning gezien, geparkeerd in het eerste parkeervak. Dit parkeervak bevindt zich recht voor de ingang van het restaurant.

Mijn vrouw is ongeveer 15 minuten, voordat ik de dader overliep, nog in de woning geweest. Verder was er niemand in de woning aanwezig.

De twee garagedeuren bevinden zich vanaf de parkeerplaats gezien links naast de ingang van het restaurant. In die garagedeuren bevinden zich ook nog normale deuren. De man is door de meest linker garagedeur de woning binnen gekomen. In de garage staan meerdere spullen, waaronder een werkbank, buitenstoelen en stellage met enkele spullen. Verder bevindt zich in de garage een deur die naar de keuken van het restaurant loopt en een deur die naar een lange gang loopt richting mijn woning. De voordeur van mijn woning staat haaks op de garagedeuren.

Ik kwam de man tegen toen ik via de garage mijn woning binnen kwam. Ik stond in de gang, waar zich de trap naar boven bevindt. Ik zag de man van bovenaf de trap afkomen lopen. Ik zag dat het boven helemaal donker was. Wij laten het licht boven nooit branden.

De man vroeg mij waar hij zich kon inschrijven voor een kamer. Ik vertelde hem dat dat in het restaurant kon. Ik liep voor de man uit via de gang naar de garage. Ik wilde via de andere deur naar het restaurant gaan, maar zag dat de man via de garagedeur naar buiten liep. Ik zag dat de man in zijn auto stapte, die voor het restaurant stond geparkeerd. Ik riep naar de man dat hij moest blijven, omdat ik de politie wilde laten komen. Hij riep iets naar mij in de trant van 'succes' en reed daarop van het parkeerterrein af.

3. Een proces-verbaal aanhouding, nr. PL2544 2010019670-2 (dossierpagina's 27-29) d.d. 18 maart 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 9], respectievelijk hoofdagent en brigadier van de Basiseenheid Almere Haven - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisanten:

Op 18 maart 2010 om 21.30 uur hebben wij de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], wonende te [plaats], [a-straat 1], te [plaats] in zijn auto, voorzien van het kenteken [AA-00-AA] als verdachte aangehouden. Het voertuig hebben wij veiliggesteld.

4. Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, dienstdoende bij het Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 5 t/m 9) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 18 maart 2010 heb ik te [plaats] onder de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], wonende te [plaats], [a-straat 1], onder meer de na te melden in diens auto aangetroffen goederen in beslag genomen:

een breekijzer, een knipschaar, een stanleymes, twee schroevendraaiers, een bivakmuts en drie rubberen handschoenen.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2011 - zakelijk weergegeven - inhoudende onder meer het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg d.d. 14 november 2008 onder parketnummer 12-715442-08, waarbij verdachte wegens een gekwalificeerde diefstal is veroordeeld tot 16 weken gevangenisstraf, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

6. De verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van het hof - zakelijk weergegeven - :

Op 18 maart 2010 ben ik 's avonds in mijn auto naar [plaats], in de gemeente [...], gereden. In [plaats] aangekomen zag ik een wegrestaurant aan de rechterkant van de weg. Ik heb mijn auto bij dat wegrestaurant geparkeerd. Links van het wegrestaurant zag ik een deur. Ik ben door die deur naar binnen gegaan. Toen ik bij een trap kwam, ben ik via die trap naar boven gelopen. Het klopt dat het op de trap en boven donker was. Korte tijd later werd ik door de eigenaar van het wegrestaurant aangesproken. Ik bleek me niet in het restaurant te bevinden, maar in de woning van de eigenaar van het restaurant. Ik heb tegen de eigenaar gezegd dat ik de receptie zocht om een slaapplaats te kunnen regelen.

De politie heeft goederen in mijn auto aangetroffen en in beslag genomen.

7. De verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van de eerste rechter d.d. 28 mei 2010 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Er stond niets op de deur, maar de deur was los. Ik kwam een ruimte binnen; het leek een soort garage. Ik kon vervolgens naar rechts of links. Rechts was het restaurant. Ik ben naar links gelopen. Daar was ook weer een deur. Op die deur stond ook niets. Ik kwam in een ruimte. Er was een trap; ook daar stond niets aangegeven. Ik ben in het donker de trap opgegaan. Er stond niet aangegeven dat het een hotel was.

U houdt mij voor dat er spullen in mijn auto zijn aangetroffen, die gebruikt kunnen worden om in te breken. In het verleden heb ik inbraken gepleegd.

4.4. De Aanvulling bewijsmiddelen bevat voorts de volgende nadere bewijsoverweging van het Hof.

"Gelet op de wijze waarop (via een garage; linksaf in plaats van rechtsaf richting restaurant) en de omstandigheden waaronder (geen specifieke aanduidingen op deuren; trap en bovenverdieping donker) de verdachte de woonruimte is binnengegaan, is het hof tot het oordeel gekomen dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, te weten dat hij op zoek was naar een receptie om een slaapplaats te kunnen regelen, als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld."

4.5. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan, voor zover hier van belang, worden afgeleid dat de verdachte op 18 maart 2010 zijn auto heeft geparkeerd op het parkeerterrein van een wegrestaurant in [plaats] (bewijsmiddelen 2 en 6), vervolgens zonder toestemming via een openstaande garagedeur de met het betreffende wegrestaurant verbonden woning van de eigenaar is binnengegaan (bewijsmiddelen 1, 2, 6 en 7), daarna in deze woning door de eigenaar is aangetroffen op het moment dat hij vanuit het donker een trap af kwam lopen (bewijsmiddelen 2, 6 en 7) en tot slot, na de eigenaar te hebben gezegd dat hij op zoek was naar een hotelkamer, niet met deze naar de ingang van het wegrestaurant is gelopen, maar via de garagedeur weer naar buiten is gegaan en is weggereden (bewijsmiddelen 1 en 2). Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat bij de aanhouding van de verdachte korte tijd na het voorval in diens auto een breekijzer, een knipschaar, een stanleymes, twee schroevendraaiers, een bivakmuts en drie rubberen handschoenen zijn gevonden (bewijsmiddel 4).

4.6. Dat het Hof geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte dat hij de met het wegrestaurant verbonden woning van de eigenaar binnenging omdat hij op zoek was naar een hotelreceptie, is gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en 's Hofs verwijzing naar de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de woning is binnengegaan niet onbegrijpelijk. Gelet daarop is het oordeel van het Hof dat de verdachte met het binnengaan van de desbetreffende woning handelde ter uitvoering van het voornemen om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een of meerdere goederen weg te nemen, evenmin onbegrijpelijk. De mogelijkheid dat sprake was van nog een ander alternatief scenario, waarop door de verdachte geen beroep is gedaan, kon het Hof als hoogst onwaarschijnlijk terzijde schuiven. Tot een nadere motivering was het Hof dan ook niet gehouden.

4.7. Het middel faalt derhalve.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof uit de ten aanzien van feit 2 subsidiair gebezigde bewijsmiddelen niet zonder nadere motivering heeft kunnen afleiden dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de tenlastelegging omschreven laptop had moeten vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 subsidiair bewezen verklaard dat

"hij in de periode van 23 juni 2009 tot en met 18 maart 2010, te Almere, in de gemeente Almere, een laptop (Acer Aspire 7730 ZG) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die laptop redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan."(1)

5.3. Het Hof heeft de bewezenverklaring onder 2 subsidiair doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest.

"9. Een proces-verbaal, nr. 2009053646-1, d.d. 24 juni 2009 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier, Wijkteam Goes Zuid/Oost/Dorpen Oost (dossierpagina's 85 t/m 89) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van aangever [betrokkene 1], afgelegd op 23 juni 2009:

Ik ben directeur van [A], gevestigd te [plaats]. Op 23 juni 2009 is in dit bedrijf een laptop van het merk Acer Espire (het hof begrijpt en leest: Acer Aspire) weggenomen. Ik heb aan niemand toestemming gegeven om de laptop weg te nemen.

10. Een proces-verbaal, nr. 2010026551-6, d.d. 19 maart 2010 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 10], inspecteur van politie, en [verbalisant 11], aspirant van politie, beiden van het Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 55 en 56) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisanten:

Op 18 maart 2010, omstreeks 22.15 uur hebben wij een onderzoek ingesteld in de zwarte personenauto van de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboortedatum], wonende te [plaats], [a-straat 1]. Deze auto was van het merk Volkswagen Golf en was voorzien van het kenteken [AA-00-AA]. In de kofferbak troffen wij onder meer een laptop van het merk Acer Aspire 7730 serie aan. Deze laptop is door ons in beslag genomen.

11. Een proces-verbaal, nr. 2010026551-13, d.d. 20 maart 2010 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 92 en 93) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 19 maart 2010 nam ik een laptop van het merk Acer Aspire 7730ZG in beslag. Deze laptop werd op 18 maart 2010 in de kofferbak van een zwarte Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [AA-00-AA], aangetroffen. Deze auto werd bestuurd door [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], wonende te [plaats], [a-straat 1]. Ik heb de laptop onderzocht. Ik zag in het opstartscherm een tweetal kaders verschijnen. Het ene kader was voorzien van het bijschrift 'gast' en het andere van het bijschrift '[betrokkene 1]'. Na onderzoek bleek dat er op 23 juni 2009 aangifte was gedaan van door [betrokkene 1], wonende te [plaats]. Ik heb telefonisch contact opgenomen met aangever [betrokkene 1]. Hij vertelde mij dat in het opstartscherm van zijn weggenomen Acer laptop de naam '[betrokkene 1]' stond. Voorts gaf hij aan dat er veel koppelingen naar autosites en autosoftware op de laptop zouden staan. Ik zag dat dit klopte.

12. Een proces-verbaal, nr. 2010026551-18, d.d. 21 maart 2010 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 74 t/m 76) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte, afgelegd op 21 maart 2010:

U laat mij een foto zien van een laptop. Ik herken deze laptop als mijn eigendom. Deze lag in de kofferbak van de zwarte auto, merk Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [AA-00-AA]. In die auto ben ik (naar het hof begrijpt: door de politie te Almere) aangetroffen.

Deze laptop heb ik voor een tijd terug via marktplaats (het hof begrijpt: marktplaats.nl) gekocht voor € 280,=. De prijzen op marktplaats zijn wat lager, maar ik twijfelde wel. Ik heb niet gevraagd waar de laptop vandaan kwam. Ik vond de prijs goedkoop. Ik kocht de laptop in een plastic zak. Ik gebruik de laptop als gast. De andere naam weet ik zo niet meer. Als u zegt dat dit de naam van de eigenaar is, dan zal dat zo kunnen zijn.

13. Een proces-verbaal, nr. 2010026551-19, d.d. 19 maart 2010 op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt door [verbalisant 5], aspirant van politie, en [verbalisant 6], brigadier van politie, beiden van het Team Joure-Lemmer (dossierpagina's 71 t/m 73) - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte, afgelegd op 19 maart 2010:

De laptop Acer heb ik gekocht van een jongeman. We hadden afgesproken bij een sportschool.

14. De verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van het hof - zakelijk weergegeven - inhoudende:

In de periode van 23 juni 2009 tot en met 18 maart 2010 heb ik te Almere een laptop van het merk Acer Aspire 7730 ZG gekocht. Die laptop werd op marktplaats.nl te koop aangeboden. Voordat ik de laptop kocht heb ik deze alleen op beschadigingen gecontroleerd. Ik heb toen niet gecontroleerd of de laptop functioneerde. Nadat ik die laptop had gekocht en ik deze aanzette, bleek zich op die laptop een account te bevinden van ene [betrokkene 1].

15. Een schriftelijk stuk, te weten een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2011 - zakelijk weergegeven - inhoudende onder meer het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg d.d. 14 november 2008 onder parketnummer 12-715442-08, waarbij verdachte wegens een gekwalificeerde diefstal is veroordeeld tot 16 weken gevangenisstraf, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren."

5.5. Voor zover hier van belang, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen dat de laptop op 18 maart 2010 is aangetroffen in de kofferbak van de auto van de verdachte (bewijsmiddelen 10, 11 en 12), de verdachte de laptop via de website www.marktplaats.nl voor € 280,- heeft gekocht (bewijs-middelen 12 en 14), de verdachte de laptop op enig tijdstip tussen 23 juni 2009 en 18 maart 2010 bij een sportschool van een 'jongeman' in een plastic zak overhandigd heeft gekregen (bewijsmiddelen 12, 13 en 14), de prijs van de laptop wat hoger was dan de andere prijzen op marktplaats.nl, maar dat de verdachte wel twijfelde, dat de verdachte de laptop goedkoop vond en niet heeft gevraagd waar deze vandaan kwam (bewijsmiddel 12) en de verdachte de laptop ten tijde van de verkrijging alleen op beschadigingen en niet op functioneren heeft gecontroleerd, terwijl zich op die laptop een account bevond van de bestolene (bewijsmiddelen 9, 11, 12 en 14).

5.6. De in art. 417bis lid 1 sub a Sr neergelegde strafbaarstelling van schuldheling vereist dat ten tijde van het voorhanden krijgen van een goed sprake is van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het desbetreffende goed door misdrijf is verkregen. In de wettekst vindt dit uitdrukking in de woorden "redelijkerwijs moeten vermoeden". Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hier gaat om "grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid" en dat daarvan sprake is indien de verdachte in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen.(2) Aan het vereiste van een grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid kan onder meer zijn voldaan, indien de verdachte goederen zonder papieren koopt of voorhanden krijgt van hem onbekenden(3) of als hij goederen ver onder de geldende marktprijs verwerft.(4)

5.7. Met de steller van het middel ben ik het eens dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet geheel duidelijk wil worden welke bewijsredenering hier door het Hof is gevolgd. Ik wijs er daarbij op dat het feit dat het opstartscherm twee kaders te zien gaf, waaronder één met het bijschrift '[betrokkene 1]', niet redengevend kan zijn voor de bewezenverklaring van de schuld, nu het Hof gezien de bewijsmiddelen heeft aangenomen dat de verdachte de laptop pas aanzette nadat hij deze had gekocht en dus - naar moet worden aangenomen - pas nadat hij de laptop voorhanden had gekregen. Bij de vraag of de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de laptop had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was, kan dit gegeven dus geen rol spelen.

5.8 Het Hof heeft kennelijk in het kader van zijn bewijsbeslissing waarde gehecht aan de omstandigheid dat de verdachte de laptop ten tijde van de verkrijging alleen op beschadigingen heeft gecontroleerd en dus niet heeft gecontroleerd of de laptop naar behoren functioneerde. Deze omstandigheid wijst erop dat de verdachte wel erg goed van vertrouwen is geweest, maar daarmee is nog niet gezegd dat de verdachte tot een onderzoek naar de "inhoud" van de laptop gehouden was omdat er objectief gezien redenen waren om aan de legale herkomst van de laptop te twijfelen. De vraag waarop het aankomt, is zogezien of er objectief gezien redenen waren die noopten tot nader onderzoek. Op dit punt is de bewijsmotivering bepaald onhelder. Het Hof heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte dat hij wel twijfels had, maar of dat twijfels waren over de legale herkomst wordt niet erg duidelijk. Misschien twijfelde de verdachte wel aan de prijs-kwaliteitsverhouding. In elk geval is de vraag of de subjectieve twijfel objectief gerechtvaardigd was. Misschien is de verdachte wel over zijn twijfels heengestapt omdat hij uiteindelijk van oordeel was dat daarvoor geen grond was.

5.8. De als bewijsmiddel 12 gebezigde verklaring van de verdachte houdt in dat hij voor de (tweedehands) laptop € 280,- heeft betaald. Dat is misschien geen hoog bedrag (de verdachte vond de laptop goedkoop), maar uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de prijs ver onder de marktprijs lag voor tweedehands-laptops. De verklaring van de verdachte dat de prijzen op marktplaats.nl doorgaans lager zijn, wijst eerder op het tegendeel. Uit de als bewijsmiddel 12 en 13 gebezigde verklaringen van de verdachte volgt dat hij de laptop via de website www.marktplaats.nl heeft gekocht van een jongeman en dat de afhandeling van de transactie met deze persoon heeft plaatsgevonden bij een sportschool. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte de naam van deze jongeman niet kende en dat hij niet over de adresgegevens van deze persoon beschikte. Dat de aflevering bij de sportschool plaatsvond omdat de bedoelde jongeman onbekend wenste te blijven, kan daarom evenmin uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

5.9 Vastgesteld kan worden dat het Hof in het bestreden arrest niet erg duidelijk maakt op welk punt de verdachte nu precies is tekortgeschoten. Het kan mogelijk als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat laptops veelvuldig het voorwerp zijn van diefstal (en heling). Dat enkele feit is echter onvoldoende om, als achteraf blijkt dat men een gestolen laptop heeft gekocht, van een gebrek aan de vereiste voorzichtigheid te spreken. Bewezen zal moeten worden dat er vooraf redenen waren die tot grotere voorzichtigheid noopten. Als dat niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, mag van de rechter worden gevergd dat hij duidelijk maakt welke zijn gedachtegang is geweest. 's Hofs bewijsmotivering schiet op dit punt tekort.(5)

5.10. Het middel slaagt.

6. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Met betrekking tot de bewezenverklaring onder 2 subsidiair heft het Hof in de aanvulling op het arrest (blz. 7) overwogen dat het bewezen verklaren van de niet in de tenlastelegging opgenomen zinsnede 'terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid' een kennelijke misslag betreft.

2 Vgl. HR 17 december 1985, LJN AC9146, NJ 1986/428, HR 8 april 2008, LJN BC5957, NJ 2008/228 en HR 24 november 2009, LJN BJ8631, NJ 2009/608.

3 HR 17 december 1985, NJ 1986/428 en HR 17 december 2002, NJ 2003/177.

4 HR 11 november 1986, NJ 1987/567.

5 Vgl. HR 8 oktober 2002, LJN AE5598, HR 9 februari 2010, LJNBK6943, HR 25 mei 2010, LJN BL5625, NJ 2010/305, HR 4 januari 2011, LJN BO3395, HR 14 mei 2011, LJN BQ3745, HR 20 september 2011, LJN BQ5709 en HR 4 oktober 2011, LJN BR2335.