Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5721

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12/03027
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Onrechtmatige daad. Beroepsaansprakelijkheid notaris. Zwaarwegende zorgplicht. Onzorgvuldig onderzoek naar rechtstoestand registergoed in openbare registers. Art. 3:16 BWNA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2013/321
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/03027

mr. J. Spier

Zitting 22 maart 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiser]

(hierna: [eiser], of de notaris)

tegen

N.V. de Spaar en Beleenbank van Curaçao

(hierna SBC)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan.(1)

1.2 Bij notariële akte van scheiding en deling van 26 januari 1996 heeft [betrokkene 1] het halve aandeel gekregen in twee percelen grond, omschreven in de meetbrieven 291/1971 en 733/1971.

1.3 Bij notariële akte van 28 mei 1996 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een recht van eerste hypotheek verleend aan Maduro & Curiel's Bank (hierna MCB) tot een bedrag van Naf. 140.000, strekkende tot zekerheid voor de betaling van hetgeen Smart Elect & Data Services N.V. aan MCB verschuldigd is of mocht blijken te zijn. Het recht van eerste hypotheek is verleend op de percelen grond, omschreven in de meetbrieven 291/1971 en 733/1971.

1.4 [Betrokkene 1] heeft het perceel, omschreven in meetbrief 291/1971, bij notariële akte van 3 augustus 2001 in eigendom overgedragen aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

1.5 Op 8 januari 2002 is de hypotheek ten behoeve van MCB op het perceel dat is omschreven in meetbrief 291/1971 doorgehaald.

1.6 [Betrokkene 1] heeft het perceel omschreven in meetbrief 733/1971, bij notariële akte van 14 februari 2003 in eigendom overgedragen aan [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. De aankoop door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] is tot een bedrag van Naf. 295.000 door SBC gefinancierd. SBC heeft tot zekerheid van verhaal een recht van eerste hypotheek bedongen op het overgedragen perceel.

1.7 Bij notariële akte van 14 april 2003 is ten behoeve van SBC op het perceel, dat in meetbrief 733/1971 is omschreven, een recht van (eerste) hypotheek gevestigd tot zekerheid voor de aflossing van de geldlening door [betrokkene 5] en [betrokkene 6].

1.8 De notariële akten van 14 februari 2003 en 14 april 2003 zijn ten overstaan van [eiser] verleden. Bij de afwikkeling van de overdracht is de nog op het perceel, omschreven in meetbrief 733/1971, rustende hypotheek ten behoeve van MCB genegeerd. De vordering van MCB is daarom niet uit de opbrengst van de verkoop voldaan, zodat die hypotheek thans nog steeds op het perceel rust. SBC heeft daardoor de facto geen recht van eerste hypotheek gekregen maar een recht van tweede hypotheek.

1.9 Op 15 januari 2003 heeft een medewerker van de notaris, [betrokkene 7], voor de vestiging van de hypotheek van SBC op het perceel, omschreven in meetbrief 733/1971, (hierna: het perceel) de eerste inzage gedaan bij het Kadaster. Daartoe heeft [betrokkene 7] een inzageformulier ingevuld. Hij heeft "daarvoor" het E-register geraadpleegd. Hij heeft op het inzageformulier niet ingevuld dat er reeds een hypotheek van MCB rustte op het perceel. In het E-register was in de rubriek 'Aanmerkingen' aangetekend dat deze hypotheek was doorgehaald.

1.10 Vervolgens heeft het Kadaster op 14 april 2003 de her-inzage en op 15 april 2003 de na-inzage gedaan. Daarbij heeft het Kadaster de notaris aan de hand van het door [betrokkene 7] ingevulde inzageformulier op basis van het A-register geïnformeerd dat tussen het moment van inzage door de notaris en de her- en na-inzage door het Kadaster, zich geen wijzigingen in de rechtstoestand van het perceel hebben voorgedaan.

1.11 Het Hof gaat er bovendien - in cassatie niet bestreden - op basis van het deskundigenrapport d.d. 20 november 2007 van W. de Jong van uit dat ten tijde van de inzagen de aantekening 'doorgehaald' stond vermeld in de rubriek 'Aanmerkingen' in het E-register en niet in de rubriek 'Aantekeningen en Doorhaling' en dat deze aantekening is weggeradeerd door het Kadaster in november 2003. De hypotheek van MCB stond ten tijde van de inzagen wel vermeld in het B-register.

2. Procesverloop

2.1.1 Bij inleidend verzoekschrift van 18 augustus 2005 heeft SBC de notaris (alsmede het Eilandgebied Curaçao en de Stichting Kadaster en Openbare Registers) in rechte betrokken en gevorderd voor recht te verklaren dat de notaris jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en hem tezamen met het Eilandgebied en het Kadaster hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door SBC geleden schade. SBC heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van fouten van de notaris schade heeft geleden omdat zij een tweede in plaats van een eerste hypotheek heeft gekregen op het perceel (rov. 2 van het vonnis in prima van 26 februari 2007).

2.1.2 SBC heeft haar vordering in appel vermeerderd; zie rov. 4.2 van 's Hofs vonnis van 1 februari 2011. In zijn vonnis van 20 maart 2012 wijst het Hof het meer gevorderde af (rov. 2.12). In cassatie speelt dat geen rol meer.

2.2 [Eiser] heeft ten verwere de zwartepiet doorgeschoven naar het Kadaster dat volgens hem - kort gezegd - niet deugde, terwijl het bij de her- en na-inzage heeft verzuimd na te gaan of de notarisbediende [betrokkene 7] zijn werk goed had gedaan, wat volgens [eiser] wel tot de taken van het Kadaster behoorde.

2.3 Het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen (hierna GEA) heeft - na het wijzen van een aantal tussenvonnissen waarin kwesties zijn besproken die thans niet meer van belang zijn - in zijn vonnis van 20 oktober 2008 geoordeeld dat:

"een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris bij een eerste inzage die hij zelf uitvoert (en die hij dus niet aan het Kadaster uitbesteedt) niet kan volstaan met raadpleging van het E-register, dat immers slechts een verwijzingsregister is. In geval van voor de transactie wezenlijke mutaties zoals de doorhaling van een hypotheek, zal hij steeds de onderliggende stukken moeten raadplegen."

Zou de notarisklerk het B-register hebben geraadpleegd, dan zou hij hebben vastgesteld dat de hypotheek niet was doorgehaald (rov. 2.6).

2.4 In het eindvonnis van 25 mei 2009 verklaart het GEA voor recht dat de notaris, alsmede het Kadaster en het Eilandgebied, onrechtmatig jegens SBC hebben gehandeld; zij worden veroordeeld tot hoofdelijke betaling van de schade van SBC, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.5 De notaris is van het vonnis van het GEA van 25 mei 2009 in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ook het Eilandgebied en het Kadaster zijn in hoger beroep gekomen van dit vonnis van het GEA waarna het Hof, op verzoek van SBC, de zaken bij tussenvonnis van 6 april 2010 wegens verknochtheid heeft gevoegd.

2.6 In zijn vonnis van 1 februari 2011 schetst het Hof het geschil dat partijen verdeeld houdt (rov. 4.3 en 4.6). Het Hof acht een deskundigenbericht nodig om te kunnen beoordelen of de notaris onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 4.7).

2.7 In zijn vonnis van 7 juni 2011 benoemt het Hof een deskundige ter beantwoording van een aantal nader omschreven vragen.

2.8 In zijn vonnis van 20 maart 2012 bevestigt het Hof het bestreden vonnis. Daartoe wordt, voor zover in cassatie nog van belang, overwogen:

"2.2 Het Hof zal eerst het standpunt van SBC bespreken dat de notaris wegens onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade van SBC doordat SBC de facto geen recht van eerste hypotheek heeft gekregen op het perceel omschreven in meetbrief 733/1971 (hierna: het perceel), maar een recht van tweede hypotheek.

2.3 Aan dit standpunt van SBC ligt onder meer de stelling ten grondslag dat de notaris er bij de eerste inzage niet mee had mogen volstaan het E-register te raadplegen, maar ook de onderliggende registers had dienen te raadplegen, waaronder het B-register.

2.4 De deskundige heeft op de vraag of de notaris er bij de eerste inzage mee had mogen volstaan het E-register te raadplegen of ook de onderliggende registers had dienen te raadplegen, waaronder het B-register, geantwoord dat bij de eerste inzage de notaris zowel het E-register als het C-register (in verband met eventuele persoonlijke verplichtingen e.d.) had moeten raadplegen en dat door de aantekening in het E-register dat de hypotheek op het registergoed was doorgehaald er geen aanleiding bestond voor de notaris om ook het B-register te raadplegen.

2.5 Het Hof volgt de deskundige niet in deze conclusie. In het kader van de rechercheplicht bij de levering van registergoederen dient een notaris onderzoek te doen naar de rechtstoestand van het registergoed in de openbare registers bedoeld in artikel 3:16 BW. Op grond van het hier toepasselijke Koninklijk Besluit Bepalingen tot regeling van het ambt der hypotheekbewaarders en van hunne boekhouding in de kolonie Curaçao (P.B. 1868, no. 17) zijn dit de in artikel 13 daarvan vermelde registers A tot en met F. Gelet op de hoge mate van zorgvuldigheid die van een notaris mag worden verwacht (zie HR 9 maart 1990, NJ 1990, 428; Knobo/Schellenbach), had de notaris naar het oordeel van het Hof bij de eerste inzage (al) deze registers dienen te raadplegen. Hij had er dus niet mee mogen volstaan het E-register, het repertorium, te raadplegen.

2.6 Bovendien moest de notaris er rekening mee houden dat het E-register gebrekkig was. Uit de stukken komt naar voren dat onder notarissen in de hier relevante periode algemeen bekend was dat er een achterstand in het door het Kadaster gehouden E-register bestond. Dit was reden te meer voor de notaris om ook onderzoek te doen in het B-register, het register van inschrijvingen.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat de notaris, door er bij de eerste inzage mee te volstaan het E-register te raadplegen, onrechtmatig jegens SBC heeft gehandeld.

2.8 Daarbij acht het Hof het vereiste causaal verband tussen de handelwijze van de notaris en de schade aanwezig. De hypotheek van MCB stond ten tijde van de eerste inzage wel vermeld in het B-register. Uit nader onderzoek had de notaris kunnen en moeten blijken dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, reeds een hypotheek van MCB rustte op het perceel.

2.9 De slotsom is derhalve dat de notaris aansprakelijk is voor de schade van SBC doordat SBC de facto geen recht van eerste hypotheek heeft gekregen op het perceel, maar het recht van tweede hypotheek."

2.9 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het onder 2.8 genoemde vonnis. SBC heeft verweer gevoerd, waarna partijen hun stellingen schriftelijk hebben toegelicht. SBC heeft nog gedupliceerd.

3. Inleiding

3.1 's Hofs oordeel berust op twee zelfstandig dragende gronden. Deze worden beide door [eiser] bestreden.

3.2 De vraag wat van een notaris kan worden gevergd, kan niet geheel los worden bezien van hetgeen gebruikelijk is, al is dat laatste niet beslissend.(2) Het Hof, dat aanvankelijk aangaf het oordeel van een deskundige nodig te hebben, is in zijn eindvonnis nadrukkelijk van het deskundigenoordeel afgeweken. Op het eerste gezicht lijkt dat de conclusie te wettigen dat zulk een oordeel toch niet zo nodig was. Ik vermoed evenwel dat het Hof niet overtuigd was door hetgeen de deskundige aan het papier had toevertrouwd. Daarom zag het Hof zich genoodzaakt om op eigen gezag en zonder - in zijn ogen - nuttige voorlichting een oordeel te vellen.

3.3 Hoe dit zij: het afwijkende deskundigenoordeel (van een oud notaris)(3) lijkt erop te wijzen dat het Hof zich losmaakt van de bestaande gebruiken. Lezing van het deskundigenbericht illustreert dat m.i. ook. De deskundige maakt gewag van afspraken tussen het Kadaster en "de notarissen". In de beleving van de notarissen zou het Kadaster - naar ik begrijp in het kader van de her- en nacontrole - het E-register en voor zover dat nog niet was bijgewerkt ook het A-register raadplegen. Voor de onderhavige zaak is dit slechts van zijdelings belang, maar het illustreert wel dat voorzichtigheid geboden is bij al te stellige oordelen over hetgeen notarissen in situaties al dan niet moeten doen, omdat dergelijke oordelen grote commotie zouden kunnen veroorzaken in een ander deel van het Koninkrijk. Die voorzichtigheid is m.i. daarom geboden omdat we hier te lande niet geheel op de hoogte zijn en ook moeilijk kunnen zijn van plaatselijke gebruiken, gewoontes en eventuele afspraken tussen Kadaster en het notariaat.

4. Beoordeling van de klachten tegen 's Hofs tweede grond (rov. 2.6)

4.1 Volgens het Hof had [eiser] hoe dan ook niet kunnen volstaan met het (doen) raadplegen van het E-register omdat hij rekening moest houden met de gebrekkigheid daarvan. Dat oordeel wordt met een reeks klachten bestreden.

4.2 Eén van die klachten is dat het Hof - kort gezegd - de feiten heeft aangevuld (onderdeel 5.2 tweede alinea). Die klacht faalt. Het Hof heeft klaarblijkelijk en allerminst onbegrijpelijk uit het onder 3.2 genoemde deskundigenbericht afgeleid dat de registers niet (steeds) up-to-date waren. Dat oordeel als zodanig wordt - terecht - niet bestreden.

4.3.1 Bij deze stand van zaken valt alleszins te begrijpen dat een notaris zich niet kan beperken tot een onderzoek in een mogelijk niet juist of volledig register. Anders dan onderdeel 5.3 met veel omhaal van woorden betoogt, doet daarbij niet ter zake of in dat register een hypotheek al dan niet is doorgehaald. Immers moest - uitgaande van 's Hofs als zodanig niet bestreden oordeel dat onder notarissen algemeen bekend was dat er een achterstand bestond bij het bijwerken van het E-register - nu juist rekening worden gehouden met de omstandigheid dat het geraadpleegde register niet juist of niet volledig was. Die achterstand was zelfs schrikbarend groot: circa drie maanden, zoals blijkt uit een memo van de voorzitter van Antilliaanse Arubaanse notariële vereniging van 6 september 1999, gericht aan de notariskantoren.(4) Zelfs wanneer [eiser] van dit memo geen kennis zou hebben genomen (wat niet aannemelijk is), moet hij worden geacht ervan op de hoogte te zijn geweest.

4.3.2 Gelet op dit een en ander dringt zich op dat de notaris zich niet kon beperken tot kennisneming van het E-register.

4.4 Het overeind houden van 's Hofs hier besproken oordeel is aantrekkelijk omdat Uw Raad dan niet wordt genoopt tot het vellen van een inhoudelijk oordeel. De vraag is evenwel gewettigd of dat mogelijk is. Eén van de pijlen die onderdeel 5.3 afschiet, is dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat het Kadaster bij de her- en na-inzage niet alleen het E-register zou raadplegen, maar ook het op het inzageformulier vermelde resultaat van de eerste inzage op juistheid zou controleren, "zo nodig aan de hand van de andere registers (waaronder het E-register en het B-register.)"

4.5.1 Ik zou menen dat de onder 4.4 weergegeven stelling ongegrond is. [Eiser] heeft zelf uitgedragen dat uit de doorhaling van de hypotheek in het E-register kon worden afgeleid dat er geen hypotheek meer op de zaak rustte. Uitgaande van deze - zijn eigen - stelling valt niet goed in te zien waarop het door hem gestelde vertrouwen dat het Kadaster meer zou doen dan hij zelf nodig vond berustte.

4.5.2 Dat klemt eens te meer nu [eiser] er rekening mee moest houden dat het register gebrekkig was (wat voor een kadaster zorgelijk is). In een dergelijke situatie kon redelijkerwijs niet worden aangenomen dat het Kadaster alle andere verplichtingen stipt zou naleven, veronderstellenderwijs al aannemend dat op het Kadaster ten deze enige verplichting rustte.

4.6 Hoewel een en ander zich m.i. opdringt, geef ik er toch de voorkeur aan om 's Hofs in rov. 2.5 neergeslagen oordeel - de andere poot waarop 's Hofs beslissing berust - te beoordelen.

5. Beoordeling van de klachten tegen 's Hofs eerste grond rov. 2.5

5.1 Onderdeel 4 (de onderdelen 1 - 3 behelzen geen klachten) komt op tegen rov. 2.5.

5.2.1 Naar de kern genomen strekt onderdeel 4.2 (onderdeel 4.1 behelst slechts een inleidende klacht) ertoe dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat:

a. het E-register in orde was, zodat

b. hij kon volstaan met raadpleging daarvan omdat dit gebruikelijk was op Curaçao, zulks eens te meer omdat

c. hij mocht aannemen dat "het Kadaster bij de herinzage en de na-inzage (indien het Kadaster het inzageformulier stempelt, parafeert en daarop "o.k." vermeldt) niet alleen het A-register (dagregister) raadpleegt, maar ook het op het inzageformulier door de notaris ten aanzien van de rechtstoestand van de onroerende zaak vermelde resultaat van de eerste inzage op haar juistheid en volledigheid controleert (verifieert), zo nodig aan de hand van andere registers (waaronder het E-register en het B-register)."

5.2.2 In elk geval zou het Hof niet voldoende omstandigheden hebben vastgesteld waaruit volgt dat [eiser] meer had moeten doen dan hij heeft gedaan, aldus onderdeel 4.3.

5.2.3 Ten slotte had het Hof zijn, van de bevindingen van de deskundige afwijkende, oordeel nader moeten motiveren, aldus eveneens onderdeel 4.3.

5.3.1 De in deze zaak toepasselijke wettelijke regeling confronteert ons met een periode waarop we niet erg trots kunnen zijn: ons koloniale verleden. Het gaat in casu namelijk nog een KB 15 augustus 1868, Publicatieblad Anno 1868 no. 17 inzake (onder meer) de "boekhouding [van de hypotheekbewaarders] in de kolonie Curaçao". Op grond van art. 13 zijn er zes registers (A t/m F). A is het dagregister; B dat der inschrijvingen; E het repertorium en F de alfabetische naamwijzer op het repertorium. In het B-register worden hypotheken ingeschreven (art. 24). Art. 29 voorziet in doorhalingen. Ingevolge art. 41 worden in het repertorium "extractsgewyze (...) onder den naam van iederen bezwaarde of nieuwe bezitter, (...) gebragt de inschrijvingen te zijnen laste gedaan, de overschrijvingen en alle andere akten, die hem betreffen."

5.3.2 De artikelen 15 - 17 geven een vrij uitvoerige regeling inzake misslagen waarvan kennelijk ook toen al sprake was.

5.4.1 De notaris heeft een rechercheplicht, dat wil zeggen een onderzoeksplicht op het gebied van de rechtstoestand van onroerende zaken.(5) Uitgangspunt moet zijn dat de notaris een hoge mate van zorgvuldigheid in acht moet nemen. Dit criterium is afkomstig uit het arrest Knobo/Schellenbach.(6) Dit criterium heeft het Hof ook - in rov. 2.5 - aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Het wordt in cassatie terecht niet bestreden; zie ook s.t. van mr. Van Wijk onder 5.2.6.

5.4.2 Voor zover nodig valt nog te bedenken dat art. 17 lid 1 Wet op het Notarisambt de notaris noopt tot het zich kwijten van zijn taak "met de grootst mogelijke zorgvuldigheid". In het licht van het concordantiebeginsel komt aan deze bepaling, voor zover nodig, allicht enige betekenis toe.

5.5 Het Hof heeft het onder 5.4.1 genoemde criterium aldus ingevuld dat

1) de rechercheplicht meebrengt dat de notaris onderzoek dient te doen naar de rechtstoestand van het registergoed in de openbare registers bedoeld in art. 3:16 BW, wat in dit geval betekent: de hiervoor vermelde registers A tot en met F en

2) het criterium van hoge mate van zorgvuldigheid ertoe leidt dat de notaris bij de eerste inzage alle registers diende te raadplegen.

5.6 Mijn geëerde oud-ambtgenoot Strikwerda heeft in zijn conclusie voor HR 22 maart 1996(7) betoogd dat het uitgangspunt dat de notaris zich met een hoge mate van zorgvuldigheid van zijn onderzoeksplicht dient te kwijten, meebrengt "dat bij de beoordeling van de vraag of de notaris aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan in het algemeen van belang is of de notaris zonder veel moeite de vereiste, maar niet ingewonnen informatie had kunnen verkrijgen. De zorgplicht van de notaris vindt immers pas daar haar grens waar het risico van onjuiste mededeling zich ook bij een hoge mate van zorgvuldigheid niet liet vermijden (vgl. HR 9 maart 1990, NJ 1990, 428)."(8) In die - door mij graag onderschreven - benadering is allerminst onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat [eiser] alle registers had moeten (doen) raadplegen.

5.7 Ik keer thans terug naar de klachten. Tegen de achtergrond van het voorafgaande zijn ze m.i. tot mislukken gedoemd.

5.8.1 De eerste reden waarom de klachten falen, is hierin gelegen dat het antwoord op de vraag wat van een notaris in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht mede afhankelijk is van de plaatselijke omstandigheden, wat weer meebrengt dat in de beoordeling een belangrijke feitelijke component schuilt. Deze is in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar.

5.8.2 Het is zonneklaar waarom het Hof meent dat [eiser] meer had moeten doen dan hij heeft gedaan: hij had er rekening mee moeten houden dat het E-register "gebrekkig" was (een harde, maar in het licht van de door het Hof gememoreerde omstandigheden, niet onterechte kwalificatie) was, kennelijk (vooral) omdat er - naar het notariaat wist - een (ruime) achterstand bestond (in het bijwerken); zie rov. 2.6. Zo'n achterstand kan ertoe leiden dat één of meer van de registers niet zijn bijgewerkt. Of dat het geval is, kan slechts blijken bij raadpleging van alle relevante registers. Niet alleen het middel, maar ook de door het Hof benoemde deskundige heeft aan deze relevante omstandigheid voorbijgezien. Daarmee zijn de onder 5.2.1 sub a en b weergegeven stellingen van [eiser] weerlegd.

5.9.1 Stelling 5.2.1 onder c is geen beter lot beschoren. [Eiser] zelf hecht, blijkens onderdeel 4.3, veel betekenis aan de inzichten van de deskundige. Welnu, deze veroordelen zijn opvatting. De deskundige vermeldt immers dat "in de beleving van de notarissen" van het Kadaster (hooguit) kon worden verwacht dat bij her- en nacontrole het E- en het A-register werd geraadpleegd en niet, zoals [eiser] heeft bepleit, ook het B-register.(9)

5.9.2 Bovendien lijkt mij duidelijk dat men redelijkerwijs geen al te hoge verwachtingen kan koesteren van een kadaster met een achterstand van zo'n drie maanden. Nog minder - maar dat heeft het Hof niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd en dat kon [eiser] ook niet weten - van een kadaster dat gegevens wederrechtelijk verwijdert of verandert.(10)

5.10 Gelet op dit alles is ook duidelijk waarom het Hof de door hem benoemde deskundige niet heeft gevolgd. Ik memoreer daarbij nog dat de deskundige aan relevante - door hem zelf in ander verband wél genoemde - omstandigheden voorbijgaat; zie onder 5.8.2. Gelet op de beperkte motiveringsplicht die ten deze op het Hof rustte,(11) kan 's Hofs betrekkelijk sober gemotiveerde oordeel de toets der kritiek doorstaan, zeker nu genoegzaam duidelijk is waarom het Hof van het deskundigenoordeel is afgeweken.

5.11 In zijn fraaie s.t. onder 5.3 besteedt mr. Van Wijk nog ampel aandacht aan Nederlandse tuchtuitspraken. De vraag of deze onder de paraplu van het concordantiebeginsel ook betekenis hebben voor Curaçao, behoeft thans geen beantwoording. De omstandigheden die uit deze uitspraken blijken, wijken immers wezenlijk af van de tot weinig vreugde stemmende toestand van de aan de zorgen van het Kadaster toevertrouwde registers.(12) Reeds daarom leggen deze uitspraken geen of in elk geval onvoldoende gewicht in de schaal.

5.12 Onderdeel 6 vertolkt slechts een "voortbouwklacht". Deze is geen beter lot beschoren dan haar voorgangers.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie het vonnis van Het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen van 26 februari 2007 waarin de feiten onder 1a-l zijn vastgesteld. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna het Hof) is blijkens zijn vonnis van 1 februari 2011 onder 4.1 eveneens van deze feiten uitgegaan. In rov. 4.4 geeft het Hof een eigen samenvatting.

2 Zie HR 22 maart 1996, LJN AD2514, NJ 1996/668 WMK rov. 3.3; HR 30 januari 1981, LJN AG4140, NJ 1982/56 WMK.

3 Zie rov. 4.9 van 's Hofs vonnis van 1 februari 2011.

4 Bijlage bij het deskundigenrapport; kennelijk over het hoofd gezien door mr. Van Wijk en niet vermeld in de s.t. van mr. Van Staden ten Brink.

5 D.T Boks, Notariële aansprakelijkheid (2002), par. 2.3.3.3.

6 HR 9 maart 1990, LJN AC0790, NJ 1990, 428. Zie voorts HR 28 september 1990, LJN AC0095, NJ 1991/473 EAAL rov. 3.3 en HR 20 december 2002, LJN AF0198, NJ 2003/325 WMK rov. 3.7.

7 LJN AD2514, NJ 1996, 668.

8 Onder 34.

9 Zie het deskundigenrapport 4 onderaan en 5 boven.

10 Zie rov. 2.4 van het vonnis in prima van 20 oktober 2008.

11 HR 8 juli 2011, LJN BQ3519, RvdW 2011/916 rov. 3.4.3.

12 Evenmin behoef ik in te gaan op de onder 5.4 en 5.5 besproken uitspraak.