Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5956

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
11/01857
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5956
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv. Opgave bewijsmiddelen. ’s Hofs oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend - ook wat betreft het meermalen tegen het gezicht ‘stompen’ van X - geeft gelet op de door verdachte onder 1 tot het bewijs gebezigde in e.a. afgelegde verklaring, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Bij de uitleg van die verklaring heeft het Hof zijn eigen waarneming ttz. kunnen betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/01857

Mr. Vellinga

Zitting: 5 februari 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 250,00 .Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3, tweede volzin, Sv, hoewel de verdachte het bewezenverklaarde niet ondubbelzinnig heeft bekend:

4. Aan de verdachte was tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 20 maart 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden."

5. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 20 maart 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen tegen het gezicht heeft gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden."

6. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard:

"Toen heb ik hem viermaal tegen de zijkanten van zijn gezicht geslagen. Ik beoefen Kung Fu; deze slagen zijn snel en onverwacht om iemand te verrassen. Ik sloeg hem omdat ik hem onberekenend vond.

(...)

Ik heb hem niet geduwd voordat ik hem sloeg."

Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in:

"Het hof neemt waar dat de verdachte demonstreert dat hij een viertal slaande bewegingen maakt met zijn beide, half gesloten handelen."

7. Uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en het Hof heeft waargenomen kan wel worden afgeleid dat hij heeft bekend het slachtoffer te hebben geslagen maar niet - zoals het Hof heeft bewezenverklaard - dat hij duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend dat hij het slachtoffer heeft gestompt.

8. Voor de verdachte gaat het hier om een essentieel verschil. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg immers onder meer verklaard:

lk heb niet met mijn vuist geslagen, want dan ben je niet snel. Ik sloeg met vlakke hand.

(...)

Het klopt niet dat ik op aangever ben afgelopen. Ook klopt het niet dat ik met gebalde vuist heb geslagen.

9. Nu de verdachte het bewezenverklaarde in hoger beroep niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, had het Hof niet kunnen volstaan met louter een opgave van de bewijsmiddelen.(1)

10. Van een kennelijke, in cassatie te herstellen vergissing van het Hof in die zin dat het Hof bij vergissing stompen in plaats van slaan bewezen heeft verklaard is geen sprake. Ter motivering van de opgelegde straf overweegt het Hof immers dat verdachte het slachtoffer een serie stompen in het gezicht heeft gegeven.

11. Het arrest bevat dus in strijd met het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv niet de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gestoeld. Dit verzuim heeft nietigheid ten gevolg (art. 359 lid 8 Sv).

12. Het middel slaagt.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 26 juni 2012, LJN BW9200, HR 27 september 2011, LJN BR2053, HR 9 juni 2009, LJN BI0541, NJ 2009, 285.