Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5953

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
11/01623
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9706
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5953
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontbreken p-v van de tz. in e.a. bij de stukken. O.g.v. nader bij het Hof ingewonnen informatie moet worden aangenomen dat het pv van de tz. in e.a. niet meer beschikbaar zal komen. Nu in h.b. geen beroep is gedaan op het ontbreken van genoemd p-v, kan daarover niet voor het eerst in cassatie met vrucht worden geklaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/901

Conclusie

Nr. 11/01623

Mr. Aben

Zitting: 12 maart 2013

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 31 maart 2011 de verdachte wegens 2 subsidiair en 4. opleverende "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en de verdachte wegens 3. "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de verdachte ten aanzien van feit 2 veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.(1)

3. Alvorens de middelen te bespreken vestig ik de aandacht op het volgende. Het hof heeft de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit, een overtreding ingevolge art. 107, eerste lid, in verbinding met art. 177, eerste lid aanhef en onder a, en art. 178, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994, enkel veroordeeld tot een geldboete van € 200,-. Gelet op art. 427, tweede lid, Sv kan de verdachte in zoverre niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken geen exemplaar bevindt van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 7 maart 2006.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 7 maart 2006 bevindt zich inderdaad niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding.(2) Deze stukken houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Een schrijven van de waarnemend griffier van de rechtbank te Rotterdam van 28 december 2009, gericht aan de griffier van het gerechtshof te 's-Gravenhage, houdt in dat het vonnis van de rechtbank op 21 maart 2006 bij verstek is gewezen, dat op 18 december 2009 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis en dat ingevolge art. 378, tweede lid aanhef en onder c en d, Sv het vonnis niet in het proces-verbaal der terechtzitting is aangetekend.(3)

(ii) Overeenkomstig art. IV, derde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 (Stcrt. 2008, 147) heeft de raadsman van de verdachte (mr. A.M. Seebregts) bij faxbericht van 6 oktober 2011 tijdig aan de rolraadsheer van de Hoge Raad verzocht hem onder meer het hiervoor genoemde stuk te doen toekomen.(4)

(iii) Naar aanleiding van dit verzoek heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij schrijven van 7 oktober 2011 aan het gerechtshof te 's-Gravenhage verzocht het ontbrekende proces-verbaal en de mogelijk ontbrekende pleitnota aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen.

(iv) In reactie hierop heeft de griffier van het gerechtshof te 's-Gravenhage bij brief van 17 oktober 2011, gericht aan de Hoge Raad, onder verwijzing naar het (hiervoor genoemde) schrijven van de waarnemend griffier van de rechtbank te Rotterdam van 28 december 2009 bericht dat deze waarnemend griffier heeft gemeld dat de zaak in eerste aanleg bij verstek is behandeld en dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet is uitgewerkt. Bij deze brief is het zogenaamde "setje" gevoegd, dat bestaat uit voornoemd schrijven van de waarnemend griffier van de rechtbank, de akte rechtsmiddel, het vonnis van de rechtbank en een afschrift van de dagvaarding.

(v) Een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad heeft op 21 oktober 2011 een afschrift van dit "setje" toegezonden naar mr. A.M. Seebregts en aan hem (schriftelijk) medegedeeld dat in overleg met de rolraadsheer is beslist dat een nadere termijn wordt verleend teneinde hem in de gelegenheid te stellen om na kennisneming van de toegezonden stukken de eerder (op 7 oktober 2011 per fax, gevolgd door het originele exemplaar op 11 oktober 2011) ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel één of meerdere middelen in te trekken en dat de nieuwe termijn loopt tot en met 3 november 2011.

(vi) Van deze gelegenheid heeft mr. Seebregts geen gebruik gemaakt.

6. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de stukken van het geding volgt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 7 maart 2006 niet is opgemaakt en dus niet meer beschikbaar zal komen. Gelet hierop kan niet worden gecontroleerd of ter terechtzitting in eerste aanleg alle voorgeschreven procedurevoorschriften in acht zijn genomen. Het middel klaagt daarover terecht.(5)

7. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging op grond van het hiervoor geconstateerde verzuim. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank immers vernietigd en opnieuw recht gedaan. Voorts heeft de behandeling in eerste aanleg bij verstek plaatsgevonden, zodat aannemelijk is dat het proces-verbaal - als dat wel conform de regels zou zijn opgemaakt - slechts een zeer summiere inhoud zou hebben bevat. Bovendien hebben noch de verdachte noch diens raadsman op de terechtzittingen in hoger beroep(6) over voornoemd verzuim geklaagd. Daarnaast heeft de steller van het middel niet aangegeven welke procedurevoorschriften in eerste aanleg niet in acht zouden zijn genomen. Ten slotte heeft in hoger beroep een geheel nieuwe behandeling van de zaak plaatsgevonden, terwijl het hof voor het bewijs geen gebruik heeft gemaakt van op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaringen (als daar al verklaringen zouden zijn afgelegd). Hieraan doet niet af dat het arrest van het hof mede is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.(7)

8. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft overwogen dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

9. Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2011 overgelegde pleitaantekeningen heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hij heeft hiertoe als gronden aangevoerd (i) de inactiviteit van het openbaar ministerie ten aanzien van het ter kennis brengen van de uitspraak van de rechtbank aan de verdachte, en (ii) de zeer ruime overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling. De raadsman heeft zijn stellingen als volgt onderbouwd. Overeenkomstig art. 366, eerste lid, Sv dient het openbaar ministerie de mededeling van het vonnis van de rechtbank zo spoedig mogelijk aan de verdachte te betekenen. Het openbaar ministerie heeft niet met de nodige voortvarendheid getracht de uitspraak ter kennis van de verdachte te brengen, nu uit het dossier niet blijkt dat enige poging is ondernomen om de mededeling te betekenen en de uitspraak evenmin op de voet van art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv aan de griffier is uitgereikt. Voorts heeft het openbaar ministerie niet tenminste eenmaal per jaar gepoogd de verstekmededeling alsnog te betekenen. Bovendien heeft het openbaar ministerie de verdachte niet spoedig na de uitspraak in het opsporingsregister geplaatst.

Ten slotte heeft de raadsman ten aanzien van de strafmaat nog betoogd dat er geen vrijheidsstraf dient te worden opgelegd gelet op de onredelijke duur van de procedure vanaf het moment dat er sprake was van een "criminal charge" ex art. 6 EVRM, gekoppeld aan het tijdsverloop in zijn algemeenheid.

10. Het hof heeft in reactie op het niet-ontvankelijkheidsverweer onder het hoofd "ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte" en onder het hoofd "strafmotivering" geoordeeld dat het zal volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden bij de betekening van de verstekmededeling, nu een overschrijding van de redelijke termijn naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging en het in niet onbelangrijke mate aan de verdachte zelf is te wijten dat hij niet op een eerder moment kennis heeft gekregen van de uitspraak. Het hof heeft daartoe vastgesteld dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank van 21 maart 2006 is veroordeeld, dat hij blijkens een hem betreffend overzicht uit de administratie van de Verwijs Index Personen sinds 18 mei 2005 niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, dat op 5 mei 2006 tevergeefs is getracht de mededeling uitspraak te betekenen op het op dat moment bekende feitelijke verblijfadres van de verdachte, dat die mededeling op 5 mei 2006 aan het openbaar ministerie is geretourneerd, dat niet is gebleken dat de mededeling uitspraak aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt, dat evenmin is gebleken dat - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister op 16 augustus 2006 - tenminste eenmaal per jaar is getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen, en dat de mededeling uitspraak pas op 11 december 2009 rechtsgeldig (aan de verdachte in persoon) is betekend.

Vervolgens heeft het hof ter onderbouwing van zijn oordeel het volgende overwogen. De verdachte heeft sinds 18 mei 2005 op geen enkel moment ingeschreven gestaan in de basisadministratie persoonsgegevens. Voorts is ondanks jaarlijkse controle in de gemeentelijke basisadministratie evenmin een woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend geworden. Bovendien heeft het openbaar ministerie binnen zes maanden na de bestreden uitspraak een verzoek gedaan om over te gaan tot opneming van de verdachte in het opsporingsregister. Ten slotte is de verdachte door het enkele verzuim de mededeling uitspraak niet aan de griffier van de rechtbank uit te reiken, niet dusdanig in zijn rechtens te respecteren belang geschaad dat dit tot de door de verdediging beoogde niet-ontvankelijkheid moet leiden.

11. Voorts heeft het hof in reactie op het strafmaatverweer onder het hoofd "strafmotivering" geoordeeld dat ten aanzien van de totale duur van de behandeling van deze zaak (zes jaren en vier maanden, gerekend vanaf het eerste verhoor van de verdachte door de politie op 20 november 2004) kan worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn maar dat ook wat deze overschrijding betreft kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Daartoe heeft het hof vastgesteld dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie op 20 november 2004 moet worden aangemerkt als een handeling waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld, dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg op 21 maart 2006 is afgerond met een eindvonnis, dat namens de verdachte op 18 december 2009 hoger beroep is ingesteld, dat de stukken van het geding op 12 januari 2010 ter griffie van het hof zijn binnengekomen, dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2010 (alwaar de verdachte hoewel behoorlijk gedagvaard niet is verschenen) de zaak op verzoek van de verdediging heeft verwezen naar de rechter-commissaris teneinde (zes) getuigen en een deskundige te horen, en dat de zaak op de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2011 in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman is behandeld waarna het hof op 31 maart 2011 uitspraak heeft gedaan.

12. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd, ontbreken. Voorts staat het de rechter vrij om - na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn - te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.(8) Voorts kan het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(9) Van onbegrijpelijkheid zal niet snel sprake zijn.(10)

13. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, zijn het oordeel van het hof (i) dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden bij de betekening van de verstekmededeling omdat een dergelijke overschrijding niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en het in niet onbelangrijke mate aan de verdachte zelf is te wijten dat hij niet op een eerder moment kennis heeft gekregen van de uitspraak, en diens oordeel (ii) dat ook ten aanzien van de totale duur van de behandeling van de zaak kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, niet onbegrijpelijk. De keuze van het rechtsgevolg van een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn is immers voorbehouden aan de feitenrechter, terwijl deze kan volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Aldus heeft het hof de verweren van de raadsman terecht en toereikend gemotiveerd verworpen. In het licht van het hetgeen de raadsman ter onderbouwing van die verweren heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.

14. In de toelichting op het middel wordt onder de noemer "klacht 1" geklaagd over de overweging van het hof dat het openbaar ministerie binnen zes maanden na de bestreden uitspraak een verzoek heeft gedaan om over te gaan tot opneming van de verdachte in het opsporingsregister. Volgens de steller van het middel blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet dat een dergelijk verzoek is gedaan en blijft in het midden of de verdachte na dit verzoek daadwerkelijk is opgenomen in het opsporingsregister.

15. Deze klacht miskent dat het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden bij de betekening van de verstekmededeling, slechts ten dele steunt op de overweging die in de toelichting op het middel wordt aangevallen.(11) Bovendien is de betreffende overweging van het hof, die van feitelijke aard is, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in zijn hiervoor onder 10 weergegeven overwegingen vastgesteld dat het openbaar ministerie binnen zes maanden na het vonnis van de rechtbank een verzoek heeft gedaan om over te gaan tot opneming van de verdachte in het opsporingsregister, terwijl een dergelijke vaststelling - anders dan de steller van het middel aanvoert - niet hoeft te blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voorts heeft het hof in die overwegingen vastgesteld dat de verdachte op 16 augustus 2006 ook daadwerkelijk in het opsporingsregister is geplaatst. Het hof heeft deze vaststellingen kunnen doen, nu de advocaat-generaal blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2011 overgelegde schriftelijke requisitoir heeft medegedeeld dat op 16 augustus 2006 de signalering van de verdachte heeft plaatsgevonden, hetgeen op die terechtzitting door de verdediging niet is bestreden.

16. Anders dan in de toelichting op het middel onder het kopje "klacht 2" wordt betoogd, stond het het hof voorts vrij om bij de keuze van het rechtsgevolg van de door hem geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn mee te wegen dat het in niet onbelangrijke mate aan de verdachte zelf te wijten is geweest dat hij niet op een eerder moment kennis heeft gekregen van de uitspraak. Anders dan de steller van het middel aanvoert, kan naar mijn mening uit HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.19 niet worden afgeleid dat voor een dergelijke afweging geen ruimte meer zou zijn. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat de verdachte, die op de hoogte is van een tegen hem ingestelde vervolging en desondanks nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten op dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, ten gevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van art. 6, eerste lid, EVRM.(12)

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel behelst de klacht dat diverse overwegingen van het hof innerlijk tegenstrijdig zijn. De overweging van het hof dat het onder 2 primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, is in strijd met hetgeen het hof in de strafmotivering heeft overwogen, aldus de steller van het middel.

19. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering:

"Ten slotte acht het hof het passend en geboden om de verdachte, mede uit oogpunt van de verkeersveiligheid, ter zake van het onder 2 primair de bevoegdheid motorrijtuigen [te besturen; DA] voor aanzienlijke duur te ontzeggen en teneinde het verwerpelijke van zijn handelen, zoals bewezenverklaard, in te scherpen."

20. Blijkens het dictum heeft het hof - voor zover hier van belang - niet bewezenverklaard dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en de verdachte daarvan vrijgesproken, bewezenverklaard dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en de verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de tijd van twee jaren.

21. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag in de strafmotivering de woorden "ter zake van het onder 2 primair" heeft opgenomen. De Hoge Raad kan de strafmotivering met herstel van deze misslag lezen, in dier voege dat deze inhoudt dat het hof het passend en geboden heeft geacht om de verdachte "ter zake van het onder 2 subsidiair" de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor aanzienlijke duur te ontzeggen. Door die verbeterde lezing faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

22. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 4 april 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal hoogst waarschijnlijk uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

23. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Gelet op de aan de verdachte voor de feiten 2 en 4 opgelegde straffen zoals hiervoor onder 1 vermeld, de mate waarin de redelijke termijn is overschreden en het feit dat de Hoge Raad als uitgangspunt hanteert dat geen vermindering wordt toegepast op een bijkomende straf zoals een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.(13)

24. Het eerste middel is weliswaar terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Blijkens de aan de schriftuur gehechte "akte intrekking cassatie" heeft mr. J.P.R. Broers, advocaat te Rotterdam, op 6 oktober 2011 namens de verdachte het cassatieberoep ingetrokken voor zover dat is gericht tegen het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 primair tenlastegelegde. Dat deze akte enkel is ondertekend door de griffier van het hof en niet door de comparant, laat ik hier verder buiten bespreking. Gelet op het feit dat in de schriftuur is aangegeven dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de vrijspraken voor feit 1 en feit 2 primair, kan dit verzuim voor gedekt worden gehouden.

2 Bij de stukken bevinden zich wat betreft het geding in eerste aanleg enkel de inleidende dagvaarding, de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie van 7 maart 2006, het bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 21 maart 2006, de mededeling uitspraak en de akte rechtsmiddel van 18 december 2009.

3 De verwijzing in dit schrijven naar art. 378 Sv miskent dat het hier geen vonnis van de politierechter betreft doch een vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank. In art. 326, eerste lid, Sv is bepaald dat bij een behandeling van de zaak door de meervoudige kamer van de rechtbank van het onderzoek ter terechtzitting door de griffier een proces-verbaal moet worden opgemaakt, behelzende de in acht genomen vormen en al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting is voorgevallen en ingevolge het tweede lid van die bepaling de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen, terwijl art. 327 Sv voorschriften bevat ten aanzien van de wijze waarop het proces-verbaal dient te worden vastgesteld en ondertekend.

4 Daarnaast heeft de raadsman verzocht hem "de pleitnota die door de raadsman ter zitting d.d. 7 maart 2006 mogelijk is overgelegd aan de rechtbank" te doen toekomen. In aanmerking genomen dat het vonnis van de rechtbank vermeldt dat het bij verstek is gewezen, de stukken geen enkel aanknopingspunt bevatten dat op de terechtzitting in eerste aanleg een niet gemachtigde raadsman zou zijn verschenen die (binnen zijn bevoegdheden als niet gemachtigde raadsman) een pleitnota zou hebben overgelegd en het vonnis geen melding maakt van (al dan niet bevoegd) gevoerde verweren, is het hoogst onwaarschijnlijk dat in eerste aanleg een pleitnota is overgelegd. Daarover wordt in het middel dan ook terecht niet geklaagd.

5 Vgl. ten aanzien van het ontbreken van de in hoger beroep overgelegde pleitnotities HR 20 september 2011, LJN BR0466, HR 17 november 2009, LJN BJ8565, HR 13 oktober 2009, LJN BJ3446, HR 16 december 2008, LJN BF0754 en HR 15 februari 2005, LJN AR5742, NJ 2005/384. Vgl. ten aanzien van het ontbreken van meerdere dossierstukken HR 22 december 2009, LJN BG4412 en HR 6 november 2007, LJN BB4965. Vgl. ten aanzien van het verzuim een proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer op te maken HR 19 december 2006, LJN AZ1663, HR 31 augustus 2004, LJN AQ1084, HR 16 juni 1998, NJ 1998/838 m.nt. Schalken en HR 22 april 1986, NJ 1986/783 m.nt. Van Veen.

6 Op de eerste terechtzitting in hoger beroep op 22 juli 2010 is de verdachte zelf niet verschenen maar is wel een gemachtigde raadsvrouw verschenen, terwijl bij de inhoudelijke behandeling op 17 maart 2011 zowel de verdachte als diens raadsman zijn verschenen.

7 Vgl. ten aanzien van het verzuim om een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep te ondertekenen HR 27 september 2011, LJN BP0761, NJ 2011/453, rov. 2.

8 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.21-3.23.

9 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.7 onder b.

10 Vgl. HR 8 maart 2011, nr. 10/00867 (niet gepubliceerd, art. 81 RO), HR 1 juni 2010, nr. 08/04419 E (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en HR 16 maart 2004, nr. 00347/03 (niet gepubliceerd, art. 81 RO).

11 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 192, HR 13 juli 2010, LJN BN1014, NJ 2010/464, rov. 4.3, HR 19 mei 2009, LJN BH7284, NJ 2009/443, rov. 4.2 en HR 8 mei 1984, DD 84.416.

12 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM3638, NJ 2010/458, rov. 3.3.2 en HR 30 januari 2001, LJN ZD2099, NJ 2001/243, rov. 4.2.2.

13 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C. Vgl. voor het niet korten op bijkomende straffen HR 29 maart 2011, nr. 09/02040 (niet gepubliceerd) en HR 16 november 2010, LJN BN7086, NJ 2010/640.