Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5668

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-03-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
11/00860
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Internationaal faillissementsrecht. Vervolg op HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5630, NJ 2012/424 (Yukos). Rechtsgevolgen buitenlands faillissement. Omvang handelingsbevoegdheid buitenlandse curator ten aanzien van tot de boedel behorende vermogensbestanddelen gelegen in Nederland, werking territorialiteitsbeginsel (HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3573, NJ 2009/456). Proceskostenveroordeling, kosten in de zin van art. 237 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/912
NJ 2012/424
NJB 2012/1608
TVI 2014/6 met annotatie van Mr. J.R. Berkenbosch
JWB 2013/344
JOR 2014/50 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
JBPR 2014/16 met annotatie van mr. dr. T.M. Bos
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 11/00860

Mr. P. Vlas

Zitting, 22 maart 2013 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1) de rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie OOO Promneftstroy,

gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

2) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yukos Finance B.V. (vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]),

gevestigd te Amsterdam

(hierna gezamenlijk: Promneftstroy c.s.)

tegen

1) [verweerder 1],

wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,

2) [verweerder 2],

wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,

3) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yukos Finance B.V. (vertegenwoordigd door [verweerder 1] en [verweerder 2]),

gevestigd te Amsterdam

(hierna gezamenlijk: [verweerders])

In deze (bodem)zaak komt in het kader van de afwikkeling van het Russische faillissement van Yukos Oil de vraag aan de orde naar de beperkingen van de bevoegdheden van de buitenlandse curator ten aanzien van de hier te lande gelegen vermogensbestanddelen van (het voormalige) Yukos Oil, welke beperkingen voortvloeien uit de territoriale werking van het buitenlandse faillissement.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 In cassatie zijn de relevante feiten als volgt. De vennootschap naar het recht van de Russische Federatie OAO Yukos Oil Company (hierna: Yukos Oil), is bij uitspraak van het Moskow City Arbitrazh Court van 1 augustus 2006 in staat van faillissement verklaard. Daarbij werd [betrokkene 3] tot curator benoemd.

1.2 Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft het genoemde Arbitrazh Court de insolventieprocedure beëindigd. [betrokkene 3] heeft de beëindiging van het faillissement op 21 november 2007 doen inschrijven in een daartoe bestemd register. Met die inschrijving is Yukos Oil naar Russisch recht opgehouden te bestaan.

1.3 Yukos Oil hield tijdens haar bestaan alle aandelen in Yukos Finance B.V. (hierna: Yukos Finance), een vennootschap naar Nederlands recht.

1.4 [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn medio november 2005 gaan fungeren als bestuurders van Yukos Finance. Bij aandeelhoudersbesluit van 11 augustus 2006 heeft mr. Gispen, handelend in opdracht van [betrokkene 3] en daarmee als vertegenwoordiger van de enige aandeelhouder van Yukos Oil, [verweerder 1] en [verweerder 2] met onmiddellijke ingang als bestuurders van Yukos Finance ontslagen. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat dit besluit nietig is.

1.5 [betrokkene 3] heeft namens Yukos Oil bij aandeelhoudersbesluiten van 14 en 30 augustus 2006 [betrokkene 4] en [betrokkene 5] benoemd tot bestuurders van Yukos Finance. Vervolgens heeft [betrokkene 3] namens Yukos Oil bij aandeelhoudersbesluit van 10 september 2007 [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tot bestuurders van Yukos Finance benoemd en bij aandeelhoudersbesluit van dezelfde datum aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] kwijting verleend van hetgeen zij als gewezen bestuurders van de vennootschap hebben gedaan.

1.6 [betrokkene 3] heeft de aandelen Yukos Finance op een door hem uitgeschreven openbare veiling te Moskou verkocht aan Promneftstroy en geleverd bij akte van 10 september 2007, verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

1.7 In de onderhavige procedure vorderen [verweerders], kort gezegd, i) een verklaring voor recht dat alle door [betrokkene 3] of in diens naam met betrekking tot Yukos Finance genomen aandeelhoudersbesluiten alsmede de besluiten die [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben genomen als door [betrokkene 3] benoemde bestuurders van Yukos Finance nietig zijn dan wel vernietigd zullen worden, ii) een bevel aan [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] om mee te werken aan het ongedaan maken van de gevolgen van de door hen genomen aandeelhoudersbesluiten en bestuursbesluiten, en iii) een verbod aan [betrokkene 3] om nog enig recht met betrekking tot de aandelen Yukos Finance uit te oefenen en aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] om enig recht uit te oefenen uit hoofde van hun vermeende bevoegdheid tot vertegenwoordiging van Yukos Finance, een en ander op straffe van een dwangsom.(2)

1.8 Bij vonnis van 31 oktober 2007(3) heeft de rechtbank Amsterdam het merendeel van de vorderingen van [verweerders] toegewezen. Samengevat heeft de rechtbank overwogen dat het Russische vonnis waarbij [betrokkene 3] tot curator in het faillissement van Yukos Oil is benoemd, tot stand is gekomen op een wijze die niet in overeenstemming is met de Nederlandse beginselen van een behoorlijke procesorde en aldus strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Het faillissementsvonnis kan om die reden niet worden erkend en de daaruit naar Russisch recht voortvloeiende bevoegdheden van de curator kunnen door [betrokkene 3] in Nederland niet worden uitgeoefend. Dit brengt mee dat [betrokkene 3] niet bevoegd was Yukos Oil in Nederland te vertegenwoordigen ter zake van de uitoefening van het stemrecht op de door haar gehouden aandelen Yukos Finance. De door [betrokkene 3] namens Yukos Oil genomen aandeelhoudersbesluiten, waaronder het besluit tot ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] en de besluiten tot benoeming van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] als bestuurders van Yukos Finance, zijn dan ook niet genomen door het daartoe door de wet aangewezen orgaan van de vennootschap en derhalve nietig. Dit brengt voorts mee dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] nooit tot bestuurders van Yukos Finance zijn benoemd, zodat ook alle door hen in die hoedanigheid genomen besluiten nietig zijn, aldus de rechtbank (rov. 3.21).

1.9 [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben ieder afzonderlijk tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. [verweerders] hebben in het door [betrokkene 3] ingestelde hoger beroep ontslag van instantie gevorderd. Promneftstroy c.s. hebben gezamenlijk in de beide door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ingestelde appelprocedures een incidentele memorie tot tussenkomst/voeging genomen.

1.10 Bij tussenarrest van 24 februari 2009 heeft het hof Amsterdam het door [verweerders] gevorderde ontslag van instantie afgewezen, de beide appelprocedures gevoegd en Promneftstroy c.s. toegestaan daarin tussen te komen.

1.11 Promneftstroy c.s. hebben als tussenkomende partij vernietiging van het vonnis van de rechtbank en afwijzing van de vorderingen van [verweerders] gevorderd, alsmede verklaringen voor recht dat het ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] en de daaropvolgende benoeming van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als bestuurders van Yukos Finance rechtsgeldig zijn, en voorts dat de overdracht van de aandelen Yukos Finance aan Promneftstroy geldig is. [verweerders] hebben vervolgens hun eis vermeerderd en in incidenteel appel gevorderd dat [betrokkene 3] alsnog ontslag van instantie wordt verleend althans dat hij niet-ontvankelijk wordt verklaard dan wel dat zijn vorderingen wegens gebrek aan belang worden afgewezen, en voorts een verklaring voor recht dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden, een bevel aan Promneftstroy om medewerking te verlenen aan het ongedaan maken van (de gevolgen van) de door haar in Yukos Finance genomen aandeelhoudersbesluiten en een verbod om enig recht uit te oefenen met betrekking tot die aandelen.

1.12 Bij arrest van 19 oktober 2010(4) heeft het hof Amsterdam in het principale en het incidentele beroep de vorderingen van Promneftstroy c.s. als tussenkomende partijen afgewezen, voor recht verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden, de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte nadat door het EHRM uitspraak is gedaan in de belastingprocedure tussen Yukos Oil en de Russische Federatie (rov. 3.6.11), en voor het overige iedere verdere beslissing aangehouden.

1.13 Tegen het arrest van 19 oktober 2010 hebben [betrokkene 3], [betrokkene 4], Promneftstroy en Yukos Finance (vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) (hierna: [betrokkene 3] c.s.) cassatieberoep ingesteld. In het principale cassatieberoep hebben [verweerder 2] en Yukos Finance (vertegenwoordigd door [verweerder 1] en [verweerder 2]) (hierna: [verweerder 2] c.s.) jegens [betrokkene 3] geconcludeerd tot ontslag van instantie en jegens [betrokkene 3] c.s. tot niet-ontvankelijkheid van het door hen ingestelde cassatieberoep. Zij hebben daarnaast incidenteel cassatieberoep ingesteld. [verweerder 1] heeft in het door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ingestelde cassatieberoep primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep. In het door Promneftstroy ingestelde cassatieberoep heeft [verweerder 1] geconcludeerd tot verwerping. Daarnaast heeft hij incidenteel cassatieberoep ingesteld. [betrokkene 3] c.s. hebben in de incidenteel ingestelde cassatieberoepen geconcludeerd tot verwerping.(5)

1.14 Bij tussenarrest van 29 juni 2012(6) heeft de Hoge Raad [betrokkene 3] in het principale cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat [betrokkene 3] door het verlies van de hoedanigheid van curator in het faillissement van Yukos Oil hangende het hoger beroep, de bevoegdheid heeft verloren in die hoedanigheid cassatieberoep in te stellen (rov. 4.1.1 t/m 4.1.5). [betrokkene 4] is eveneens niet-ontvankelijk verklaard in het principale cassatieberoep, omdat het bestreden arrest in de procedure tussen [verweerders] en [betrokkene 4] heeft te gelden als een tussenarrest waartegen geen tussentijds cassatieberoep is opengesteld (rov. 4.2.1 t/m 4.2.3). In de incidentele cassatieberoepen is het bestreden arrest vernietigd voor zover [betrokkene 3] daarbij in zijn hoger beroep ontvankelijk is geoordeeld; [betrokkene 3] is alsnog niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Iedere verdere beslissing is aangehouden, zowel in het principale cassatieberoep als in de incidentele cassatieberoepen. Met dit tussenarrest is onderdeel I van het principale cassatieberoep afgedaan, evenals de onderdelen 1 van de incidentele cassatieberoepen.

1.15 Na het tussenarrest van 29 juni 2012 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun standpunten schriftelijk toe te lichten voor zover het de middelonderdelen betreft die thans behandeld kunnen worden, te weten de onderdelen die zich keren tegen de in het bestreden arrest vervatte overwegingen die hebben geleid tot de eindbeslissing van het hof. Het arrest bevat een eindbeslissing voor zover het hof daarin in principaal en in incidenteel appel:

i) heeft afgewezen de door Promneftstroy c.s. als tussenkomende partijen gevorderde verklaring voor recht betreffende de rechtsgeldigheid van de overdracht van de aandelen in Yukos Finance alsmede van het ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] en de benoeming van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (rov. 3.4.4 en rov. 4), en

ii) heeft toegewezen de door [verweerders] bij eisvermeerdering in appel ingestelde vordering dat voor recht zal worden verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden (rov. 3.4.5 en rov. 4).(7)

1.16 Inzet van de onderhavige cassatieprocedure vormen de klachten die zijn gericht tegen de hierboven onder 1.15 genoemde eindbeslissing van het hof. De klachten zijn vervat in onderdeel II van het principale cassatieberoep, in de onderdelen 2, 3 en 7 van het incidentele cassatieberoep van [verweerder 2] c.s. en in de onderdelen 2 t/m 4 en 7 van het incidentele cassatieberoep van [verweerders] Deze klachten hebben in het bijzonder betrekking op het op grond van rov. 3.3 t/m 3.4.3 gegeven eindoordeel van het hof in rov. 3.4.4 en 3.4.5 omtrent de territoriale werking van het Russische faillissement en de gevolgen hiervan voor [betrokkene 3] om in zijn hoedanigheid van curator de hem krachtens het Russische faillissementsrecht toekomende bevoegdheden in Nederland uit te oefenen met betrekking tot de hier te lande gelegen vermogensbestanddelen van Yukos Oil.

1.17 De overige klachten van het principale cassatiemiddel (de onderdelen III t/m V) en van de incidentele cassatieberoepen (de onderdelen 4 t/m 6 van het incidentele cassatieberoep van [verweerder 2] c.s. en de onderdelen 5 en 6 van het incidentele cassatieberoep van [verweerders]) blijven in de onderhavige cassatieprocedure buiten beschouwing, omdat zij betrekking hebben op door [betrokkene 3] ingenomen standpunten en/of dat deel van het bestreden arrest raken waarin het hof een tussenbeslissing heeft gegeven tot aanhouding van de zaak in afwachting van de uitspraak van het EHRM in een door Yukos Oil tegen de Russische Federatie ingestelde procedure wegens schending van in het EVRM gewaarborgde rechten, terwijl tegen deze tussenbeslissing geen tussentijds cassatieberoep is opengesteld (vgl. rov. 4.2.3 van HR 29 juni 2012). Deze klachten hebben betrekking op rov. 3.5 t/m 3.6.13 en keren zich tegen de overwegingen van het hof over de vraag of erkenning aan het Russische faillissementsvonnis moet worden onthouden omdat het vonnis tot stand is gekomen op een wijze die niet in overeenstemming is met de Nederlandse beginselen van een behoorlijke procesorde.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

Inleiding

2.1 Vooraf merk ik op dat de 'hamvraag' van de Yukos-zaak, te weten de vraag of het Russische faillissementsvonnis voor erkenning in Nederland in aanmerking komt, buiten de grenzen van de onderhavige cassatieprocedure valt. Het antwoord op deze vraag is echter wel bepalend voor de vraag of [betrokkene 3] bevoegd was om in Nederland op te treden in zijn hoedanigheid van curator en, onder andere, bestuurders van Yukos Finance te ontslaan en nieuwe bestuurders te benoemen. Wordt het Russische faillissementsvonnis niet erkend, dan heeft dat tot gevolg dat [betrokkene 3] niet bevoegd was hier te lande op te treden; aldus ook rov. 3.6.10 van het bestreden arrest:

'(...) Aangenomen - hetgeen het hof nog zal moeten onderzoeken - dat het Russische Faillissementsvonnis (...) niet kan worden erkend, zal vaststaan dat [betrokkene 3] hier te lande onbevoegd namens Yukos Oil is opgetreden, en dus onbevoegd de (...) power of attorney heeft verleend [op grond waarvan mr. Gispen namens Yukos Oil alle rechten kon uitoefenen verbonden aan de aandelen Yukos Finance, A-G], en evenzeer onbevoegd de (...) aandeelhoudersbesluiten [tot ontslag en benoeming van de bestuurders van Yukos Finance, A-G] heeft genomen. Daarmee staat dan tevens vast dat de besluitvorming bij die gelegenheden nietig is geweest. (...).'

Zoals gezegd, heeft het hof zijn eindoordeel op dit punt aangehouden in afwachting van de beslissing van het EHRM in de zaak tussen Yukos Oil en de Russische Federatie. Het EHRM heeft inmiddels op 20 september 2011 uitspraak gedaan(8), maar voor zover mij bekend heeft het hof Amsterdam nog geen eindarrest gewezen over de vraag naar de erkenning van het Russische faillissementsvonnis.

2.2 Indien het Russische faillissementsvonnis niet wordt erkend, heeft dat tot gevolg dat [betrokkene 3] in zijn hoedanigheid van curator niet bevoegd was om de aandelen Yukos Finance te verkopen en bij akte van 10 september 2007 te leveren aan Promneftstroy, met als gevolg dat Promneftstroy deze aandelen niet rechtsgeldig heeft verkregen.(9) In de bestreden beslissing heeft het hof gemeend dat de vraag of Promneftstroy rechthebbende is geworden op de aandelen Yukos Finance reeds beantwoord kan worden zonder af te wachten of, na de beslissing van het EHRM in de hierboven genoemde EVRM-procedure, het faillissementsvonnis voor erkenning in aanmerking kan komen. Het hof heeft immers overwogen dat '(w)anneer het Russische faillissementsvonnis hier te lande kan worden erkend' (rov. 3.3.2), zulks niet wegneemt dat het faillissementsvonnis krachtens Nederlands internationaal privaatrecht territoriale werking heeft (rov. 3.3.3 en 3.3.4) op grond waarvan [betrokkene 3] niet de bevoegdheid had om de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil te liquideren (rov. 3.4.1 en 3.4.2), en Promneftstroy dus geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden (rov. 3.4.4 en 3.4.5). Het is hoofdzakelijk dit oordeel van het hof, waarbij dus veronderstellenderwijs van de erkenbaarheid van het Russische faillissementsvonnis is uitgegaan, dat in de onderhavige cassatieprocedure wordt bestreden.

2.3 Verder merk ik op dat in de verhouding tussen Nederland en de Russische Federatie geen verdrag bestaat waarin de erkenning van (de gevolgen van) faillissementen is geregeld, zodat het onderhavige geschil wordt beheerst door het Nederlandse commune internationaal privaatrecht. De vraag naar het bestaan en de inhoud van de bevoegdheden van een faillissementscurator moet worden gekwalificeerd als een vraag van faillissementsrecht die wordt beheerst door het op het desbetreffende faillissement toegepaste faillissementsrecht (lex concursus). Aldus ook het hof in rov. 3.3.2 van het bestreden arrest:

'(...) De vraag naar het bestaan en de inhoud van bevoegdheden van de vreemde curator is een vraag van faillissementsrecht en wordt beheerst door het recht dat op het desbetreffende faillissement toepasselijk is, te weten in dit geval het Russische recht. (...)'.

Dit betekent evenwel niet dat de curator alle hem krachtens de lex concursus toekomende bevoegdheden ook zonder meer in Nederland kan uitoefenen, aangezien ons commune internationaal privaatrecht aan een in het buitenland uitgesproken faillissement territoriale werking toekent, niet alleen in die zin dat het in het buitenland op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag niet mede omvat zijn in Nederland aanwezige baten, maar ook in dier voege dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de gefailleerde.(10) In deze zin ook rov. 3.3.3 van het bestreden arrest.

2.4 Hierbij verdient aantekening dat het territorialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan de werking in Nederland van andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement. Het staat de buitenlandse curator dan ook vrij hier te lande in of buiten rechte bevoegdheden uit te oefenen die hem krachtens de lex concursus toekomen en die geen afbreuk doen aan het recht van onvoldane crediteuren om zich te verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de gefailleerde.(11) Zo staat het de buitenlandse faillissementscurator vrij om, ondanks de territoriale werking van het buitenlandse faillissement, in Nederland een faillissementspauliana in te stellen.(12) Verder is in de Yukos-zaak eerder door de Hoge Raad beslist dat de territoriale werking van het Russische faillissement niet eraan in de weg staat dat [betrokkene 3] in zijn hoedanigheid van curator de stemrechten uitoefent op de aandelen Yukos Finance die vóór het faillissement aan Yukos Oil toekwamen, omdat 'gesteld noch aannemelijk is dat uitoefening van de stemrechten op de aandelen Yukos Finance door [betrokkene 3] tot gevolg zal hebben dat onvoldane crediteuren van Yukos zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos'.(13)

2.5 In het commune Nederlandse internationaal privaatrecht geldt derhalve op basis van de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad dat een buitenlands faillissement hier te lande een beperkt territoriale werking heeft, maar dat aan dit faillissement extraterritoriale werking kan worden toegekend voor zover de uitoefening van de aan de lex concursus ontleende bevoegdheden van de buitenlandse curator geen afbreuk doet aan het recht van onvoldane crediteuren om zich te verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de gefailleerde.

2.6 Tegen deze achtergrond gaat het hof in het bestreden arrest uit van een juiste maatstaf waar het in rov. 3.3.2 overweegt dat, bij gebreke van een in dit geval toepasselijke internationale regeling, onderzocht moet worden 'of het naar Nederlands internationaal privaatrecht geldende beginsel van territoriale werking van het faillissement eraan in de weg staat dat de curator bepaalde - hem naar Russisch recht toekomende - bevoegdheden uitoefent, vgl. HR 19 december 2008, NJ 2009, 456', en voorts in rov. 3.3.3 dat de territoriale werking van het Russische faillissement onder andere inhoudt dat 'de rechtsgevolgen die naar Russisch recht aan het faillissement zijn verbonden in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van (het voormalige) Yukos Oil'. Het hof komt tot de conclusie dat [betrokkene 3] als curator niet bevoegd was hier te lande op te treden namens (het voormalige) Yukos Oil, in het bijzonder tot het ontslaan van [verweerder 1] en [verweerder 2] en het benoemen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] alsmede tot het verkopen en leveren van de aandelen Yukos Finance aan Promneftstroy (rov. 3.4.4 en 3.4.5). Deze eindbeslissing is gebaseerd op twee gronden in rov. 3.4.1 en rov. 3.4.2, die in samenhang gelezen dat oordeel kunnen dragen.

2.7 In de eerste grond in rov. 3.4.1 stelt het hof voorop dat de (voorheen) aan Yukos Oil toebehorende aandelen Yukos Finance zich bevinden in Nederland (ook ten tijde van de verkoop en levering door [betrokkene 3]), zodat het Russische faillissementsbeslag op het vermogen van Yukos Oil ingevolge het territorialiteitsbeginsel niet op die aandelen is komen te rusten. Vervolgens overweegt het hof dat de in het Nederlandse recht aanvaarde territorialiteit voor de elders benoemde curator geen absoluut beletsel vormt om ten aanzien van de vermogensbestanddelen in Nederland beheers- en beschikkingsbevoegdheden uit te oefenen, maar dat die bevoegdheidsuitoefening niet zó ver kan gaan dat [betrokkene 3] deze vermogensbestanddelen als curator mag liquideren teneinde de opbrengst daarvan uit te keren aan de in het Russische faillissement erkende crediteuren. Daarmee zou immers worden bereikt dat activa die naar Nederlands recht niet onder het faillissementsbeslag vallen, door de verkoop ervan niettemin feitelijk wel in de vereffening van de boedel worden betrokken, zodat het faillissementsbeslag een breder bereik krijgt dan het territorialiteitsbeginsel ten opzichte van in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen toestaat, aldus het hof.

2.8 In de tweede grond in rov. 3.4.2 overweegt het hof dat de verhaalsmogelijkheden van onvoldane crediteuren - tijdens of na afloop van het faillissement - op de zich in Nederland bevindende aandelen Yukos Finance door de verkoop en levering van deze aandelen aan Promneftstroy worden beperkt. Dat er ook in het onderhavige geval dergelijke onvoldane crediteuren zijn of redelijkerwijs kunnen zijn, is door [verweerders] gemotiveerd gesteld en door ([betrokkene 3] c.s. en) Promneftstroy c.s. niet voldoende gemotiveerd betwist, aldus het hof. Daarmee heeft het hof de hierboven genoemde in de rechtspraak van de Hoge Raad neergelegde maatstaf aangelegd dat de rechtsgevolgen die naar Russisch recht aan het faillissement zijn verbonden in Nederland niet kunnen worden ingeroepen wanneer dat ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op (tijdens of na afloop van het faillissement) in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil.

Principaal cassatiemiddel zijdens Promneftstroy c.s.

2.9 Ik kom toe aan de behandeling van het principale cassatiemiddel. Onderdeel II keert zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.3.2 t/m 3.4.5 van het bestreden arrest, waarin het hof op grond van de territoriale werking van het Russische faillissement tot de conclusie komt, onder meer, dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden (rov. 3.4.4). Onderdeel II valt uiteen in vijf subonderdelen. Subonderdeel II.1 klaagt dat onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden, gelet op i) de regel van Nederlands internationaal privaatrecht dat het bestaan en de inhoud van de bevoegdheden van [betrokkene 3] als buitenlandse curator worden beheerst door Russisch recht en ii) de bevoegdheid van [betrokkene 3] volgens dat recht om over alle in en buiten de Russische Federatie gelegen vermogensbestanddelen van Yukos Oil te beschikken. Het onderdeel faalt, omdat het eraan voorbijgaat dat het hof in rov. 3.4.2 terecht de in de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde maatstaf heeft aangelegd dat naar commuun Nederlands internationaal privaatrecht grenzen worden gesteld aan de krachtens de lex concursus (volgens het middel) bestaande bevoegdheid van [betrokkene 3] om te beschikken over alle in en buiten Rusland gelegen vermogensbestanddelen van de gefailleerde. De uitoefening van deze bevoegdheid mag immers niet ertoe leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de gefailleerde. Anders gezegd miskent het onderdeel dat de (door het middel gestelde) universele geldingspretenties van het Russische faillissementsbeslag aanlopen tegen de grenzen van de territoriale beperking van dit faillissement krachtens het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.

2.10 Subonderdeel II.2 keert zich tegen rov. 3.3.4, waarin het hof heeft geoordeeld dat het territorialiteitsbeginsel - dat is geworteld in de soevereiniteitsleer - strekt tot bescherming van crediteuren maar niet beoogt (mede) de failliet te beschermen tegen de gevolgen van een insolventieprocedure in een land waarmee Nederland geen verdrag tot erkenning van een aldaar uitgesproken faillissement heeft, voorts dat het territorialiteitsbeginsel zich laat kwalificeren als 'een regel van openbare orde', om vervolgens tot de slotsom te komen dat 'het Russische faillissementsvonnis elk gevolg, waardoor het territorialiteitsbeginsel van haar effectiviteit zou worden beroofd, moet worden onthouden'. Het onderdeel brengt hiertegen in dat i) het territorialiteitsbeginsel niet strekt tot bescherming van crediteuren of andere particulieren, ii) onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het Russische faillissementsvonnis elk gevolg waardoor het territorialiteitsbeginsel van zijn effectiviteit zou worden beroofd, wegens strijd met een regel van openbare orde, moet worden onthouden, iii) onjuist is de kwalificatie van het territorialiteitsbeginsel als een regel van openbare orde, en iv) onbegrijpelijk is hoe het Russische faillissementsvonnis een gevolg zou inhouden dat het territorialiteitsbeginsel rechtstreeks van zijn effectiviteit zou beroven.

2.11 De klacht onder i) faalt omdat uit het bestreden arrest, en in het bijzonder rov. 3.4.2, valt af te leiden dat het hof de in rov. 3.3.4 genoemde strekking van het territorialiteitsbeginsel vooral heeft willen plaatsen in de sleutel van de in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde maatstaf dat de rechtsgevolgen die naar buitenlands recht aan het faillissement zijn verbonden in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de gefailleerde. De aan het territorialiteitsbeginsel door het hof toegedeelde strekking, de bescherming van crediteuren, is vanuit deze optiek bezien niet onjuist of onbegrijpelijk. De klacht mist feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat het territorialiteitsbeginsel volgens het hof strekt tot bescherming van andere particulieren.

2.12 De overige klachten onder ii) t/m iv) betreffen met name de door het hof aan het territorialiteitsbeginsel gegeven kwalificatie als zijnde een regel van openbare orde en de gevolgen hiervan voor de beheers- en beschikkingsbevoegdheden van [betrokkene 3] ten aanzien van de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Het hof beschouwt het territorialiteitsbeginsel 'als een regel van openbare orde' omdat het strekt tot bescherming van statelijke belangen, en verbindt daaraan de conclusie 'dat het Russische faillissementsvonnis elk gevolg, waardoor het territorialiteitsbeginsel van haar effectiviteit zou worden beroofd, moet worden onthouden'. Daargelaten of de kwalificatie van het territorialiteitsbeginsel 'als een regel van openbare orde' voor juist kan worden gehouden, berusten de klachten op een verkeerde lezing van het arrest en is het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof in rov. 3.4.1 dient in samenhang te worden gelezen met de tweede grond in rov. 3.4.2, waaruit blijkt dat het hof niet heeft miskend dat de territoriale werking van het Russische faillissement op zichzelf niet eraan in de weg staat dat [betrokkene 3] de hem krachtens de lex concursus toekomende bevoegdheden uitoefent ten aanzien van de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van Yukos Oil (waarmee de door het buitenlandse vonnis in het leven geroepen gevolgen in zoverre dus extraterritoriale werking hebben), voor zover zulks niet tot gevolg heeft dat het verhaalsrecht van onvoldane crediteuren wordt aangetast. Het hof heeft erop gewezen dat er in het onderhavige geval dergelijke onvoldane crediteuren zijn of kunnen zijn en dat zulks door [verweerders] gemotiveerd is gesteld en door Promneftstroy c.s. niet voldoende is betwist. Hierop stuiten de klachten onder ii) t/m iv) af.

2.13 Subonderdeel II.3 komt met vier afzonderlijke klachten op tegen rov. 3.4.1 van het bestreden arrest waarin het hof heeft geoordeeld dat de in het Nederlandse recht aanvaarde territorialiteit voor de elders benoemde curator geen absoluut beletsel vormt om ten aanzien van de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen beheers- en beschikkingsbevoegdheden uit te oefenen, maar die bevoegdheidsuitoefening niet zó ver kan gaan dat [betrokkene 3] deze vermogensbestanddelen als curator mag liquideren teneinde de opbrengst daarvan uit te keren aan de in het Russische faillissement erkende crediteuren.

2.14 De eerste klacht van dit subonderdeel (onder 3.1) betoogt, kort gezegd, dat onduidelijk is welk criterium het hof voor ogen stond bij het onderscheid tussen wel en niet met het territorialiteitsbeginsel verenigbare uitoefening van beschikkingsbevoegdheid. De klacht faalt, omdat het hof in rov. 3.4.1 voortbouwt op de in rov. 3.3.2 en 3.3.3 geformuleerde uitgangspunten over de territoriale werking van het Russische faillissement. Het hof heeft in rov. 3.3.3 uitdrukkelijk de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf vermeld dat de rechtsgevolgen die naar Russisch recht aan het faillissement zijn verbonden in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van het (voormalige) Yukos Oil. In rov. 3.4.1 herhaalt het hof deze uitgangspunten en past het hof in rov. 3.4.2 de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf toe. Dit is naar mijn mening niet onjuist en/of onbegrijpelijk.

2.15 De tweede klacht van dit subonderdeel (onder 3.2) houdt in dat de territoriale werking van het Russische faillissement niet impliceert dat de in Nederland gelegen goederen van de failliet in die zin buiten de faillissementsboedel vallen dat diens buitenlandse curator daarover niet zou mogen beschikken. De klacht gaat eraan voorbij dat de territoriale werking van het Russische faillissement tot gevolg heeft dat (zoals het hof ook terecht heeft geoordeeld in rov. 3.3.3 en 3.4.2) geen van de krachtens de lex concursus bestaande bevoegdheden van de buitenlandse curator hier te lande kunnen worden uitgeoefend voor zover zulks ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de failliet.

2.16 De derde klacht van dit subonderdeel (onder 3.3) gaat ten onrechte ervan uit dat de beslissing van het hof ertoe leidt dat de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van degene die naar buitenlands recht failliet is verklaard, hier te lande onbeheerd zullen blijven liggen, omdat noch de beschikkingsonbevoegde failliet noch diens beschikkingsbevoegde curator over deze vermogensbestanddelen zou kunnen beschikken. Gelet op de territoriale werking van het buitenlandse faillissement kan de failliet in Nederland vrijelijk over zijn vermogensbestanddelen beschikken, zolang hij ook niet hier te lande failliet is verklaard of op zijn vermogen beslag is gelegd door schuldeisers dan wel de buitenlandse curator daarover beschikkingsbevoegd is binnen de door de territoriale werking van het faillissement gestelde grenzen. Dat dit onder omstandigheden tot ongewenste resultaten kan leiden, ligt voor de hand, maar is nu eenmaal het gevolg van het ontbreken van een verdragsregeling tussen Nederland en de Russische Federatie waarin de erkenning van faillissementen wordt geregeld.

2.17 De vierde klacht van dit subonderdeel (onder 3.4) behoeft geen afzonderlijke bespreking.

2.18 Subonderdeel II.4 bestrijdt rov. 3.4.2 waarin de tweede grond is opgenomen voor het eindoordeel in rov. 3.4.4 en 3.4.5 dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden. Naar mijn mening gaat het middel ten onrechte uit van een te beperkte strekking van de territoriale werking van het Russische faillissement. Waar het op aankomt is dat de buitenlandse curator geen van de hem krachtens de lex concursus toekomende bevoegdheden ten aanzien van in Nederland gelegen activa van de failliet mag uitoefenen voor zover deze bevoegdheidsuitoefening ertoe zou leiden dat - en ik herhaal de reeds eerder geciteerde maatstaf - 'onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op - tijdens of na afloop van het faillissement - in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde'.(14) De strekking van deze regel is dat crediteuren die een vordering hebben of krijgen op de in het buitenland failliet verklaarde (rechts)persoon, niet in hun verhaalsmogelijkheden beperkt mogen worden door de uitoefening van de aan de lex concursus ontleende bevoegdheden van de buitenlandse curator ten aanzien van in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van de failliet. Het faillissementsbeslag omvat immers niet de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen. Daarbij is, zo lijkt mij, niet van belang of de crediteuren, vóór of na het buitenlandse faillissement, (conservatoir) beslag hebben laten leggen op de vermogensbestanddelen in Nederland.(15) In confesso is het bestaan van twee nog onvoldane crediteuren, te weten de kleindochters van Yukos Oil: Glendale en Yukos Capital, die belang erbij hebben dat de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van Yukos Oil beschikbaar blijven voor verhaal. Hieraan doet de onder 4.2 van het onderdeel gegeven argumentatie voor andere verhaalsmogelijkheden niet af. Ik meen dan ook dat de tegen rov. 3.4.2 gerichte klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

2.19 Subonderdeel II.5 bevat klachten tegen de overwegingen van het hof in rov. 3.4.3 omtrent de kwalificatie van het territorialiteitsbeginsel als 'een regel van openbare orde' en de door Promneftstroy aan de orde gestelde vraag of bij een eventuele inbreuk op de openbare orde een afweging moet worden gemaakt tussen de binnen de Nederlandse rechtsorde beschermde belangen die in het geding zijn en het belang van degene die in vertrouwen op een regelmatige afwikkeling van het buitenlandse faillissement transacties is aangegaan. Het subonderdeel bouwt op de voorgaande klachten voort en moet het lot daarvan delen.

2.20 Gelet op het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat de door Promneftstroy c.s. in het principale cassatieberoep voorgestelde klachten falen.

Incidenteel cassatieberoep zijdens [verweerder 2] c.s.

2.21 Het incidentele cassatieberoep zijdens [verweerder 2] c.s. is wat betreft de onderdelen 2 en 3 ingesteld onder de voorwaarde dat, voor zover van belang, onderdeel II van het principale cassatieberoep van Promneftstroy c.s. slaagt. Onderdeel 7 van het incidentele cassatieberoep is daarentegen onvoorwaardelijk ingesteld. Nu naar mijn oordeel onderdeel II van het principale cassatieberoep faalt, kan bespreking van de onderdelen 2 en 3 van het incidentele cassatieberoep achterwege blijven. Voor het geval Uw Raad zou menen dat onderdeel II van het principaal beroep niettemin slaagt, merk ik kort het volgende op.

2.22 De in de subonderdelen 2.1 t/m 2.3 geformuleerde klachten berusten op een onjuiste uitleg van de territoriale werking die naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt toegekend aan een in het buitenland uitgesproken faillissement. De door het middel voorgestane opvatting komt in wezen erop neer dat het territorialiteitsbeginsel een absoluut beletsel vormt voor de uitoefening van bevoegdheden door de buitenlandse curator in Nederland. Deze opvatting zou ertoe leiden dat de curator de aan de lex concursus ontleende bevoegdheden nimmer zou kunnen uitoefenen ten aanzien van in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van de failliet, hetgeen niet in overeenstemming is met de op dit punt geldende rechtspraak van de Hoge Raad, zoals uiteengezet in nr. 2.3 t/m 2.5 van mijn conclusie.

2.23 De motiveringsklacht in subonderdeel 2.4 faalt reeds omdat het betrekking heeft op de vraag naar de bevoegdheid van [betrokkene 3] tot uitoefening van stemrechten op de aandelen Yukos Finance en dus dat deel van het bestreden arrest betreft waarin geen eindbeslissing maar een (tussentijds niet voor cassatieberoep opgestelde) tussenbeslissing is gegeven.

2.24 Subonderdeel 2.5 keert zich tegen rov. 3.4.5 waarin het hof heeft beslist dat met het tot nu toe overwogene tevens vast staat dat de vorderingen van [verweerders] moeten worden afgewezen voor zover het betreft de bepaling dat het te bekrachtigen vonnis ook tegen Promneftstroy zal gelden. Dat oordeel is gebaseerd op het in cassatie tevergeefs bestreden oordeel van het hof in rov. 3.4.4, zodat de klacht faalt.

2.25 Onderdeel 3 klaagt in de kern genomen erover dat het hof met het in rov. 3.5.1 en 3.3.1 overwogene omtrent de voorwaarden waaronder een buitenlands faillissementsvonnis in Nederland kan worden erkend, miskend heeft dat voor de erkenning van buitenlandse faillissementsvonnissen een ander regime geldt dan voor de erkenning van andere constitutieve vonnissen, met name in de personen- en familierechtelijke sfeer. Aan buitenlandse faillissementsvonnissen komt in Nederland in beginsel geen gezag van gewijsde toe en de Nederlandse rechter dient in elk bijzonder geval te beoordelen of en in hoeverre aan dat buitenlandse vonnis gezag moet worden toegekend, aldus het middel.

2.26 Het onderdeel faalt wegens gebrek aan belang, omdat het hof aan de thans in cassatie ter toetsing voorgelegde eindbeslissing veronderstellenderwijs ten grondslag heeft gelegd dat 'het Russische faillissementsvonnis hier te lande kan worden erkend' (rov. 3.3.2). De discussie naar de voorwaarden voor de erkenning van het Russische faillissementsvonnis en hetgeen het hof daaromtrent in rov. 3.3.1 en 3.5.1 heeft overwogen, is in de onderhavige cassatieprocedure niet aan de orde. Het hof heeft immers de definitieve beantwoording van de vraag naar de erkenning van het Russische faillissement aangehouden in afwachting van de EHRM-procedure (zie ook rov. 3.6.10). Hetgeen het hof overweegt in rov. 3.3.1 heeft bovendien slechts te gelden als een inleiding op de bespreking van de vraag of het territorialiteitsbeginsel zich verzet tegen de verkoop en levering van de aandelen Yukos Finance aan Promneftstroy waarbij, zoals gezegd, veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de erkenbaarheid van het Russische faillissementsvonnis, terwijl rov. 3.3.1 noch rov. 3.5.1 dragend is voor het door het hof op deze vraag gegeven antwoord in rov. 3.4.4 en 3.4.5.

2.27 Onderdeel 7 is onvoorwaardelijk voorgesteld en heeft betrekking op de kostenveroordeling door het hof. Subonderdeel 7.1 voert aan dat het hof ten onrechte, en zonder enige motivering, niet heeft toegewezen de gevraagde veroordeling van Promneftstroy c.s. tot betaling van de kosten van vertaling die zijn gespecificeerd op € 505.195,47. Uit het petitum, sub 1, van de Memorie van antwoord tevens houdende vermeerdering van eis en voor zover nodig incidenteel appel van 14 juli 2009, blijkt dat in dit verband is gevorderd om 'appellanten en tussenkomende partijen hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding (...), daaronder begrepen de aanzienlijke vertaalkosten van de belastingdossiers (...)'. Nu hieruit blijkt dat de vertaalkosten (uitsluitend) betrekking hebben op 'de belastingdossiers' die hooguit betekenis kunnen hebben in het kader van de door het hof in afwachting van een beslissing van het EHRM in de eerdergenoemde procedure aangehouden vraag naar de erkenning van het Russische faillissementsvonnis, is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in het met een eindbeslissing afgesloten deel van de procedure (nog) geen oordeel heeft gegeven over de gevraagde veroordeling in de vertaalkosten, zodat het onderdeel faalt.

2.28 Subonderdeel 7.2 voert aan dat hof [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (en/of de advocaat van Yukos Finance) in de proceskosten had moeten veroordelen in plaats van Yukos Finance, omdat uit het arrest volgt dat Yukos Finance niet kon worden vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Het onderdeel faalt, omdat het hof kennelijk geen aanleiding heeft gezien art. 245 Rv toe te passen. Het hof heeft immers nog niet definitief beslist over de erkenning van het Russische faillissementsvonnis, waarmee de vraag naar de rechtmatigheid van het ontslag van [verweerder 1] en [verweerder 2] en de benoeming van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] samenhangt. Voor de onderhavige procedure geldt dat nog niet kan worden gezegd dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] Yukos Finance onbevoegd hebben vertegenwoordigd.

Incidenteel cassatieberoep zijdens [verweerders]

2.29 De onderdelen 2 t/m 5 van het incidentele cassatiemiddel van [verweerder 1] zijn voorgesteld onder de voorwaarde, voor zover van belang, dat het principale cassatieberoep van Promneftstroy c.s. slaagt. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, kan de bespreking van deze klachten achterwege blijven. Voor het geval Uw Raad zou menen dat het principale beroep niettemin slaagt, bespreek ik de onderdelen van het incidentele cassatieberoep zijdens [verweerders] in het kort. Onderdeel 2 komt in de kern overeen met (een deel van) de klachten van het zijdens [verweerder 2] c.s. aangevoerde incidentele cassatiemiddel. De door [verweerders] aangevoerde klachten falen om dezelfde redenen als genoemd bij de bespreking van het incidentele cassatiemiddel van [verweerder 2] c.s. Onderdeel 3 bevat geen klacht. Onderdeel 4 faalt bij gebrek aan belang om dezelfde redenen als is aangegeven ten aanzien van onderdeel 3 van het zijdens [verweerder 2] c.s. aangevoerde incidentele cassatiemiddel. Onderdeel 5 faalt eveneens bij gebrek aan belang, omdat het hof in het bestreden arrest nog geen definitief oordeel heeft gegeven over de erkenbaarheid van het Russische faillissementsvonnis en de beslissing daaromtrent heeft aangehouden in afwachting van de beslissing van het EHRM in de genoemde EVRM-procedure.

2.30 Onderdeel 6 is gericht tegen rov. 2.2.7 waarin het hof heeft overwogen dat diverse juristen/adviseurs van Yukos Oil de stukken die aan het naheffingsbesluit ten grondslag liggen hebben ingezien. Het onderdeel vermeldt niet of het voorwaardelijk is ingesteld, zodat er vanuit moet worden gegaan dat dit niet het geval is. Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat de vraag of de documenten die de juristen/adviseurs op 18 en 19 mei 2004 op het belastingministerie mochten inzien dezelfde waren als het bewijsmateriaal dat aan het naheffingsbesluit ten grondslag ligt, voor de beoordeling van de thans in cassatie aan de orde zijnde vragen niet van betekenis is.

2.31 Onderdeel 7 heeft betrekking op de kosten van vertalingen en is, zo moet worden aangenomen, ook onvoorwaardelijk ingesteld. Volgens het onderdeel heeft het hof verzuimd te beslissen over de vordering tegen Promneftstroy tot betaling van de vertaalkosten in hoger beroep, althans heeft het hof die vordering zonder enige motivering afgewezen. Het onderdeel faalt om dezelfde reden als genoemd bij de bespreking van subonderdeel 7.1 van het incidentele cassatiemiddel van [verweerder 2] c.s.

3. Conclusie

De conclusie strekt i) in het principaal beroep tot verwerping, ii) in het zijdens [verweerder 2] c.s. ingestelde incidenteel beroep tot verwerping, iii) in het zijdens [verweerders] ingestelde incidenteel beroep tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1 e.v. van HR 29 juni 2012, LJN: BU5630, NJ 2012/424, alsmede rov. 2.1 e.v. van het bestreden arrest van het hof Amsterdam van 19 oktober 2010.

2 Het geding in eerste aanleg was gericht tegen [betrokkene 3] (in zijn hoedanigheid van curator van Yukos Oil), [betrokkene 5] en [betrokkene 4].

3 LJN: BB6782; JOR 2008/56, m.nt. P.M. Veder; Ondernemingsrecht 2008/60, m.nt. M.A. Broeders.

4 LJN: BO1035, JOR 2011/27, m.nt. P.M. Veder.

5 Zie ook rov. 2 en 3.4 van HR 29 juni 2012.

6 LJN: BU5630, NJ 2012/424.

7 Blijkens HR 29 juni 2012 geldt de toegewezen verklaring voor recht alleen ten opzichte van Promneftstroy en Yukos Finance ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) en niet ten opzichte van [betrokkene 4] (rov. 4.2.2).

8 Zaaknummer 14902/04, LJN: BU7982, EHRC 2011/160, m.nt. B. Wessels, FED 2012/27, m.nt. E. Thomas.

9 In deze zin ook HR 7 januari 2011, LJN: BP0015, NJ 2011/304, m.nt. H.B. Krans, i.h.b. rov. 3.4.3 en 3.4.4, zie ook nr. 19 van de conclusie van A-G Strikwerda vóór dit arrest.

10 Zie de volgende rechtspraak: HR 2 juni 1967, LJN: AB3520, NJ 1968/16, m.nt. HB (Chiotakis); HR 31 mei 1996, LJN: ZC2091, NJ 1998/108, m.nt. ThMdB (De Vleeschmeesters), rov. 3.4; HR 24 oktober 1997, LJN: ZC2468, NJ 1999/316, m.nt. ThMdB (Gustafsen) rov. 3.5.2-3.5.3; HR 19 december 2008, LJN: BG3573, NJ 2009/456, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.3 (Yukos). Onjuist is overigens dat het territorialiteitsbeginsel mede beoogt de gefailleerde te beschermen tegen de gevolgen van een buitenlandse faillissementsprocedure die geopend is in een land waarmee Nederland geen verdrag tot erkenning van zodanig faillissement heeft gesloten (zie HR 19 december 2008, rov. 3.4.3).

11 Zie ook nr. 21 van de conclusie van A-G Strikwerda vóór HR 19 december 2008, LJN: BG3573, NJ 2009/456, m.nt. Th.M. de Boer.

12 HR 24 oktober 1997, LJN: ZC2468, NJ 1999/316, m.nt. ThMdB (Gustafsen).

13 Zie rov. 3.4.3 (slot) van het genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008.

14 Zie o.a. HR 19 december 2008, LJN: BG3573, NJ 2009/456, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.3.

15 Anders Veder in zijn noot onder het thans in cassatie bestreden arrest, JOR 2011/27. De opvatting van Veder wordt m.i. op goede gronden bestreden door A.J. Berends, Insolventie in het internationaal privaatrecht, tweede druk, 2011, p. 76-77.