Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ6381

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
13/00028
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ6381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet BOPZ. Verzoek tot verlening voorlopige machtiging. Na afloop van de behandeling ter zitting verstrekte aanvullende informatie door psychiater. Schending beginsel van hoor en wederhoor. Art. 8 en 9 Wet BOPZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2013/21
NJB 2013/884
JWB 2013/199

Conclusie

13/00028

Mr. F.F. Langemeijer

25 januari 2013

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te 's-Gravenhage

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat het verzoek om een voorlopige machtiging is toegewezen zonder dat betrokkene zich heeft kunnen uitspreken over de opgevraagde medische informatie. Daarnaast is er een inhoudelijke klacht over de geneeskundige verklaring.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 23 oktober 2012, heeft de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage aan de rechtbank een voorlopige machtiging verzocht om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 5 oktober 2012 ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 1].

1.2. Op 22 november 2012 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, bijgestaan door een advocaat, en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.

1.3. De rechter heeft de beslissing op het verzoek aangehouden tot vrijdagmiddag 23 november 2012 nadat de advocaat namens betrokkene had aangevoerd dat de geneeskundige verklaring van 5 oktober 2012 verouderd is en de verzochte verlening van een voorlopige machtiging niet kan dragen. De rechter heeft vervolgens de rapporterend psychiater om aanvullende informatie verzocht. Bij faxbrief van 23 november 2012 heeft de psychiater aan dit verzoek voldaan.

1.4. Bij beschikking van 26 november 2012 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door verzoeker niet tijdig in kennis te stellen van het feit dat aan psychiater [psychiater 1] aanvullende (medische) informatie is gevraagd en dat aan betrokkene niet de mogelijkheid is gegeven zich over deze aanvullende informatie uit te laten.

2.2. Deze klacht slaagt. Nadat de advocaat van betrokkene ter zitting had aangevoerd dat de geneeskundige verklaring van 5 oktober 2012 niet aan (toewijzing van) het verzoek ten grondslag kan worden gelegd, heeft de rechtbank de psychiater om een aanvulling van de geneeskundige verklaring gevraagd. Deze is, zo volgt uit de beschikking (blz. 2), op 23 november 2012 per fax ontvangen. In deze aanvullende informatie is te lezen dat er geen verandering is opgetreden in het toestandsbeeld van betrokkene.

2.3. Uit de beschikking noch uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt dat betrokkene of zijn advocaat ervan op de hoogte zijn gesteld dat aanvullende informatie is opgevraagd. Evenmin blijkt daaruit dat betrokkene of zijn advocaat op deze aanvullende informatie hebben kunnen reageren. De regel van hoor en wederhoor is neergelegd in art. 19 Rv. In het negende lid van art. 8 Wet Bopz is bepaald dat de betrokkene of zijn raadsman in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van mededelingen en verklaringen van de personen, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid van art. 8; daartoe behoort de informatie van de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld. Niet-nakoming van deze regel leidt in de regel tot vernietiging van de beschikking(1).

2.4. Onderdeel 2 klaagt dat de psychiater betrokkene niet opnieuw heeft onderzocht, maar zich heeft beperkt tot dossieronderzoek en overleg met de behandelend psychiater, en dat het medisch onderzoek om deze reden niet voldoet aan art. 5 lid 1 Wet Bopz.

2.5. Indien onderdeel I slaagt, heeft betrokkene geen belang meer bij behandeling van deze klacht. Volledigheidshalve merk ik over deze klacht het volgende op. Ingevolge het bepaalde in art. 5 Wet Bopz legt de officier van justitie bij het verzoekschrift een verklaring over van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was. In beginsel moet de (niet bij de behandeling betrokken) psychiater het onderzoek persoonlijk verrichten, waarbij hij de patiƫnt spreekt en observeert. Lukt het niet tot een gesprek te komen, dan kan de psychiater langs een andere weg proberen aan de voor zijn onderzoek benodigde informatie te komen, zoals informatie van eerdere behandelaars, van de familie of uit de omgeving van de betrokkene. De psychiater dient in dat geval in de geneeskundige verklaring aan te geven dat hij is uitgegaan van informatie van derden, welke informatie dat is en waarom hij de betrokkene niet of slechts in een beperkte mate heeft kunnen onderzoeken. De rechtbank dient vervolgens na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden.

2.6. Bij brief van 23 november 2012 heeft de psychiater verklaard:

"Naar aanleiding van uw verzoek om aanvullende informatie over [naam betrokkene] kan ik u berichten dat ik vandaag, vrijdag 23 november 2012 dossieronderzoek heb gedaan en persoonlijk gesproken heb met zijn behandelend psychiater [psychiater 2].

Hieruit is mij gebleken dat er in de afgelopen weken (na 5-10-2012) geen verandering in toestandsbeeld, noch in gevaar is geweest sinds de eerdere beoordeling dd 5-10-2012. Daarbij is er nog steeds geen bereidheid tot vrijwillige opname."

2.7. De psychiater - zo blijkt uit de brief van 23 november 2012 - heeft betrokkene niet meer gesproken of gezien, maar zich gebaseerd op het dossier en op informatie van de behandelend psychiater. Er zijn gevallen voorstelbaar waarmee met deze werkwijze kan worden volstaan, bijvoorbeeld wanneer een geneeskundige verklaring aan alle eisen voldoet doch de rechter ambtshalve of naar aanleiding van een verweer op een of meer punten nog behoefte heeft aan een nadere toelichting. In dat veronderstelde geval mankeert er niets aan het objectief geneeskundig onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, maar gaat het hoogstens om een verdieping van de gronden waarop de conclusie van de psychiater berust. In het onderhavige geval was echter aangevoerd dat op 22 november 2012 de gevraagde machtiging niet op een geneeskundige verklaring van zeven weken geleden (5 oktober 2012) kon worden gebaseerd en dat deze verouderd was. Dat impliceert het verzoek om opnieuw een psychiatrische beoordeling te verrichten.

2.8. De psychiater heeft in de brief van 23 november 2012 geen reden opgegeven waarom hij betrokkene zelf niet opnieuw heeft onderzocht. Ook uit de beschikking volgt de reden niet. Nu deze aanvullende informatie ertoe heeft geleid dat de voorlopige machtiging is toegewezen, had betrokkene er belang bij dat aan deze informatie een medisch onderzoek ten grondslag ligt dat aan de eisen voldoet. De opsteller van de geneeskundige verklaring dient objectief, d.w.z. onafhankelijk van de mening van de behandelaar, tot zijn oordeel te komen(2). De psychiater had dan ook het nodige in het werk dienen te stellen om betrokkene zelf te onderzoeken. Pas als het niet zou zijn gelukt met betrokkene in gesprek te komen (bijv. door een weigering van betrokkene), kan dit anders zijn. Nu ook in de beschikking geen verklaring wordt gegeven waarom betrokkene niet zelf onderzocht is, slaagt het onderdeel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank 's-Gravenhage.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie bijv. HR 20 januari 1995 (LJN: ZC1621),NJ 1995/305; HR 16 april 1999 (LJN: ZC2885), NJ 1999/432; HR 5 november 1999 (LJN: ZC3128), NJ 2000/64; HR 25 oktober 2002 (LJN: AE8476), NJ 2002/599 en HR 4 mei 2007 (LJN: BA3035), BJ 2007/18 m.nt. red. Zie ook: De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 5.1 en 5.3 op art. 8 (W. Dijkers).

2 HR 20 oktober 2006 (LJN: AY9228), BJ 2006/48 m.nt. red.